Ik ben Van Gogh, zei Picasso ooit

Wat heeft Picasso gemeen met Van Gogh? Weinig, zo lijkt het. Toch was het de kunstenaar zelf die zich in hoge mate vereenzelvigde met de Nederlandse schilder. Een expositie in Amsterdam onderzoekt de invloeden.

Picasso in het Van Gogh Museum. De ene geniale kunstenaar in het museum dat gewijd is aan die andere grote meester. Dat wekt hoge verwachtingen, maar roept ook vragen op.

Wat heeft Picasso gemeen met Van Gogh, behalve dat ze allebei de grenzen hebben verlegd in de schilderkunst? Het past in het beleid van het museum om Vincent van Gogh in een bredere artistieke en culturele context te belichten. Aan diens tijdgenoten worden regelmatig exposities gewijd. Maar tijdgenoten kunnen ze niet direct worden genoemd. Toen de Spanjaard als 19-jarig talent naar Parijs kwam om zich onder te dompelen in het mekka van de kunstwereld, was Van Gogh al tien jaar dood.

Ook is hun werk zo verschillend dat van een rechtstreekse invloed van Van Gogh op Picasso niet of nauwelijks sprake lijkt. Van Picasso is bekend dat hij zich liet inspireren door vele kunstenaars, zonder een imitator te zijn. Hij maakte volop gebruik van de ontdekkingen van zijn tijdgenoten en van voorbeelden uit de kunstgeschiedenis om een eigen stijl te creëren. En dat maakt het toch wel interessant om eens diepgravend te spitten in die hele vroege periode, toen de jonge, onervaren Picasso in Parijs voor het eerst de kunst zag van Vincent van Gogh en andere beroemde kunstenaars. Wat heeft dat met hem gedaan?

Vier jaar geleden ontstond het idee voor een tentoonstelling over de vroege jaren van Picasso in Parijs, vertelt Axel Rüger van het Van Gogh Museum. Toen was er in het museum een expositie over het culturele leven in Barcelona rond 1900. Het Picasso Museum in Barcelona stelde een aantal werken beschikbaar en bij die gelegenheid ontstond het plan om samen op zoek te gaan naar raakvlakken tussen de jonge Picasso en Van Gogh, wiens artistieke ontwikkeling ook in grote mate door zijn verblijf in Parijs werd bepaald.

Picasso-specialist Marilyn McCully werd gevraagd als conservator voor de gezamenlijke expositie, die nu te zien is in Amsterdam en na afloop doorreist naar het Picasso Museum in Barcelona.

Om met de deur in huis te vallen: op de tentoonstelling Picasso in Parijs, 1900-1907 hangt slechts één schilderij van Van Gogh. Dat is La Berceuse een werk dat hij in 1889 in Arles schilderde. Volgens hoofd tentoonstellingen Edwin Becker is voor dit werk gekozen omdat de grote kleurvlakken en scherpe contourlijnen ook opduiken in de schilderijen die Picasso in 1901 maakte.

Toch verbaast de keuze van dit werk, omdat er duidelijker voorbeelden zijn. Zo lijkt het eerste grote schilderij dat Picasso in Parijs maakte, Moulin de la Galette (1900), heel veel op Van Goghs Danszaal in Arles (1888). Waarom zijn die twee doeken niet naast elkaar gehangen, in de catalogus staan ze wel naast elkaar?

In Parijs ziet Picasso voor het eerst de kunst van beroemdheden als Van Gogh, Gauguin en Henri de Toulouse-Lautrec. Het inspireert hem tot experimenten met schilder- en grafische technieken en thema's als dansende vrouwen en het uitgaansleven in Montmartre.

Wat opvalt is de dynamiek en jeu die hij dan al in zijn schilderijen weet te leggen. Ontegenzeggelijk pikt hij links en rechts ideeën op. Zo hangt er een matige pastel op papier van een stel dat elkaar op straat omhelst naast het schilderij De omhelzing van Steinlen (uit 1895), dat hem moet hebben geïnspireerd. Picasso geeft er wel een eigen draai aan, door het liefdespaar niet, zoals Steinlen dat deed, in het nachtelijk duister neer te zetten maar in het volle licht en met felle kleuren.

Aan veel werken uit zijn eerste periode in Parijs, die royaal aanwezig zijn op deze expositie, is af te zien dat hij nog zoekt naar een eigen stijl. Dat de kwaliteit soms tegenvalt, had ook te maken met het razende tempo waarin hij het ene na het andere schilderij maakt, als galeriehouder Vollard hem in 1901 vraagt zestig doeken te leveren voor een tentoonstelling. Bij die gelegenheid heeft hij mogelijk ook het schilderij La Berceuse van Van Gogh gezien, dat toen in bezit van Vollard was. Eén van zijn mooiste werken uit dat jaar, De verwachting (Margot), met felle kleuren en contourlijnen, wijst daarop.

Daarna komt er meer lijn in zijn werk. Die omslag heeft te maken met de zelfmoord van zijn vriend Casagemas in 1901. Picasso beperkt zich in de kleuren en gaat zich meer richten op vormen en het oproepen van gevoelens. Zijn blauwe periode breekt aan, waarin hij ook mensen aan de zelfkant van het leven gaat schilderen, zoals de prostituees in de gevangenis van Saint-Lazaire. Wat opvalt is vooral de grote waardigheid waarmee hij ze afbeeldt. Het zijn geen minderwaardige mensen, maar individuen gevangen in hun eenzaamheid. En dat doet toch weer aan Van Gogh denken, die ook met eerbied eenvoudige landarbeiders schilderde.

Jammer genoeg hangen er maar weinig werken uit deze interessante periode. Ook Picasso's beroemde blauwe zelfportret ontbreekt. Juist als de bezoeker zich denkt te kunnen verheugen op een aantal topwerken, niet alleen uit de blauwe maar ook uit de daarop volgende roze periode, die zo treffend de razendsnelle ontwikkeling van Picasso hadden kunnen illustreren, valt de tentoonstelling een beetje dood.

Wel zijn er nog enkele aardige schilderijen te zien, zoals het portret dat hij tijdens een reis in 1905 naar Schoorl maakte van drie oer-Hollandse meisjes in een rode, witte en blauwe jurk, een verwijzing naar de Nederlandse driekleur, menen sommigen. Maar het echte meesterwerk van zijn uitstapje naar Nederland, La belle Hollandaise, ontbreekt.

Om terug te komen op de connectie met Van Gogh: eenmaal in Nederland zou verwachten mogen worden dat Picasso destijds wel een kijkje is gaan nemen bij de tentoonstelling van Van Gogh in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Maar kennelijk vond hij het niet de moeite waard om daarvoor langer te blijven.

Dat roept wederom de vraag op: was Van Gogh wel van invloed op Picasso? Rechtstreeks is die niet terug te vinden in zijn werk. Het raadselachtige is dat hij wel regelmatig schermde met zijn eerbied voor Van Gogh. Volgens zijn vrouw Jacqueline zei hij ooit dat hij Cézanne bewonderde, maar hield van Van Gogh.

Aan het eind van zijn leven constateerde hij zelfs: ¿De mensen begrijpen niet dat ik Van Gogh ben.¿ Die sterke identificatie met de meester was typisch voor Picasso, die zich al op jonge leeftijd letterlijk met El Greco vereenzelvigde door zijn schetsen met diens naam te signeren. Picasso was er zijn hele leven op uit, constateert Nienke Bakker in de catalogus, om al zijn voorgangers te overtreffen. Zijn fascinatie voor Van Gogh in de jaren vijftig en zestig heeft ook alles te maken met de roem van die kunstenaar, die toen een enorme hoogte bereikte.

Bakker komt tot de conclusie dat Picasso waarschijnlijk in 1901 voor het eerst het werk van Van Gogh heeft gezien, omdat het in 1900 nogal stil was rondom hem. Dat versterkt de mening dat de vaak genoemde gelijkenis tussen Moulin de la Galette (1900) met De Danszaal in Arles van Van Gogh op toeval berust. Het ligt meer voor de hand dat zijn voorliefde voor felle kleuren en scherpe contouren die in 1901 opduikt, mede ingegeven zijn door portretten van Van Gogh die galeriehouder Vollard in bezit had.

In dat jaar kwam Picasso veel bij Vollard over de vloer vanwege zijn expositie. Maar na 1901 was er van een stilistische verwantschap geen sprake meer. Kortweg kun je stellen, meent Bakker, dat Picasso's interesse voor Van Gogh in zijn eerste Parijse jaren vermoedelijk veel meer gebaseerd was op wat hij betekende als geniaal vernieuwend kunstenaar, dan op de aantrekkingskracht van de werken zelf.

Van Gogh heeft Picasso dus niet rechtstreeks geïnspireerd. Rest de vraag of deze expositie, ook zonder dat er een duidelijke link is met Van Gogh, toch de moeite waard is. Met andere woorden: is het museum er, met Marilyn McCully, in geslaagd om aan de hand van de interessante werken duidelijk te maken hoe Picasso zich zo snel kon ontwikkelen van onervaren kunstenaar tot leider van de avant-garde?

Ook in dit opzicht beantwoordt het resultaat niet aan de hoge verwachtingen. Er hangen prachtige werken, zoals Melancholische vrouw (1901), Arm koppel (1904), Karig maal (1904), Kammende vrouw (1906) en niet te vergeten het beroemde Zelfportret met palet (1906). Toch waren meer topwerken die zijn stormachtige ontwikkeling beter markeren, en nu alleen in de catalogus staan, wenselijk geweest. En wat dat gemis extra zuur maakt is dat sommige van deze meesterwerken straks wel te zien zijn in Barcelona.

Uiteindelijk gaat de expositie als een nachtkaars uit: ze eindigt met de studie die Picasso maakte voor Les demoiselle d'Avignon (1907). Dit schilderij was zo anders dan alles wat er tot die tijd was geschilderd, dat het gezien wordt als het eerste werk van de twintigste eeuwse schilderkunst. Maar het meesterwerk zelf ontbreekt. Het MoMa in New York wilde het niet uitlenen, zegt Edwin Becker. ¿Het valt in dezelfde categorie als de Zonnebloemen, die wij ook zelden uitlenen.¿

Moeite heeft het museum er niet eens voor gedaan. Volgens Becker vonden McCully en het Van Gogh Museum dat met Demoiselles zo'n nieuwe periode aanbreekt dat 'die een aparte expositie verdient'.

'De omhelzing', waarschijnlijk geïnspireerd op een werk van Steinlen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden