'Ik denk dat we nog dieper moeten graven'

interview | Door de oorlog in Syrië moesten archeoloog Lucas Petit en zijn collega's van het Rijkmuseum voor Oudheden uitwijken naar Jordanië. En daar deden ze een opmerkelijke vondst.

Eigenlijk komt het door een sjofel, vertelt archeoloog Lucas Petit. In de sleuf die de machine had gegraven, op een heuvel in het grensgebied van Jordanië en Israël, werden scherven gevonden. Die zagen er zo interessant uit, dat het departement van oudheden in Jordanië er archeologen bij haalde.

En nu is Lucas Petit net terug uit de Jordaanvallei waar hij twee maanden heeft gegraven op Tell Damiyah. Op deze kleine heuvel, een paar honderd meter ten oosten van de rivier de Jordaan, zoekt hij naar restanten van een nederzetting uit de ijzertijd (1200-550 v. Chr.). Met succes: het team vond een 2700 jaar oud heiligdom en vijftien gave, beschilderde kleibeeldjes van paarden en vrouwen.

Het was eigenlijk niet de bedoeling meteen verder te graven, vertelt Petit. Het verzoek was of hij die plek veilig wilde stellen voor plunderaars en beschermen tegen erosie. "Als je dat daar open en bloot laat liggen in zon, wind en regen, gaat er heel veel materiaal verloren."

Hij was wel meteen 'verliefd' op deze vindplaats. Bij een testopgraving deed hij een opmerkelijke vondst: een stukje klei met spijkerschrift erop. Het bleek een zegel dat op een handelsproduct of brief had gezeten. Het zegel was verbroken, waaruit je zou kunnen afleiden dat daar ooit iemand heeft gewoond die spijkerschrift kon lezen.

Dat is merkwaardig, omdat de voertaal in deze streek rond 700 v. Chr. Aramees was. Petit: "Als archeoloog raak je daar behoorlijk opgewonden van." Hij besloot om dáár verder te graven, en niet op de plek die hij aanvankelijk had uitgekozen. "Archeologen hebben altijd bijzondere verwachtingen. Vaak loopt het anders, maar deze vondst overtreft alles. Ik krijg reacties van archeologen uit de hele wereld."

Meestal zijn kleibeeldjes ('figurientjes') zoals nu zijn gevonden, niet meer intact. Ze werden gemaakt om boze geesten af te weren. Petit vermoedt dat ze werden vernield als ze hun functie hadden gehad. Dat deze beeldjes nog gaaf zijn komt waarschijnlijk doordat er een grote brand heeft gewoed.

De afgelopen jaren groef Petit met zijn Jordaans-Nederlandse team twee maanden per jaar in de Jordaanvallei. De rest van het jaar werkt hij in het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, waar hij sinds 2010 conservator Nabije Oosten is. Het opgravingswerk is onderdeel van zijn functie bij het museum.

Het is weinig bekend dat het RMO, als enige museum in Nederland, ook zelf opgravingen doet. Petits voorganger Peter Akkermans begon ermee begin jaren negentig, in Syrië. Door de oorlog daar moest het museum uitwijken naar Jordanië. Petit en zijn team hebben daar nu drie seizoenen gegraven.

Met zijn team bivakkeert hij in het 'opgravingshuis', dat begin jaren tachtig werd gebouwd in opdracht van de Universiteit van Leiden en de universiteit van Yarmouk (Jordanië). Het huis staat naast de nederzettingsheuvel Deir 'Alla uit de brons- en ijzertijd (1800-550 v. Chr.), waar onlangs, na vijftig jaar, de opgravingen zijn afgesloten.

Petit: "Toen we de proefopgraving deden in Tell Damiyah, bleek dat tot onze verbazing een andere bewoningsgeschiedenis te hebben dan de rest van de Jordaanvallei. En ook verbindingen te hebben met het Assyrische rijk. Want we vonden niet alleen dat kleibrokje met spijkerschrift maar ook veel Assyrisch aardewerk." De Assyriërs hadden rond 700 v. Chr. grote delen van het Nabije Oosten onder hun bewind. Maar wat deden ze in Tell Damiyah?

Alle karavanen moesten langs deze doorwaadbare plek in de Jordaan om de steden in het heuvelland aan weerszijden van de Jordaanvallei te bereiken. Woonde er daarom misschien een Assyrische gouverneur? Of bevond zich daar een dorp met herberg? Deze vragen kunnen nog niet beantwoord worden, maar er ontstaat wel een beter beeld. Petit: "Misschien moeten we veel dieper graven. We zitten nu op anderhalve meter, terwijl de heuvel zeventien meter hoog is. "

Dus toch maar geduldig met een mesje, troffeltje en borsteltje centimeters aarde blijven wegschrapen?

"Mijn vrouw verbaast zich er ook altijd over dat archeologen dat geduld kunnen opbrengen."

Waarom heeft een museum als het RMO een eigen opgravingsteam? Kun je dat niet beter overlaten aan de universiteiten van Leiden en Amsterdam, die veel ervaring hebben?

"Nee, dat is erg belangrijk, willen we onze kennis op peil houden en meedoen in het wetenschappelijke veld. Anders word je niet meer serieus genomen, wat ertoe kan leiden dat buitenlandse musea ons nauwelijks of geen bruiklenen meer willen geven. Door ook zelf te graven en daarover te publiceren, blijf ik een gesprekspartner voor het British Museum en het Louvre. Dat is zo belangrijk voor ons dat we er geld voor vrijmaken, al is het budget beperkt."

Koning Willem I richtte het RMO in 1818 op. Pas in 1991 stuurde het museum voor het eerst een opgravingsteam naar het Midden-Oosten. Ben je dan niet veel te laat?

"Het belang van zelf graven is hier inderdaad erg laat doorgedrongen. Het Louvre en het British Museum deden in de negentiende eeuw al opgravingen. Ze selecteerden de gebieden toen vooral op de voorwerpen die ze konden vinden. In die periode zijn belangrijke kunstschatten uit de landen van herkomst meegenomen. Ik denk dat het RMO niet meedeed, omdat het destijds geen prioriteit had. Er was geen geld voor, maar ook de interesse ontbrak. Dat verklaart ook dat onze collectie maar klein is. Het RMO is vanaf 1890 wel archeologische voorwerpen gaan kopen in onder meer Libanon. Ook waren er conservatoren die aan veldwerk deden, maar meestal sloten ze zich aan bij een universiteitsteam. Pas na de komst van Peter Akkermans is het museum zelf gaan graven. Dat we na Syrië gekozen hebben voor Jordanië, is omdat 13 procent van onze Nabije Oosten-collectie uit de Jordaanvallei komt."

Musea pikten de mooiste voorwerpen in, tot Unesco daar begin jaren zeventig een eind aan maakte. Blijft alles wat u met uw team opgraaft achter in Jordanië?

"Alles gaat naar het depot van de oudheidkundige dienst in Amman waarmee we samenwerken. Na onderzoek waarbij ook de universiteit van Yarmouk is betrokken, worden de voorwerpen verdeeld over musea in Jordanië. Zo hoort het ook. Het eigendomsrecht ligt daar.

Mag alles wat is meegenomen voor de regelgeving van Unesco van kracht werd, in de westerse musea blijven?

"Daar zijn regelmatig stevige discussies over. De meeste musea voelen er niets voor hun topstukken terug te geven. Zelfs een bruikleen is vaak niet bespreekbaar. Dat is logisch, als de omstandigheden in de musea in de landen van herkomst te wensen overlaten. Maar die musea worden steeds beter.

"Nederland heeft overigens als een van de laatste landen pas in 2009 de regels van Unesco ondertekend. Het is erg jammer dat het zo lang heeft geduurd. Zelf ben ik voor een ruimhartig beleid. Waarom zou je voorwerpen die hier vooral in het depot liggen, niet langdurig in bruikleen geven aan een museum in Caïro of Amman? En waarom zou het Louvre een beroemde mummie niet voor twee jaar kunnen uitlenen aan Egypte? Cultureel erfgoed moet je delen met zoveel mogelijk mensen.

"Het kan natuurlijk niet zo zijn dat 90 procent van onze museumcollectie naar Bagdad verhuist. Maar als ze een mooie expositie willen maken in Irak van alle 25 Gudea-beeldjes die bewaard zijn gebleven, vind ik het geen probleem om ons exemplaar uit 2200 v. Chr, een van onze topstukken, uit te lenen."

Wat is het mooiste voorwerp dat u hebt opgegraven?

"Dat wil iedereen altijd weten. Maar daar gaat het in de archeologie niet om. Je graaft allemaal puzzelstukjes op in de hoop de puzzel compleet te maken. Bij elke vondst kom je een stapje dichterbij, maar elke vondst roept ook nieuwe vragen op.

"In Tell Damiyah hebben we behalve dit heiligdom ook twee woningen gevonden met daarin lokaal en Assyrisch aardewerk. Wat deden die Assyriërs daar? In welke kamer leefden de mensen? Je gaat steeds verder inzoomen tot je een beeld hebt van de gemeenschap die daar ooit heeft bestaan. Ik reconstrueer bij wijze van spreken een samenleving. Ik zoek niet zozeer naar voorwerpen, maar naar een verhaal.

"Het meest aangrijpende wat ik ooit heb ontdekt is een huis in Afrika, dat verbrand was en ingestort. De complete inventaris lag er nog, maar we vonden ook drie bewoners die waren vermoord voordat het huis in brand was gestoken. Het gaat niet om de voorwerpen. Alles is opzienbarend als het een plek kan krijgen in het verhaal. En het allermooiste is als je het verhaal sluitend kunt krijgen."

Er wordt veel gestolen van opgravingssites. Hebt u daar ook last van?

"Het scheelt dat we in de Jordaanvallei graven in militair gebied dat streng beveiligd is. Dat heeft ook nadelen, omdat je een speciale vergunning moet aanvragen. Bovendien mag je geen doeken spannen als zonwering, terwijl we vaak werken bij 40 graden. De lokale bevolking denkt dat we op zoek zijn naar kostbaarheden. Ook de militairen vragen elke keer als we de controlepost passeren, of we goud hebben gevonden.

"Mensen die opgravingen plunderen, wil ik niet zonder meer veroordelen. Ze zijn vaak straatarm en hopen gevonden voorwerpen te kunnen verkopen. In feite motiveren we met ons graafwerk mensen met slechte bedoelingen. Dat geeft me wel een dubbel gevoel."

Dat weerhoudt u er niet van om te blijven graven.

"Ik denk er wel over na hoe je plundering kunt voorkomen. Een van mijn plannen is om lokale scholen te bezoeken om uit te leggen dat we scherfjes opgraven om meer te weten te komen over hún geschiedenis. Dat het gaat om hún erfgoed, waarop ze trots moeten zijn en niet moeten stelen of kapot maken. Misschien ben ik heel idealistisch, maar ik vind contact met de lokale bevolking erg belangrijk."

Crisis in de archeologie

Archeologie was tot voor kort 'booming business'. Vooral eind jaren negentig en de jaren 2000, toen er veel werd gebouwd en bouwlocaties moesten worden onderzocht op archeologische sporen, was er volop werk voor de 10.000 mensen in deze branche. Met de crisis in de bouw zijn ook onder archeologen veel ontslagen gevallen. Net afgestudeerde archeologen komen niet meer aan de slag in Nederland. Elders kunnen ze soms nog terecht in de overwegend buitenlandse teams. Maar dan krijgen ze doorgaans alleen reis en verblijf vergoed plus wat zakgeld. "Te weinig om van te bestaan, ook al hop je van het ene project naar het andere", zegt Jeroen Rensen. De 35-jarige Rensen maakt deel uit van het opgravingsteam van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. De afgelopen jaren werkte hij als postbode om aan de kost te komen. Het komende jaar heeft hij een aanstelling als assistent-collectiebeheerder in het RMO.

Ook Lucas Petit, conservator van het RMO en leider van het opgravingsteam van het museum, heeft jaren bijbaantjes gehad. Tussen het graven door werkte hij in de bakkerij van de Hema. "Pas naarmate je meer ervaring opdoet en teams je er graag bij willen hebben, kun je wat eisen stellen. Bijvoorbeeld dat ze jouw huur doorbetalen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden