Ik, Bram Peper

Anton Constandse was een vrijdenker van het zuiverste water, voor wie de anarchistische staat van vrije burgers een utopie was. Bij zijn honderdste geboortedag constateert Paul Cliteur dat de anarchistische staat inmiddels gevestigd is, al liggen de burgers nog steeds in de ketenen. ,,De anarchist weet dat de vrijheid van de overheid en de vrijheid van de burger communicerende vaten zijn.''

Ik had een vriend die onder de indruk was van het werk en de persoonlijkheid van Jan Cremer. Als hij in een moeilijke situatie verzeild raakte - een dreigende vechtpartij, het neerbuigend afgewezen worden door een meisje - stelde hij zich de vraag: hoe zou Jan Cremer dit oplossen? De verwachtingen van mijn vriend ten aanzien van het probleemoplossend vermogen van Jan Cremer leken mij wat hooggespannen, maar het speculeren over de vraag hoe een bewonderd figuur zou denken over een heikel onderwerp is waarschijnlijk iedereen wel bekend.

Wij hebben allemaal behoefte aan voorbeelden, aan role-models, zoals de Amerikanen zeggen. Ik had mijn eigen held, de anarchist, atheïst, humanist, vrijdenker en republikein Anton Constandse. Hoe kwam ik bij Constandse? Wij hadden thuis de E.N.S.I.E. staan: de Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopedie. Van huis uit ongelovig, ging ik daarin op zoek naar een levensbeschouwelijk perspectief. Ik trof toen een artikel aan over 'De Vrije Gedachte', geschreven door Dr. Onno Noordenbos. De Vrije Gedachte zou ik nu - overigens duidelijker dan Noordenbos - willen omschrijven als een voorkeur voor de waarde van vrijheid, in het bijzonder vrijheid van meningsuiting en een kritische houding ten aanzien van alle machten die deze vrijheid breidelen. Een factor figureert dan prominent in de demonologie van de vrijdenker: God en dienst aan Hem. ,,God is het kwaad'', formuleerde Constandse het wellicht ietsje kort door de bocht.

Pas later leerde ik dat vrijdenkers nog bestonden. Weliswaar beleefde het vrijdenken zijn bloeiperiode aan het eind van de negentiende eeuw en tussen de twee wereldoorlogen in deze eeuw, maar er bestonden nog altijd aanhangers. Anton Constandse was zo iemand. Via boeken als Bevrijding door verachting, Het soevereine ik, Grondslagen van atheïsme, Het anarchisme van de daad en vele andere pamfletten, artikelen, radiolezingen en bijdragen aan debatten kon men kennisnemen van de altijd eigenzinnige mening van een man die leefde van en voor het intellectuele debat. Afelopen maandag zou Constandse honderd jaar zijn geworden. Hoe zou hij gedacht hebben over onze tijd? Bijvoorbeeld over de Nederlandse politiek, die hij in zijn hoogtijdagen zo ijverig becommentarieerd had?

Zoals zo vaak in de wereldgeschiedenis heeft het lot een ironische loop gehad. Constandse was anarchist en, terwijl de anarchie voor hem als een onbereikbare utopie gold, is deze op het ogenblik in ons openbaar bestuur bijna volledig gerealiseerd. Ambtenaren bankieren zonder dat hun politieke superieuren daar weet van hebben. Secretarissen-generaal spreken hun minister openlijk tegen. Een stroom van berichten over processen in het openbaar bestuur bereikt ons via de krant, zonder dat iemand een idee heeft hoe de bureaucratie nog onder controle te houden valt. Minister Bram Peper heeft in het kabinet een cultuurfilosofisch essay gepresenteerd over vervagende grenzen, internet, mondige ambtenaren, onderhandelend besturen en meer van dat soort zaken, zonder dat er ook maar één idee in staat dat dienstig kan zijn voor de beteugeling van de vrijbuitende bureaucratie.

In een nota die op prinsjesdag wordt gepubliceerd (nu nog geheim en dus al openbaar) wil Peper 'een breed maatschappelijk debat openen' (is het reeds jaren gevoerde debat de minister ontgaan?) over de ministeriële verantwoordelijkheid die, ook bij hem, weer wordt gerelativeerd. Ich habe meine Sache auf nichts gestellt, (ik heb mijn zaak op niks gesteld) gaf Max Stirner aan zijn boek als motto mee. Peper moet daar niet ver vanaf zitten, want hij stelt zijn hoop op een symposium waar deskundigen maar eens moeten aangeven in hoeverre de ministeriële verantwoordelijkheid (en dus de democratie) op sterk water kan worden gezet in onze internet-samenleving.

De anarchie is dus volledig gerealiseerd. Alleen via een andere weg dan Constandse had gedacht. En in een andere vorm dan door hem bepleit werd.

Het wereldbeeld van Constandse is in geen van zijn boeken systematisch uitgewerkt. Zijn meest illustratieve publicatie vind ik nog altijd een boekje uit de jaren twintig: De zelfvernietiging van het protestantisme. Hier vindt men de stelling dat het protestantisme in zijn verwerping van het roomse leergezag vanzelf zou moeten leiden tot humanisme. Daarin heeft hij gelijk gekregen. Het rationalisme van het protestantisme (de individuele mens maakt zelf uit welke onderdelen van de Schrift voor hem gezaghebbend zijn) heeft inderdaad geleid tot de autonomie van de mens, zoals geproclameerd door theologen als H. M. Kuitert. Constandse vond die striptease van God en de godsdienstige traditie een vernederende vertoning. Hij hekelde de wijze waarop Jezus van een goddelijke figuur steeds meer tot een gewone wijsheidsleraar werd gemaakt, terwijl de pretentie werd hooggehouden dat daarmee de essentie van het christendom niet werd prijsgegeven. Maar of men dat nu wil toegeven of niet: de theologie heeft in grote lijnen de weg bewandeld die Constandse voorspelde. Alleen zijn sociale idealen zijn in zekere zin in hun tegendeel verkeerd. Constandse verwachtte dat met de onttroning van God - symbool voor het gezag par excellence - de mens en de burger werkelijk centraal zouden komen te staan. Het atheïsme zou een voorstadium zijn van het humanisme en anarchisme in de zin van een suprematie van de mens en de burger.

Hoe is het mogelijk dat de vrijheid van de burger, die het resultaat had moeten zijn van Constandse's liefde voor de vrijheid, is uitgebleven? Het antwoord op die vraag luidt: de vrijheid van de burger die hij zich ten doel gesteld had tot gelding te brengen tegenover de overheid, is door diezelfde overheid opgeëist tegenover de burger. En daarmee werd in een verbluffende dialectiek, een ontkenning van de ontkenning, de emancipatie van de mens uit de machten die hem bedrukten weer gefrustreerd. De mens is vrij geboren en overal ligt hij in de ketenen, zegt Rousseau. Vrij naar Rousseau zouden we kunnen zeggen: de ontwikkeling van de Nederlandse democratie had de mens op vrijheid aangelegd, maar hij heeft zich door verleidelijke misvattingen weer in de ketenen laten leggen.

De vrijheid van de burger heeft wel een papieren basis: de grondwet. Voorzover het gaat om de beperking van overheidsmacht door het recht vinden we die basis in de grondrechten. Voorzover het gaat om de mogelijkheid het overheidsbeleid te sturen vinden we die vrijheid neergelegd in een cryptische bepaling: art. 42, lid 2 van de grondwet. Daar staat dat de koning onschendbaar is en de ministers verantwoordelijk. Dat artikel heeft in de vorige eeuw instrumenteel gewerkt bij het ontfutselen van macht aan het koningshuis om deze in handen te leggen van voor burgers beheersbare functionarissen: de ministers. Constandse heeft aan die strijd een bijdrage geleverd met zijn Oranje zonder mythe waarin de monarchie even scherp werd bekritiseerd als Thomas Paine had gedaan in Rights of Man. Maar waar Constandse geen oog voor heeft gehad, is dat in zijn tijd het koningshuis allang geen politieke macht meer had. Die macht was overgegaan op 's konings voormalige dienaren: de bureaucratie. De bureaucratie regeert nu soeverein.

Hoe valt het te verklaren dat de soevereiniteit die vroeger aan de vorst toekwam, is overgegaan op de ambtenaren? Dat heeft weer te maken met een verkeerd denken. Men heeft de rechten die zijn gemaakt voor de burger tegenover de overheid toegekend aan de overheidsdienaren om geldend te maken tegenover de burger of tegenover dienaren van de burgerij (de ministers).

Dat proces heeft in de jaren zestig en zeventig zijn beslag gekregen. De anarchist weet dat de vrijheid van de overheid en de vrijheid van de burger communicerende vaten zijn. Hoe groter de vrijheid van de burger, hoe kleiner die van de overheid. Hoe groter die van de overheid, hoe kleiner die van de burger. Men moet de overheid daarom binden aan wet en regel. De bureaucratie hoort te zijn een uitvoerende macht. Uitvoerend in de zin dat de wet moet worden uitgevoerd en in de zin dat de wensen van de politieke gezagsdragers (onze vertegenwoordigers) dienen te worden uitgevoerd. Maar in de internet-samenleving van Peper wordt dat onmogelijk geacht. Dat zou maar getuigen van een illusionaire beheersingsdrang. Van centralistisch denken. Van de wens om de klok terug te zetten. Processen zijn niet meer centraal aan te sturen. Ambtenaren hebben bovendien vrijheid van meningsuiting. Wat kan je als minister dan nog?

Antwoord: cultuurfilosofisch bespiegelen. Bedelen om uitvoering van een maatregel. Jo Ritzen, zelf een voortvarend minister, citeert in zijn memoires een uitspraak van Hanja Mai-Weggen uit haar ministersperiode: ,,Daar kan ik bij mijn ambtenaren niet mee aankomen''. Dat is zo ongeveer de teneur geworden. Dat is het type minister die weet door wie men gecontroleerd wordt.

Valt de overheveling van politieke macht vanuit voor burgers beheersbare organen naar aangestelde ambtelijke elites nog te keren? Zou Nederland de democratische aanzetten die in de vorige eeuw onder leiding van Thorbecke zijn gevestigd weer nieuw leven kunnen inblazen? Dat vergt moedige en bovendien intelligente politici. Men het hoofd bieden aan de cultuurfilosofie van wegvallende grenzen, onderhandelend besturen, bestuurlijk fatalisme en postmodern onbeheersbaarheidsethos. Dat vergt een cultuuromslag die alleen politici kunnen voltrekken die hun oren niet laten hangen naar de tijdgeest. We zouden eigenlijk een nieuwe Bolkestein in de landspolitiek moeten hebben, maar die is in geen velden of wegen te bekennen.

In Trouw van 26 juni zei Bolkestein dat hij in 1977 de overstap naar de politiek maakte omdat Nederland 'het contact met de werkelijkheid kwijtgeraakt' was. 'Afscheid van het liberalisme' heette het interview. Dat heeft waarschijnlijk betrekking op de passage dat de VVD naar het oordeel van de liberale voorman een 'libertijnse vleugel' kent die 'grenst aan het anarchisme'. Bolkestein gaf aan zich meer verwant te voelen met de conservatieve vleugel van zijn partij, die een hang heeft naar traditie.

Onze nieuwe politici zouden de moed moeten hebben om over de geest van de jaren zestig heen terug te grijpen op klassieke uitgangspunten van onze parlementaire democratie.

Zoals met alle revoluties, heeft ook de revolutie van de jaren zestig, waarvan Constandse een intellectueel vertolker en voorvader is geweest, haar goede kanten. Het streven was mooi. Maar het is verkeerd gegaan toen men de ware vrijheidsvernietigende krachten niet meer juist wist te lokaliseren. Constandse had ongelijk om het koningshuis zo aan te vallen en de - veel machtiger - bureaucratie buiten schot te laten. Een ware republikein is tegenwoordig een anti-bureaucraat.

Wat nodig is, is een intellectuele contra-revolutie tegen de geest van de jaren zestig om het vrijheidsethos van diezelfde jaren zestig voor de burgers veilig te stellen. Voor dat ideaal zijn nog geen vertegenwoordigers opgestaan. Sterker: het wordt niet als een ideaal herkend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden