'Ik ben nu meer wielrenner dan kankerpatiënt'

Bijna drieduizend wielrenners beklommen donderdag de Alpe d’Huez om geld op te halen voor kankerbestrijding. Trouw-redacteur Peter Henk Steenhuis reed mee en voerde onderweg bijzondere gesprekken. Slot van een serie.

Het is donderdagochtend 3 juni, 4.45 uur. Aan de voet van de Alpe d’Huez, de beroemdste col van Frankrijk, staat een lint van 500 meter wielrenners. Dit is de dag van Alpe d’HuZes, de dag waar bijna drieduizend wielrenners maanden voor hebben getraind.

Vandaag zullen ze voor het goede doel, de kankerbestrijding, alleen of met hun team 6 keer de Alpe d’Huez beklimmen. Dat betekent voor veel deelnemers 6 keer 13 kilometer klimmen, 6 keer 21 bochten omhoog, 6600 hoogtemeters maken – een angstaanjagend vooruitzicht. Om 5.15, nog in het halfduister, beginnen de renners aan hun eerste beklimming. In de bochten worden ze bijgelicht door supporters met speciale Alpe d’HuZeskaarsen, waarvan de opbrengst natuurlijk voor het goede doel is.

Eigenlijk begint de tocht niet nu. De meeste deelnemers bivakkeren al bijna een week rondom de Hollandse berg, de eretitel die de Alpe d’Huez draagt vanwege het grote aantal Nederlandse wielrenners, die hier in het verleden een Touretappe wonnen. Voorafgaand aan deze koersweek aten de deelnemers gezamenlijke maaltijden, waren er presentaties, interviews, optredens. Met als climax woensdagavond de bekendmaking van het voorlopig ingezamelde bedrag voor het KWF: ruim tien miljoen, een nieuw record.

Rond 6.30 uur begint voormalig wielrenner Michael Boogerd als een van de eersten aan zijn tweede klim. Als vanouds lacht hij zijn tanden bloot. Een kwartiertje later komt Thomas Zijlma afdalen. Zijlma, in 2001 getroffen door zaadbalkanker, en uiteindelijk na zware operaties, chemokuren en een stamceltransplantatie genezen, rijdt voor de derde keer de Alpe d’HuZes.

„Dit jaar is alles anders dan de eerste keer”, zegt Thomas, terwijl we even naar de camping aan de voet van de berg rijden om wat warme kleding weg te brengen. „Nu is het mooi weer. De eerste afdaling was natuurlijk ijskoud, maar de zon komt door. In 2008 was het druilerig weer, beneden 13, boven 5 graden. Geen zicht, alles doorweekt. Na de vierde beklimming ben ik toen gaan douchen. Daarna heb ik alles in mij moeten aanspreken om aan de vijfde beklimming te beginnen.”

Op de camping krijgen we suikerbrood. Dan rijden we naar het begin van de klim: bocht 21. „Groot verschil is ook dat ik dit jaar verder van mijn emoties af sta. Die komen er waarschijnlijk pas bij na de zesde beklimming. Ik ben nu minder kankerpatiënt en meer wielrenner.”

„Blijf je je altijd kankerpatiënt voelen?” , vraag ik.

„Ik hoop het wel.”

„Waarom?”

„Omdat ik nu anders tegen de wereld aankijk. Als het even niet goed gaat, denk ik terug aan die periode. Niet alleen tijdens de beklimmingen, ook in het dagelijks leven.”

Thomas beschreef het verhaal van zijn ziekte in het boek ’37 nietjes’. Hij wordt verschillende keren herkend: ’Goed dat je er bent, man.’ We raken even aan de praat. Hugo Gruiters is docent sportmarketing en houdt de website bij van wielrenner Robert Gesink. „Ik heb je boek in de trein hiernaartoe gelezen. Ik heb zitten janken, en het kon me niets schelen wat de andere passagiers ervan zeiden.”

We rijden door, Thomas vertelt dat hij dit jaar 13.000 euro heeft opgehaald voor het KWF. Uit donaties door zes keer omhoog te fietsen, maar ook uit de verkoop van zijn boek, waarvan de opbrengst deels voor de kankerbestrijding is. Even later zien we meervoudig Olympisch kampioen Leontien van Moorsel afdalen.

Thomas wijst me op de sliert blauw-wit-rode shirtjes, die omhoog slingeren. Vrachtauto’s passeren de renners, bouwvakkers op weg naar hun werk. Ondanks het grote aantal deelnemers is de berg niet volledig afgezet. „Dat is te duur”, zegt Thomas.

„Go, go, go, go”, roepen toeschouwers. Er klinken bliebjes. Er lopen sms’jes bij Thomas binnen: ’Pak die berg.’ ’Zal wel lukken.’

In bocht 15 zeilt er een dalende renner de bocht uit, waarschijnlijk geslipt in een restje olie. Bandjes, een bril en wat energierepen kletteren over het asfalt. Het lijkt mee te vallen, flinke schaafwonden aan zijn hoofd.

Dan voel ik een hand op mijn rug. Het is Bob Mans, jeugdtrainer van wielervereniging A.R.C. Ulysses uit Amsterdam-Noord, waar mijn zoon al een paar jaar traint. Bob rijdt hard, ik kan hem nauwelijks bijhouden. Na één bocht begint hij te vertellen. „Ik heb gisteravond in de camper het dagboek van mijn moeder erbij gepakt. Het slechtste boek dat ik ooit heb gelezen. Daarin beschrijft ze haar ziekte. Ze had baarmoederhalskanker, al in ’88. Bestraald geweest, baarmoeder eruit, een jaar later kwam het weer terug. Tumor in de vaginastreek. Ik was vier, heb weinig herinneringen aan mijn moeder. Ze verzwakte helemaal, kon niet tegen de bestraling op. Ze heeft nog alternatieve geneeskunde geprobeerd. Niets hielp”, zegt hij.

„Ze is uit huis gegaan, bij haar moeder ingetrokken. Af en toe gingen we bij haar op bezoek. Als wij langskwamen, zo las ik in dat dagboek, was dat een lichtpuntje. Maar als wij dan weggingen, werd het verdriet weer zo veel erger. Mijn broer is twee jaar ouder, hij miste zijn moeder veel meer dan ik. Wanneer we bij haar kwamen, ging hij bij haar zitten, knuffelen. Dat deed hij vroeger nooit. Ik werd steeds drukker, ging ’s nachts vaak naar mijn vader toe. Kijken of ik mijn moeder zag. Als je dat dan leest mijn vader zit beneden in de camper – ik kan dat zo begrijpen.”

Stilte in bocht 5. Ontroering. Even later: „Hij staat beneden. Die man is verbitterd geraakt, zo gesloten, weet je. Spreekt alleen maar met zijn daden. Als ik iets nodig heb, is het er een uur later. Hij heeft het verdriet nooit verwerkt. We hebben er nooit over gesproken.”

Bob is boven op de alp, voor de tweede keer. Beide keren heeft hij er een uur en drie minuten over gedaan. Thomas deed er een paar minuten langer over. Toptijden. Ze moeten beide nog vier keer.

Twee uur later kom ik een stukje lager op de berg Irma Verdonck-de Leeuw tegen. Ze is bijna in bocht nummer 2, bijna boven. Verdonck is dit jaar benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit vanwege de Stichting Alpe d’HuZes. Zij maakt deel uit van een hooglerarenteam.

Zij fietst voor de tweede keer mee. Vorig jaar deed zij er drie uur over om de top te beklimmen, dit jaar hoopte ze een uurtje sneller te zijn. „Het gaat niet hard, ik fiets van bocht naar bocht. Ik laad me elke keer mentaal op: nog één bocht. Ik heb afgelopen dinsdagavond hier tussen de deelnemers een lezing gehouden. Over wat wij als wetenschappers weten over leven met kanker. Daar kreeg ik veel reacties op, van mensen om wie het gaat. Zo af en toe word ik herkend, en moedigt iemand mij aan.”

We stappen op. „Ik ga heel langzaam: 5 kilometer per uur. Als ik daar onder kom, stop ik weer even. Soms haal ik een hele bocht verder.” Verdonck, die afgelopen jaren zelf leerde leven met kanker en ook nu weer op uitslagen van onderzoeken wacht, rijdt met een beertje onder haar zadel. Gekregen van een vriendin, die een geliefde verloor aan kanker. „Die vrouw was tot het eind haar leven blijven leven. ’Jij bent net zo iemand’, zei die vriendin, ’dit beertje was van haar. Ik geef het aan jou’.

De mascotte is op weg naar de laatste bocht. We rijden rustig. Nu valt me pas op hoe hard sommige wielrenners naar beneden vliegen, ze maken echt een zoevend geluid.

Doordat we niet zo hard rijden, hebben supporters tijd genoeg om het naambordje voor op het stuur van Irma Verdonck goed te lezen. „Je bent een kanjer Irma”, roepen helemaal oranje uitgedoste supporters. Soms hangt hier een Elfstedentochtsfeer, die honderd meter verderop, waar een vrouw op het asfalt zit te huilen, wordt afgewisseld door diep verdriet.

Een combinatie van sferen die ik nergens eerder ervoer.

Als Irma Verdock de finish passeert, is Marijke Overbeeke (ook in Trouw, afgelopen week) al bijna zes uur bezig aan een pelgrimage. Ik ben weer naar beneden gefietst en kom Marijke tegen in bocht 7. Zij is een van weinigen die niet fietst. Overbeeke, al jaren betrokken bij het evenement, hoorde afgelopen augustus dat zij aan borstkanker lijdt. Inmiddels is de behandeling afgelopen, maar haar conditie is nog te slecht om te fietsen. Ze loopt de alp één keer op, als een afsluiting en een nieuw begin.

„Het gaat goed, twee maanden geleden kon ik nog geen twintig minuten fietsen, nu loop ik al uren. Net in bocht 7 zag ik Michael Boogerd oud-wielrenner Teun van Vliet duwen. Van Vliet is afgelopen jaren twee keer geopereerd aan een hersentumor, en nu, bij het omhoog fietsen, had hij het zwaar. Mooi om te horen hoe massaal het publiek Van Vliet aanmoedigt.”

Om drie uur kom ik bij de finish Thomas Zijlma weer tegen. Hij is inmiddels vijf keer omhoog gefietst, en staat op het punt voor de laatste keer af te dalen. „Ga je mee?”

Hij daalt harder dan ik gewend ben. Gelukkig wordt Thomas opgehouden door een Franse vrachtwagen, die ondanks de duizenden wielrenners gewoon naar beneden wil. Dan zie je hoe goed de vrijwilligers de bochten van de weg in de gaten houden. Al de hele dag staan ze te gebaren: indikken, naar de buitenkant, auto van onderen, motor van boven. De motor is van de organisatie, rustig maar gedecideerd dirigeert hij dalende wielrenners, die midden op de weg anderen willen inhalen, naar de buitenkant.

Onder aan de berg brandt nog een enkel kaarsje, dat vanochtend de weg verlichtte. Het licht verdwijnt in het zonlicht. Op de camping wordt nog wat gegeten, en daar bliebt de tijdmeter voor de zesde keer. We zijn ruim op tijd, om zes uur mag je voor het laatst omhoog.

Van meet af aan gaat het rustiger dan vanochtend. „Van de laatste keer wil ik genieten.”

Thomas moedigt iedereen aan, ook het publiek. „Familie Kreeft zit hier al van vanochtend vijf uur.” Hij zwaait: „Jongens bedankt!”

Het gaat langzamer, Thomas wordt stiller. Er komen steeds minder wielrenners naar beneden. „Even stoppen.” Hij omhelst een man. Een paar minuten later rijden we weer door. Honderd meter verder: „Nog even stoppen.” Weer een omhelzing. Als we opnieuw rijden zegt hij: „De eerste man rijdt voor zijn dochter met kanker. Die tweede heeft net als ik zaadbalkanker gehad. Gouden kerels. Die je natuurlijk weer tegenkomt als je er bijna doorheen zit.” Hij zet zijn bril af, haalt een hand langs zijn ogen. „Tranen over de wangen”, zegt hij.

We worden ingehaald door Bob Mans, de trainer van mijn zoon. Ook hij rijdt beduidend langzamer dan vanochtend. „Mijn hamstrings zijn mijn natuurlijke snelheidsbegrenzers geworden. Een keer aanzetten en de kramp schiet erin.” Bob geniet vooral van de bochten, waar groepen mensen onafgebroken staan te dansen, zingen, aanmoedigen. „Bij de finish is het me te druk”, zegt Bob. „Daar kan ik moeilijk een plek vinden om met mijn emoties om te gaan.”

We zijn bocht 1 voorbij. Nog een klein stukje door het dorp en de tocht zit erop. „Even op de grote plaat”, zegt Thomas en schakelt zwaarder. We denderen naar de finish. Gejuich. Tranen. Champagne. „Hé Thomas, jongen, jij wordt ook steeds dunner.”

„Ja, zo gaat dat, hoe vaker je omhoog rijdt, hoe dunner je wordt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden