Ik denk graag tegen mezelf in

Drie decennia dacht en schreef Hans Achterhuis over het kwaad, utopieën en goede bedoelingen. Hij neemt afscheid als hoogleraar filosofie en kijkt terug op zijn eigen werk. Een gesprek over zijn sympathie voor de Rote Armee Fraktion, Hannah Arendt en het persoonlijke in zijn boeken.

’De grote waarom-vragen fascineren mij, zegt Hans Achterhuis. Dat soort vragen beantwoorden normale wetenschappers niet. Zij beperken zich tot feitelijke gegevens, filosofen gaan verder.”

Filosoof Achterhuis (65) zet een punt achter zijn wetenschappelijke carrière. De laatste tien jaar werkte hij als hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de Universiteit Twente.

In zijn afscheidsrede, ’Lof en troost van de filosofie’, vertelt hij over de rode draad in zijn leven: kritisch nadenken over zichzelf en de maatschappij.

„Ik ben altijd op zoek naar verheldering”, zegt Achterhuis in zijn woning in Utrecht. Zijn werktafel ligt vol met notities. In de boekenkast leunt een kindertekening.

„Een ingrijpende leeservaring was voor mij ’De banaliteit van het kwaad’ van Hannah Arendt. Ze beschrijft daarin het proces tegen Eichmann, die verantwoordelijk is voor het vervoer van miljoenen Joden naar concentratiekampen. Arendt onderzoekt hoe het mogelijk is dat Eichmann, die aan het begin van zijn loopbaan nog geen antisemiet is, uiteindelijk één van de grote verantwoordelijken van de holocaust wordt. Volgens Arendt is hij geen beroepsmisdadiger maar een banaal mens die in kwaad vervalt. Dan is de vraag: ’hoe kan dat?’ Eigenlijk stelt ze een diepe vraag: Hoe zou ik in zo’n situatie handelen? Zit dat kwaad ook in mij?’”

Achterhuis, tijdens de Tweede Wereldoorlog geboren, raakte gefascineerd door het thema door verhalen over de oorlog. „Alle verhalen over de goede Nederlanders tegen de slechte Duitsers bleken toch te mooi. Hoe zat dat precies? Hoe zit het überhaupt met het kwaad in de geschiedenis?”

Andere thema’s in zijn denken zijn de verhouding tussen techniek en samenleving en de verhouding tussen rijk en arm, waarover hij de bestseller ’Het rijk van de schaarste’ (1988) schreef, over de strijd om toegang tot voedsel, gezondheidszorg en natuurlijke hulpbronnen. In ’De erfenis van de utopie’ (1998) belichtte hij de keerzijde van het utopisch denken.

„Ik voel mij betrokken bij het onrecht in de wereld”, zegt Achterhuis. „De moeilijkheid is dat je daar soms niets aan kunt veranderen maar ik denk er wel over na.”

Dat denken over politiek en moraal heeft hij in uiteenlopende functies gedaan, van medewerker bij het werelddiaconaat van de Nederlandse hervormde kerk tot techniekfilosoof.

In ’Lof en troost van de filosofie’, zijn afscheidsrede, beperkt Achterhuis zich voornamelijk tot zijn eigen wereld en zijn persoonlijke relatie met de filosofie.

Hij laat zien hoe de christelijk-Romeinse denker Boëthius aan het begin van de zesde eeuw troost vindt in gevangenschap. „De Romeinse senator is ter dood veroordeeld en wacht in de cel op zijn straf. Zijn antwoord op het verlies van zijn geliefden is dat zij in het licht van de eeuwigheid niet tellen,” zegt Achterhuis. „Volgens Boëthius zijn er grotere zaken die het antwoord geven. Dat klopt niet voor mij. Ik wil vasthouden aan de mensen van wie ik houd. Ik luister liever naar Aristoteles: Het risico dat je vrienden en je geliefden morgen doodgaan, is er altijd. Maar vriendschap en liefde zijn zoveel waard dat je dat verlies ook moet kunnen dragen.”

Ook Machiavelli helpt Achterhuis bij het omgaan met het verdriet over een sterfgeval in zijn naaste omgeving. Machiavelli was door de bankiersfamilie De Medici gevangen genomen, gemarteld en verbannen uit Florence. Overdag zoekt Machiavelli gezelschap bij de mensen in het dorp, maar ’s avonds wordt hij getroost door het lezen van klassieke literatuur en filosofie.

Achterhuis: „Ik dacht, wat gek dat de politieke gedachten van Machiavelli afleiding brengen. Zijn werk gaat niet over dood en sterven. Wat is er met mij aan de hand dat ik dit lees? Later begreep ik dat die onderwerpen impliciet wel aanwezig zijn. Filosofen stellen belangrijke vragen over het leven als ’wat moet ik doen?’, ’hoe moet ik leven?’, ’wat kan ik hopen?’, ’hoe kan ik kennen?’. Machiavelli vraagt zich af: ’hoe moet ik omgaan met verlies en verraad?’”

Achterhuis heeft zojuist het boek ’Met alle geweld’ afgerond, waarin hij de ontwikkeling van het denken over geweld beschrijft en ook zijn eigen denken kritisch analyseert.

„Ik ben geschrokken van de manier waarop ik in de jaren zestig en zeventig over geweld schreef”, zegt Achterhuis. „Als een simpel neutraal middel. Er is een uitspraak van Sartre waarin hij zegt dat je door een blanke kolonisator te doden, twee vliegen in één klap slaat. Je hebt een dode onderdrukker en na de moord staat een bevrijde ander op. Dat is onzin natuurlijk, je wordt niet bevrijd als je iemand vermoordt. In tegendeel, het tekent je voor de rest van je leven, je worstelt er mee.”

„Hoe kan het dat mijn studenten en ik ons verbonden voelden met de Rote Armee Fraktion, ondanks alle kritiek die we op die terreurorganisatie hadden? We waren geen aanhangers van de RAF, maar we hadden wel het idee dat ze met hun strijd voor een betere maatschappij eigenlijk bij links hoorden.

De uitspraak van vrijheidsstrijder Che Guevara dat we een tweede of derde Vietnam moeten creëren om het imperialisme van Amerika te verslaan, nam vrijwel iedereen over. Pas later ben ik ook romans over de Vietnamoorlog gaan lezen. Via deze romans zag ik hoe vreselijk de situatie was. Het is geen oorlog van wapperende vlaggen maar van muskieten, van de dood van anderhalf miljoen mensen en mannen die drugs gebruiken uit angst.”

Achterhuis vertelt dat ook de Wereldraad van Kerken in die tijd geweld als een simpel middel zag. „Ze dachten na over de vraag of er een rechtvaardige revolutie kan bestaan. De Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie wilde de machthebbers in Zuid-Amerika in naam van de christelijke boodschap met geweld op de knieën krijgen. Ik heb geen oordeel over wat ze daarginds zeiden maar wel over hoe wij daarmee omgingen in onze gemakkelijke situatie.”

Hans Achterhuis staat op om een boek uit de kast te pakken, de in 2005 verschenen pocket: ’Tien rode jaren’ van Antoine Verbij, de huidige Trouw-correspondent in Duitsland. „Hierin staat dat ik maoïst was. Toen ben ik boos geworden. Dat klopt gewoon niet. Ik heb over Mao geschreven, heb met name zijn filosofische geschriften geanalyseerd en was daar enthousiast over, maar ik bleef altijd ongebonden en zelfstandig.”

Achterhuis begint ’Lof en troost van de filosofie’ met een dichtregel van Marsman: ’Wie schrijft als filosoof, schrijve persoonlijk of schrijve niet’. Is persoonlijk schrijven belangrijk voor hem?

„Ik kan niet anders. Ik ben zelf aanwezig in mijn boeken. Persoonlijk schrijven betekent dat de persoon die je bent in je tekst tot uiting komt. Mijn filosofische vragen zijn persoonlijk. Omdat ik, zoals ze wel zeggen, feeling heb met wat er speelt, zijn dat vaak ook actuele vragen uit de maatschappij.”

Achterhuis ontkomt niet aan zijn eigen kritische blik. „Ik denk graag tegen mijzelf in. Dat deed ik altijd al maar ik merk dat het nog sterker wordt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden