'Ik benijd niemand'

Paul Theroux (Medford, Massachusetts, USA, 1941) werkte als leraar voordat hij in 1971 als reisauteur de kost ging verdienen. Hij schreef een groot aantal boeken, waaronder De Oude Pantagonië-expres, De Grote Spoorwegcarrousel, Het Drijvende Koninkrijk en De Geschiedenis Van Een Vriendschap. Begin 2000 werden zijn verzamelde reisverhalen uitgegeven onder de titel Frisse Lucht.

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Suscipiat dominus sacrifitium de manibus tuis ad laudem et gloriam nominis sui, ad utilitatem quoque nostram totiuscue Ecclesiae suae sanctae. Nog altijd kan ik hele stukken uit de mis opdreunen. Ik was een misdienaar -volledig in de ban van het geloof- maar of ik ook een groot gelovige was, weet ik niet. Neem een willekeurig kind van vijf jaar mee naar de kerk, laat het communie doen, leer het alles over hel en verdoemenis en je hebt in een mum van tijd iemand die er van overtuigd is dat het verstandiger is om te geloven. Het was alsof ik soldaat werd in het leger van God. Ik vocht voor God en wilde niet verliezen.''

,,Ik moet tien jaar oud geweest zijn toen ik voor het eerst een begrafenis bijwoonde. Ik stond daar, met mijn kandelaartje, naast de doodskist en hoorde de rouwenden -een Italiaanse familie- huilen en 'O mio Dio!' schreeuwen. Het was een overweldigend drama; een prachtig theater. Na drie begrafenissen, mocht je een bruiloft doen. Het grote voordeel van zo'n dienst was dat de vader van de bruid de priester een envelop met inhoud gaf die aan het eind van de dag onder de misdienaren werd verdeeld. Het zijn mooie herinneringen. Het stiekem drinken van een glaasje miswijn in de sacristie van de St. Franciskerk... Het was spannend, gevaarlijk, ondeugend: het ware leven. Ik vond bovendien dat de kerk er, in moreel opzicht, goede ideeën op nahield: bezoek de zieken, zorg voor de armen, heb respect voor de ouden van dagen. Christus had het Judaisme nieuw leven ingeblazen; niet langer wraakzucht en moordpartijen, maar vergeving en liefde. Hij maakte het geloof tot een aardige code waarnaar ik zou kunnen leven. Als filosofie -het evangelie van de liefde- vind ik het christelijk gedachtengoed nog altijd prachtig, maar ik ontdekte al snel dat de andere kant -het geloof in hemel en hel- niet aan mij was besteed. Ik ben bang geweest om mijn ziel te verliezen, te sterven en dan in de hel te eindigen zonder ooit Gods aangezicht gezien te hebben. Ik vond het zo'n afschrikwekkend beeld dat ik mij bij iedere beslissing die ik nam, afvroeg of ik daarmee niet het risico zou lopen op deze afschuwelijke marteling. Toen ik begon af te dwalen van de katholieke leer, heb ik het vagevuur waarschijnlijk voortdurend voor ogen gehad, maar toch kon ik niet anders. Ik verloor eerst mijn geloof in het katholicisme, daarna mijn geloof in het christendom. Het was gewoon niet sterk genoeg. Als je mij nu, met het pistool op de borst, vraagt: 'Bestaat God?' dan moet ik zeggen: 'Dat weet niemand. Waarschijnlijk bestaat Hij niet'. Maar ik heb liever dat je mij die vraag niet stelt.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,Sint Paulus was mijn favoriete beschermheilige. Andere heiligen werden afgebeeld met een bloem, een lammetje of een kruis, maar mijn Paulus droeg een zwaard. Dat vond ik wel stoer, geloof ik. Ik had natuurlijk ook een beschermengel, die dag en nacht over mij waakte. Ik geloof nog steeds dat ik word 'beschermd', maar die engel zou dan eerder een kruising zijn tussen wat de Shamaan een 'dierlijke kracht' noemt en de herinnering aan mijn voorouders. Door te denken aan mijn dode vader, blijft hij in mijn gedachten leven. Ik denk aan hem, ik leer van hem. Mensen sterven niet. Zij leven in ons voort. Het bewijs daarvan wordt geleverd door de eerbied die elke gemeenschap, waar ook ter wereld, voor zijn doden kent. Er zullen niet veel mensen zijn die na het overlijden van een familielid zeggen: 'Mooi, die is ook dood. De fik er in en weg ermee.'''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,Bij ons thuis werd niet gevloekt. Ik heb mijn ouders nooit één obsceen woord horen gebruiken. Ik denk dat ik zelf begin jaren '60 voor het eerst 'fuck' ging zeggen. Ik ontwikkelde mijn puberale gedachten over De Wereld en een flinke vloek was daar een prima onderstreping van. Doordat ik zelden vloekte, was de kracht die ervan uitging enorm. Maar daar schuilt dus ook meteen de zwakte van vloeken: na verloop van tijd hadden die woorden geen enkele betekenis meer. Ik volg -omdat ik er op een sociologische manier in ben geïnteresseerd- een aantal Amerikaanse televisie-series waarin smerige taal wordt gebezigd en ik vraag mij steeds weer af waarom dat op zo'n nadrukkelijke manier wordt gedaan. Ik heb geen principiële bezwaren tegen grof taalgebruik, maar wanneer er met opzet, om het effect, wordt gescholden en gevloekt, vind ik dat wél aanmatigend. We hebben goede schrijvers en fantastische muzikanten in Amerika, maar al het moois wat zij voortbrengen wordt haast tenietgedaan door de vulgariteit van de populaire cultuur. Het is ook zo armoedig. Ik bedoel: de vocabulaire van vunzigheden is niet bepaald groot. Wie hersens heeft -en enig gevoel voor nuance- komt in onze taal met obsceniteiten niet erg ver. Ik heb in Brazilië naar Good Fellas van Martin Scorsese gekeken waarin het woord 'fuck' op wel vier of vijf verschillende manieren werd vertaald. Morono! Secretino! Idioto! Dat is toch al heel wat meer dan: 'Get the fuck over her! You stupid fat fuck.'''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Ook als je niet gelooft, is het goed om je aan dit gebod te houden. Als ik zeven dagen per week zou werken, zou dat de kwaliteit van mijn leven ernstig tekort doen. Ik geloof in ritmen. Mijn hele leven is, in feite, gedetimineerd tijdens mijn schooljaren. September was de maand om van start te gaan, schoolboeken te kopen, je weer serieus te gaan gedragen, projecten te beginnen. En in mei maak je iets af om daar vervolgens een zomer lang naar te kijken en over na te denken. Zo is het nog altijd voor mij: tussen het begin van juni en het einde van augustus werk ik minder hard. Al is werken voor mij een betrekkelijk begrip. Schrijven is geen werk. Schrijven is een levensproces. Zo bekeken heb ik een weinig arbeidzaam leven geleid. In november 1971 was ik leraar in Singapore en ik haatte mijn werk. Iedere dag weer op eenzelfde plek te moeten verschijnen en te doen wat je werd opgedragen -ik vond het verschrikkelijk. Toen het eind van mijn dienstverband in zicht kwam, zei ik tegen mijn baas: 'Ik wil geen verlenging van mijn contract'. Waarop hij antwoordde: 'Ik was ook zeker niet van plan je zoiets aan te bieden'. Ik herinner me nog goed hoe blij ik was. Niet langer afhankelijk van anderen! Ik vertrok naar Engeland en heb sindsdien geen dag meer gewerkt.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Ik heb ooit een Duitser ontmoet wiens vader een nazi was geweest. Hij vroeg mij: 'Mijn vader zat bij de SS. Hij gaat nog altijd tegen joden te keer. Hoe moet ik daar mee omgaan?' Ik zei: 'Haat die man, het is een beest.' Nou goed, misschien is het niet mogelijk om je vader te haten, maar als zo'n man duidelijk slecht is, lijkt het mij vanzelfsprekend dat je probeert je van hem te distantiëren en je niet door hem te laten beïnvloeden. Zo is het ook logisch dat je de mensen eert die goed zijn; die met liefde voor je hebben gezorgd en je in levenswijsheid zijn voorgegaan. Mijn vader was een evenwichtige man, spiritueel en gelukkig. Zijn familie was al in zeventiende eeuw uit Frankrijk vertrokken en hij kende zelf de stress niet meer van immigranten die -door armoedige omstandigheden in hun thuisland- gedreven waren om in Amerika zoveel mogelijk te bereiken. Mijn vader was geen ambitieuze man, niet hebberig of materialistisch. Heerlijk om bij in de buurt te zijn. Hij was dol op zijn zeven kinderen. Ons gelukkig maken, was zijn grootste doel in het leven. Ik heb van hem vooral geleerd hoe je een goede vader voor je kinderen kunt zijn. Ja, het goede voorbeeld. Zo simpel is het volgens mij echt.''

,,Toen mijn kinderen -Louis en Marcel- nog klein waren, was ik er altijd voor hen. Ik bracht de jongens 's morgens naar school, ging wat schrijven en zodra ze thuis kwamen, legde ik mijn pen neer en ging met ze spelen. Toen ze doordeweeks naar kostschool gingen, miste ik hen verschrikkelijk. Vaak belde ik op en vroeg of ik even langs kon komen. Dan dronk ik een kopje thee met ze, wandelde een stukje en reed weer terug naar huis. Ik kende geen ouders die dat ook deden. Ik geloof dat ik heb doorgegeven wat ik van mijn vader heb geleerd. En dus zullen mijn zonen ook goede vaders zijn. We hebben een goed contact, ook al zien we elkaar niet vaak. Zo is het tussen mij en mijn ouders ook gegaan. Ik ging naar Afrika, kwam na twee jaar thuis en vertrok niet veel later weer voor drie jaar. Ik schreef hen honderden brieven. Het was niet hetzelfde als elkaar zien, maar als contact toch lange tijd toereikend. Sinds mijn vaders overlijden in 1995, zoek ik mijn moeder weer regelmatiger op. Ze is 89. Ik wil haar, zo lang het nog kan, van dichtbij meemaken. Soms ben ik bang om haar te verliezen. Ik kan mij niets afschuwelijkers voorstellen dan de dood van een geliefde. Het ergste vind ik de leegte die ontstaat. Ze zeggen wel eens dat het gat op den duur wel wordt gedicht, maar dat is beslist niet zo. De leegte blijft. Misschien speelt de gedachte dat ik, na mijn ouders, in principe de volgende ben die gaat, ook een rol. Daar kijk ik niet echt naar uit. Philip Larkin schreef er een mooi gedicht over: Aubade. Niet lang daarna is hij aan kanker overleden. 'I work all day, and get half drunk at night/ Waking at four to soundless dark, I stare/ In time the curtain edges will grow light/ Till then I see what's really always there: Unresting death a whole day nearer now,/ Making all thought impossible but how/ And where and when I shall myself die./ Arid interrogation: yet the dread/ Of dying, and being dead,/ Flashes afresh to hold and horrify'.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Ik ben drie keer met de dood bedreigd. Die keer in Malawi ligt nog vers in mijn geheugen. Ik had een wegversperring over het hoofd gezien en de militair die er de wacht hield, dacht dat ik met opzet was doorgereden. Hij hield mij staande, sleurde mij de auto uit en zette een pistool op mijn slaap. Hij schreeuwde vreselijk. Ik dacht echt dat hij de trekker over zou halen. Als ik een wapen bij me had gehad, zou ik zeker geschoten hebben. Natuurlijk, uit zelfverdediging zal ik waarschijnlijk doden, maar dat is iets anders dan willens en wetens een ander vermoorden. Dat is wat er gebeurt als de doodstraf wordt voltrokken. George W. Bush had tijdens de laatste voorverkiezingen voor het presidentschap, als gouverneur van de staat Texas, de mogelijkheid om aan 103 ter dood veroordeelde mensen gratie te verlenen en hij liet ze stuk voor stuk sterven. President Clinton deed zeven jaar geleden precies hetzelfde. Voor een geestelijk gestoorde man, met het brein van een vijfjarig kind werd gratie gevraagd en Clinton zei: 'Niks mee te maken, op de elektrische stoel met die vent.' Het kan mij geen barst schelen dat Clinton heeft gerotzooid met Monica Lewinsky en daar nog over liegt ook. Waar ik bezwaar tegen heb is dat zo'n man voorstander van de doodstraf is. Voor mij is die straf één van de grootste schandvlekken in onze samenleving. Zij heeft ons volk gewelddadig en wraaklustig gemaakt. Als uitvoerders van de doodstraf zijn wij zielsverwanten van Iraniërs, Koreanen en andere barbaren. En dat de doodstraf zorgt voor minder misdaad, is ook een leugen. In de staten waar de doodstraf geldt, is juist sprake van meer geweld. Als het nodig is zal ik mijn bekendheid gebruiken om te protesteren tegen deze gruwelijke vorm van berechting. Ik zal nooit in een staat gaan wonen waar de doodstraf wordt uitgevoerd.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Ik zou overspel niet als een zonde willen betitelen, maar het lijkt mij voor een huwelijk beter als je probeert niet aan die verleiding toe te geven. Monogamie maakt het leven een stuk eenvoudiger. Ik ben ook geen type voor het 'open' huwelijk. Ik word al jaloers als er een onbekende man belt en mijn vrouw aan de telefoon vraagt. Als je aanneemt dat ik vind dat je voor een huwelijk moet vechten, zul je ook geloven dat mijn echtscheiding een tragedie voor mij is geweest. Ik kom uit een groot, gelukkig gezin. Dat was mijn ideaal. Daar kwam ik pas achter toen wij een punt achter ons huwelijk hadden gezet omdat het belangrijkste gemis nu juist zit in de voortgang. Als je heel lang met iemand samen bent geweest, deel je zoveel intimiteiten, zoveel vanzelfsprekendheden. Een huwelijk gaat niet over seks. Het gaat over gedeelde vreugde, gedeelde smart. Ik weet niet precies wat er is gebeurd. Het ging voorbij. Het hield op. Hoe moet ik dat uitleggen? Een tijd lang was het moeilijk om elkaar te ontmoeten, maar nu zoeken we elkaar gelukkig weer regelmatig op. Wat blijft is de teleurstelling dat ik, op dat vlak, niet heb bereikt wat ik lange tijd voor ogen had.''

8. Gij zult niet stelen

,,Ik háát diefstal. Een dief hoeft bij mij niet aan te komen met een verhaal over een nare jeugd. Ik wens ook geen rekening te houden met 'armoedige omstandigheden'. De mensen die ooit mijn huis hebben leeggeroofd, zie ik met plezier in de gevangenis verdwijnen. Ik was vooral woedend dat ze met de spullen ook mijn herinneringen hadden meegenomen. De souvenirs die mij hielpen mooie gebeurtenissen op te roepen -ik word weer kwaad als ik er aan denk. Ik ben bijzonder intolerant op dit gebied: iemand die één keer steelt of liegt, zal ik daarna nooit meer vertrouwen.''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Fictie is in wezen altijd autobiografisch. Geen zin in mijn boeken is gelogen; ieder woord komt uit het hart. Als het een 'valse getuigenis' is, een bedachte emotie, prikt de lezer daar vanzelf doorheen. In die zin is het dus alleen mogelijk om fictie te schrijven zo lang je de waarheid trouw blijft.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Eerlijk gezegd heb ik de vrouw van mijn naaste vaak genoeg begeerd -en niets was prettiger dan te merken dat ik werd terug begeerd- maar ben niet iemand die iets zal inpikken wat een ander toebehoort. Ik ben ook helemaal niet ambitieus. Ik moet lachen om de mannetjes die per se President Van De Verenigde Staten of de Rijkste Man Ter Wereld willen worden. Ik ben wel eens jaloers, maar ik benijd niemand. Misschien had ik Madame Bovary wel willen schrijven, of de verhalen van Tsjechow, Borges of Stevenson, maar ik kan nu eenmaal alleen de boeken schrijven die ik schrijf. Ik geloof dat mijn talent wel wordt erkend -als ik in Albanië of op de Fiji Eilanden was geboren, had ik vast de Nobelprijs al gewonnen- maar ik ben niet uit op prijzen. Ik wil alleen maar schrijven, mezelf verbeteren. Schrijven is een vorm van mediteren. Als je het zo bekijkt, zou je kunnen zeggen dat literatuur uiteindelijk de plaats heeft ingenomen die vrijkwam toen ik voorgoed van mijn geloof gevallen was.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden