'Ik ben van dezelfde familie als Christus'

Angelo Roncalli vatte de navolging van Jezus Christus niet symbolisch op maar huiveringwekkend letterlijk, schrijft Carl Friedman. ,,Hij hunkert ernaar te lijden en te worden veracht omwille van Jezus en met Jezus, een excentriek verlangen dat argwaan wekt. 'Ze zeggen en denken dat ik gek ben', schrijft hij. 'En misschien hebben ze gelijk. Maar ik geef niets om de opvattingen van de wereld, zelfs niet om die van de kerk.' '' De kardinalen die Roncalli in een noodsprong tot de 'overgangspaus' Johannes XXIII kozen, hadden gewaarschuwd kunnen zijn.

Toen Angelo Roncalli op 18 oktober 1958 tot paus werd gekozen, raakte hij ten prooi aan gemengde gevoelens. Voor het dragen van de pauselijke driekroon was hij niet bevreesd: die zou hij met wat oefening wel op zijn grote hoofd in evenwicht weten te houden. Ook het dragen van zijn pauselijke naam, Giovanni XXIII, viel hem niet moeilijk: daarmee had hij zich na een paar dagen al helemaal vertrouwd gemaakt. Maar het dragen van de pauselijke verantwoordelijkheid schrikte hem af. Bij de gedachte aan die zware last kon hij de slaap niet vatten. Nachtenlang lag hij te tobben over de taak die hem wachtte, totdat zijn humor de overhand kreeg. Hij haalde zijn schouders op en hij schoot in de lach. 'Giovanni', zei hij, 'neem jezelf toch niet zo serieus!' Vanaf dat moment aanvaardde hij zijn opdracht. Kennelijk was het de ondoorgrondelijke wens van God dat uitgerekend hij op de stoel van Petrus zou zetelen. En als God hem daar op zijn plaats vond, wie was hij dan om er wakker van te liggen? Die twijfel paste hem als mensenzoon niet.

Een mensenzoon was Angelo Roncalli altijd geweest en een mensenzoon zou hij tot het einde van zijn leven blijven. In 1881 werd hij in een klein gehucht in Lombardije geboren. Zijn vader, een arme pachtboer, moest dertien kinderen grootbrengen. De bescheidenheid van de latere paus Giovanni wordt vaak toegeschreven aan het eenvoudige milieu waarin hij was opgegroeid. Best mogelijk dat er tussen beide een oorzakelijk verband heeft bestaan. Maar waar kwam zijn diepe vroomheid vandaan? Die is voor gewone stervelingen even onverklaarbaar als onbegrijpelijk. Zijn postuum verschenen dagboek oogt als een catechismus. Tot vervelens toe onderzoekt hij zijn geweten en spoort hij zichzelf aan om het goede na te streven. Op achttienjarige leeftijd besluit hij het voorbeeld te volgen van een andere mensenzoon: Jezus Christus. Diens voorbeeld vat hij niet symbolisch maar huiveringwekkend letterlijk op. Hij hunkert ernaar 'te lijden en te worden veracht omwille van Jezus en met Jezus', een excentriek verlangen dat bij anderen argwaan wekt. 'Ze zeggen en denken dat ik gek ben', schrijft hij. 'En misschien hebben ze gelijk. Maar ik geef niets om de opvattingen van de wereld, zelfs niet om die van de kerk.' In 1904 voltooit hij zijn theologische studie en wordt hij tot priester gewijd. Hij is dan drieëntwintig jaar. 'Tot nu toe heb ik te weinig geleden', schrijft hij teleurgesteld. 'Ik hoop dat God mij zal onderwerpen aan buitengewoon pijnlijke beproevingen van lichaam en geest.' Aldus de dagboekaantekeningen van de jonge Roncalli.

Hoe wist deze zonderling het tot paus te schoppen? In het geval van Angelo Roncalli was er geen sprake van schoppen. Zijn voetenwerk was onderontwikkeld en van zijn ellebogen moest hij het ook al niet hebben. Hij was wel de laatste die voor de heilige Stoel in aanmerking kwam. Er hing niet eens een pauselijk gewaad voor hem klaar. De kleermakers van het Vaticaan, doorgaans zo degelijk voorbereid, hadden geen moment overwogen hem de maat te nemen. Het lot viel op hem omdat de kardinalen van het college het niet met elkaar eens konden worden. Na achtenveertig uur geharrewar en twaalf stemmingen wezen ze hem als opvolger van Pius XII aan. Het was een noodsprong. Ze zagen in hem niet meer dan een 'overgangspaus'. Blijkbaar hadden ze geen enkel vermoeden van de revolutie die de boerse Lombardijn voor ogen stond: een revolutie die niet beperkt zou blijven tot de wandelgangen van het Vaticaan, maar die het hele katholieke denken overhoop zou halen.

Toch hadden ze gewaarschuwd kunnen zijn. De voorgeschiedenis van Roncalli loog er niet om. Na zijn priesterwijding was hij jarenlang secretaris geweest van de sociaal bewogen bisschop van Bergamo, die de aanzet had gegeven tot de katholieke arbeidersbeweging. In 1925 werd hij zelf tot bisschop gewijd en als apostolisch afgezant uitgezonden naar Bulgarije. Hij zou er voor een periode van tien jaar blijven. Het leek een eeuwigheid. Voor de werklustige Roncalli was de diplomatieke dienst eentonig en afstompend. Daar zat hij dan, in een obscuur buitenland, als vertegenwoordiger van de heilige Stoel. Veel had hij in die hoedanigheid niet om handen. En zodra hij een of andere taak voor zichzelf schiep, werd hij daarin gedwarsboomd. 'Het leven hier is een aaneenschakeling van ergernissen. Mijn problemen worden niet veroorzaakt door de Bulgaarse overheid, maar door de bureaucraten van het Vaticaan. Dit is een vorm van kastijding en vernedering die ik nooit heb verwacht en die me ten diepste grieft.'

In 1935 werd hij van Sofia overgeplaatst naar Istanbul. Daar werd hij afgevaardigde voor zowel Turkije als Griekenland. Ook in deze functie ondervond hij tegenwerking van de apparatsjiks in de moederkerk. Er bleef verschil bestaan 'tussen de manier waarop ik de dingen ter plekke zie en de manier waarop er in Rome over wordt geoordeeld'. Hij noemde zijn strijd met de kerkelijke instanties 'mijn enige ware kruis'. Toch heeft hij in zijn Turkse tijd, die duurde tot eind 1944, veel tot stand gebracht. Hij was een van degenen in de katholieke kerk die zich hebben ingespannen om joden uit de greep van de nazi's te redden. Meermaals werd hij door joodse hulporganisaties in het geheim benaderd om op te treden als bemiddelaar. Tussen 1942 en 1944 voorzag Roncalli 1700 joodse vluchtelingen van een Turks inreisvisum. Zo'n visum maakte een verblijf in Turkije mogelijk, totdat er voor een veilig heenkomen naar Palestina kon worden gezorgd. Maar dit was bij lange na niet het enige wapenfeit van de apostolische afgezant. Op zeker moment wist hij de Turkse regering ervan te weerhouden een schip met honderd joodse kinderen aan boord terug te sturen naar Hitler-Duitsland. Onvermoeibaar verzond hij brieven en telegrammen naar kerkelijke en wereldlijke machthebbers, waarin hij verzocht om bijstand voor met deportatie bedreigde joden.

Nooit liet hij zich door de nazi's intimideren. In 1941, nadat Hitlers troepen de Sovjet-Unie waren binnengevallen, kreeg hij bezoek van de Duitse ambassadeur Franz von Papen. Die wilde de uitdrukkelijke steun van het Vaticaan winnen voor Hitlers veldtocht tegen het bolsjewisme. Roncalli, aldus Von Papen, moest de paus daartoe overhalen. 'En wat', vroeg Roncalli hem op de man af, 'zal ik de paus zeggen over de miljoenen joden die uw landgenoten vermoorden?' Niettemin maakte hij zich na de Tweede Wereldoorlog bittere verwijten. Was de rooms-katholieke kerk soms niet hopeloos tegenover de joden tekortgeschoten? Terwijl het Europese jodendom naar de gaskamers werd gedreven, had Pius XII het nodig gevonden een ingewikkelde theologische encycliek het licht te doen zien, 'Het mystieke lichaam van Christus' geheten. Toen Roncalli na de bevrijding in een filmjournaal beelden zag van joodse skeletten in Bergen-Belsen, kwamen er tranen in zijn ogen. Wijzend naar het scherm zei hij verontwaardigd: 'Dat daar, dat is het mystieke lichaam van Christus!'

In december 1944 drong Charles de Gaulle er bij de paus op aan de toenmalige Franse nuntius, die schuldig was bevonden aan collaboratie met het Vichy-regime, te vervangen door een andere van onverdachte signatuur. 'Parijs wil zwarte soutane met blanco verleden', kopten de kranten. Omdat Angelo Roncalli over zo'n verleden beschikte, werd hij naar Rome geroepen. Hier had hij een ontmoeting met Pius, die hem in de gauwigheid benoemde tot de nieuwe Franse nuntius en hem liet weten dat hij niet meer dan zeven minuten tijd had om zijn functie met hem te bespreken. 'In dat geval', glimlachte Roncalli, terwijl hij naar de deur liep, 'kunt u zich ook de resterende zes minuten besparen'.

Hij zei steevast waar het op stond, zonder aanzien des persoons. In zijn Franse jaren schreef hij in zijn dagboek: 'Alle betweters van de wereld en alle gewiekste geesten in het Vaticaan slaan een droevig figuur naast de eenvoud en de goedheid van Jezus!' En: 'Mijn hart krimpt ineen wanneer ik zie hoe collega's van mij, gerespecteerde zielzorgers, ieder fatsoen ontberen tegenover de zwakken en de armen'. Met deze zwakken en armen voelde hij zich verwant. 'Wie is armer dan ik? Sinds ik seminarist werd, heb ik kleding gedragen die me uit liefdadigheid was geschonken. Ik ben van dezelfde familie als Christus. Wat kan ik meer verlangen?' In 1953 werd hij tot kardinaal gepromoveerd en overgeplaatst naar Venetië. Daar was hij patriarch, tot in oktober 1958 Pius XII stierf. Een delegatie Venetiaanse notabelen kwam hem condoleren. Toen kardinaal Roncalli enige tijd naar hun beleefde geweeklaag had geluisterd, raakte zijn geduld uitgeput. 'Kom kom, heren', zei hij, in zijn handen klappend. 'Wanneer er één paus doodgaat, kiezen ze gewoon een volgende.' Een week later bleek hij, tot zijn stomme verbazing, de desbetreffende opvolger te zijn.

Hoe had deze eigenzinnige man een 'overgangspaus' moeten worden? Hij had nooit zijn superieuren gehoorzaamd of hun advies ingewonnen. Hij had altijd de wil van God gedaan. Het was de enige manier van leven die hij kende en hij ging er dan ook tijdens zijn pausschap goedgehumeurd mee door. Dagelijks wandelde Giovanni door de gebouwen en de tuin. Toen hij te horen kreeg dat het voor iemand van zijn status ongepast was om zich aan het volk te vertonen, antwoordde hij: 'Waarom mogen de mensen me niet zien? Ik gedraag me toch niet onzedelijk?' De curie was van mening dat de houding van een paus onder alle omstandigheden gewichtig en ontzagwekkend behoorde te zijn. Maar dat vond Giovanni in tegenspraak met 'het voorbeeld van Jezus'. Hij maakte korte metten met de verhevenheid van zijn ambt.

Voor het eerst sinds eeuwen waaide er een frisse wind door het Vaticaan. De deuren gingen knerpend van het slot en de wereld kwam binnen. De kranten spraken van giovannismo en aperturismo: openheid, toegankelijkheid, inzichtelijkheid. Giovanni werd de paus van de glasnost, de Gorbatsjov van Rome. Vrij van vooroordelen en van conventies als hij was, sloeg hij een brug naar andersdenkenden. Hetzij Grieks-orthodoxen of protestanten, hetzij moslims of joden: ze waren, zo zei hij, allen 'gelijk voor God'. Hij ontdeed de canon, die in geen duizend jaar veranderd was, van zinsneden die beledigend waren voor niet-rooms-katholieken. Vooral het antisemitisme bestreed hij fel. Hij achtte de kerk medeplichtig aan wat hij noemde 'de zes miljoen kruisigingen' uit de Tweede Wereldoorlog. Nooit had volgens Giovanni de christenheid zijn oorsprong zo rampzalig verloochend als in de Hitlertijd. De enige manier waarop de kerk zichzelf kon reinigen was door terug te keren tot haar joodse wortels. Hij benadrukte dat de joden Christus niet hadden gedood, maar dat zij hem hadden laten geboren worden. Ze konden dan ook, aldus Giovanni, onmogelijk worden beschouwd als 'godsmoordenaars'. Integendeel, zij waren juist degenen 'die God aan het mensdom hebben geschonken'.

Kreeg hij door zijn toenadering tot het jodendom de twijfelachtige reputatie van 'joodse paus', zijn toenadering tot het communisme bezorgde hem de scheldnaam van 'rode paus'. In 1962, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, ontving hij een Russische delegatie. Hij ging zo ver, dat hij deze sovjetburgers na afloop van de audiëntie zijn zegen gaf. 'En dan is nu, met uw permissie, de tijd gekomen voor een kleine zegen. Zo'n kleine zegen, immers, kan geen kwaad. Neem hem voor wat hij is.' De gebeurtenis ontketende een schandaal. Hier was een paus die niet alleen de joden maar zelfs het Kremlin omhelsde. Hier was een paus die niet alleen een Japanner maar zelfs een neger tot het purper verhief. Hier was een paus die niet alleen bisschoppen maar zelfs gewone priesters uit landen als Uruguay, Mexico en Venezuela tot kardinaal benoemde. Hij brak in ieder opzicht met de dompergeest en het particularisme van de curie. Zijn encyclieken Mater et Magistra (1961) en Pacem in terris (1963) kennen nog steeds hun weerga niet. Maar zijn belangrijkste verdienste was het Tweede Vaticaanse Concilie, dat tussen 1962 en 1965 viermaal in zitting bijeenkwam. Met dit concilie beoogde hij een innerlijke vernieuwing van de kerk, die volgens Giovanni nader tot het volk moest komen. Bovendien hoopte hij de eenheid van de christenheid te bevorderen. Hiertoe nodigde hij tientallen vertegenwoordigers uit van andere godsdiensten dan de rooms-katholieke.

Het was hem niet verleend zijn hervormingswerk te voltooien. Op 3 juni 1963, toen hij nog geen vijf jaar op de stoel van Petrus had gezeteld, maakte de dood een einde aan zijn pontificaat. Later zou de conservatieve curie het heft weer vast in handen nemen. Toch slaagde men er niet in het gedachtegoed van Giovanni helemaal uit te bannen. De geest van de ontzielde Lombardijn toonde zich even weerbarstig als die bij zijn leven was geweest. Zijn laatste woorden waren een bevestiging van zijn diepe godsvertrouwen: 'Elke dag is een goede dag om te worden geboren. Elke dag is een goede dag om te sterven.' Voor hem was het de simpele waarheid. Maar mensen overal ter wereld, die voelden dat er een heilige uit hun midden was vertrokken, dompelden zich in rouw.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden