'Ik dacht: mijn gitaar mee voor liedjes'

Naar Auschwitz gingen ze. En naar Sobibor, Bergen-Belsen, Theresienstadt, Mauthausen: de mensen die werden weggevoerd uit kamp Westerbork. Om hen te gedenken, onthult premier Kok in het Drentse kamp zondag een permanent monument.

Jules Schelvis, die zelf Sobibor en Auschwitz overleefde, nam het initiatief tot de oprichting van het gedenkteken. Hij vertelt: ,,Er zijn veel monumenten voor de slachtoffers van de Holocaust. Grote en kleine. Maar voor de slachtoffers van Sobibor bestond nog helemaal niets. Terwijl bijna een derde van de Joden uit Nederland daar terechtkwam.''

Schelvis greep zijn kans toen twee jaar geleden een deel van het goud, dat in de oorlog van de Joden was geroofd, beschikbaar kwam. ,,Nederland kreeg 22 miljoen. Dat bedrag moest worden besteed aan 'iets wat te maken had met de vernietiging van de Joden'.

Schelvis riep de Stichting Sobibor in het leven, in de hoop zo eerder aanspraak te kunnen maken op een gedeelte van het geld. De stichting kreeg 100000 gulden. In overleg met onder anderen Dirk Mulder, directeur van herinneringscentrum Kamp Westerbork, werd besloten een monument te maken. Niet alleen voor slachtoffers van Sobibor, maar ook voor die van de vier andere kampen. Kunstenaar Victor Levie, maker van onder meer de wand met familienamen in de Hollandse Schouwburg, ontwierp het herinneringsmonument vervolgens. Vijf objecten van hardsteen staan inmiddels in Kamp Westerbork. Daarin gegraveerd het aantal gedeporteerden naar de kampen. En het aantal mensen dat er de dood vond. Schelvis, beeldend: ,,Op de Mauthausen-gedenksteen staat bovenaan 1750. Daaronder 1749. Het aantal dat er omkwam.''

Schelvis was er zelf getuige van hoe de nazi-terreur de Nederlandse Joden in zijn greep hield. Vanaf het begin van de oorlog zag hij hoe ze bij bosjes werden afgevoerd. Bestemming onbekend. Dat hij zelf overleefde, verbaast hem nog altijd.

,,Mijn verhaal is bizar. Zoals het verhaal van zoveel van onze mensen bizar is. Dat onderstreep ik ook in de toespraak die ik zondag houd. Ik vertel daarin heel kort over de barre en bizarre kampen waarin ik ben geweest. En dat is het precies. De oorlog, alles, was een wonderlijk angstige tijd.''

Hij wil wel vertellen hoe hij -telkens weer- de dans ontsprong. Maar, waarschuwt hij: ,,Dat moet in vogelvlucht. Anders duurt het dagen.''

En hij begint: ,,Het was de dag dat de Westhaven was afgezet en alle Joden die er te werk waren gesteld, werden opgepakt. Tot die groep Joden behoorde ik ook, maar het toeval wilde dat ik net die dag thuis was gebleven, omdat ik mij niet lekker voelde.

's Avonds stonden twee rechercheurs op de stoep, gekomen om Jules en Rachel Scheltens mee te nemen. Zoals je weet heet ik Schelvis, geen Scheltens en ik vertelde het duo dan ook dat ze de verkeerde mensen voor zich hadden. Daarop dropen de twee af.''

,,Erg lang duurde dit geluk niet: we kwamen toch in Westerbork terecht. Van daaruit maakten we de lange reis naar Sobibor, niet wetend wat ons te wachten stond. Maar dat het goed mis was, merkten we direct nadat we uit de trein waren gestapt. Onze bagage werd ingenomen. Ook mijn gitaar, die had ik meegenomen. Ja, zo naïef was ik. Ik dacht, bij een kamp hoort een kampvuur en horen liedjes. Enfin, we werden geselecteerd, je kent de verhalen. Omdat ik er jong uitzag, kwam ik in de grote groep jongeren terecht die bestemd was voor de gaskamers. Maar ik zag bij een groepje jongemannen aan de kant mijn zwager staan. Ik sprong op en vroeg in mijn beste Duits aan een van die SS'ers of ik me bij die groep mocht voegen. Hij aarzelde even en stemde toen toe. Zo ontsnapte ik zonder dat ik het vermoedde aan de dood.''

,,De groep waarin ik kwam, werd naar een kamp gebracht waar turf moest worden gestoken. Zwaar werk. In datzelfde kamp arriveerde op een dag twintig Poolse Joden. Het waren drukkers uit Warschau en ze droegen een verklaring bij zich: ze zouden als drukkers te werk worden gesteld Nou, dat was natuurlijk wat, want ik en Leo, een goede vriend die in dezelfde groep als ik zat, waren van oorsprong ook drukkers. We wilden hoe dan ook net zo'n papier bemachtigen. Op een dag vroegen we of we de kampcommandant konden spreken. We legden hem ons voorstel voor. Een groot risico, want hij kon twee dingen doen: machtig boos worden, met alle gevolgen van dien, of in een goede bui ons verzoek inwilligen. Kennelijk was hij goedgehumeurd, want we hoefden niet meer terug naar de turfvelden. We voegden ons bij de groep drukkers.''

,,En zo kwamen we van de hel in de hemel. Onze groep werd overgebracht naar een plaats met een klein Joods getto. Een getto met enige vorm van zelfbestuur, waar geen gebrek aan eten was. Dat duurde een paar maanden, toen werden alle kampen in de buurt geliquideerd en werd het getto opgeheven. Iedereen die te oud, te jong en ongezond was, werd afgemaakt. De rest kwam in concentratiekampen terecht. Zo kwam ik terecht in een kamp waar ik korven moest vlechten van wilgentakken. Helemaal niet zo slecht: we werkten in een warme barak en voerden eindeloze gesprekken. Maar na een tijd moest ik weer de vrieskou in om graafwerk te verrichten. Werk waarvan ik wist dat ik het nooit zou volhouden. In een opwelling stapte ik naar de Arbeitsführer en vroeg of ik me mocht melden bij de wapenfabriek die aan het concentratiekamp grensde. Allicht dat het werk daar minder zwaar was. De Arbeitsführer stemde toe. Een week later hoorde ik dat de groep waarmee ik manden had gevlochten weg was. Waarheen laat zich slechts raden.''

,,Zo bleef ik aan het werk tot het einde van de oorlog naderde en de Russen kwamen. Omdat wij niet aan hen mochten worden overgeleverd, begonnen we aan wat later bekend zou worden als de dodenmars. Vier dagen en vier nachten hebben we gelopen. Tot we in een stadje kwamen, vanwaar transporten naar Auschwitz bleken te vertrekken. Zo kwamen we toch nog in Auschwitz-Birkenau terecht. Ik zag meteen dat het foute boel was -inmiddels wisten we wel wat de moordfabriek van de nazi's inhield. Maar terwijl ikzelf niet meer verwachtte dat het nog goed af zou lopen, werd ik uitgekozen om, met een groep van 1500 mannen, in een Zuid-Duits stadje aan het werk te gaan. En dat terwijl Auschwitz nog op volle toeren draaide! Daar, vlakbij Stuttgart, werden we uiteindelijk op 8 april 1945 bevrijd.''

Met het monument dat zondag wordt onthuld, gaat een langgekoesterde wens van Schelvis in vervulling. Al jaren denkt hij aan een plek ter nagedachtenis aan de mensen die in Sobibor omkwamen, onder wie zijn vrouw. ,,We moesten het maar doen onder de paraplu van het Auschwitz-monument. Maar dat bevredigde mij niet. In mijn boek 'Vernietigingskamp Sobibor' schreef ik: 'laat dit boek dan een monument zijn'. Maar dat er nu iets tastbaars is gekomen, een fysieke plek, dat is voor mij heel bijzonder.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden