Ik ben nooit een flitsende fotograaf geweest

Zij is een van de oprichters van de GKF, de beroepsvereniging van fotografen. In de jaren zeventig kreeg Eva Besny" (88) opnieuw bekendheid door haar reportages over de vrouwenbeweging.Morgen verschijnen een monografie van haar werk en een boek met foto's van kinderen.

Dagelijks werkt ze nog in haar archief. Eva Besnyo is volledig op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de fotografie. Ze vindt het raar om in het middelpunt van de belangstelling te staan. Een fotograaf staat immers achter de camera.

“In mijn hoofd maak ik nog steeds foto's. Het maken van reportages is voor mij onbereikbaar geworden door mijn slechte ogen. Bovendien heb je een veel kleiner bereik als je ouder wordt. Ik concentreer me nu op de mensen in mijn omgeving. Die zou ik ongedwongen en ongestileerd portretteren.”

Eind jaren tachtig hield ze op met fotograferen. “Je moet als je ouder wordt van zoveel dingen afstand doen. In het begin was het moeilijk. Ik dacht bij alles: dat had ik wel willen fotograferen. Je zou denken dat met die moderne camera's scherpte onbelangrijk is. Dat is niet waar. Als je fotografeert, wil je ook duidelijk zien wat je maakt. Misschien vindt een amateur dat niet erg, maar ik wel. Ik kan het wel op mijn ogen gooien, maar fotografie is een beweeglijk vak. Het was een ontwikkeling. Ik was niet meer vlug en handig en had moeite om mijn evenwicht te bewaren. Ik was vroeger wel lenig, maar nooit snel. Door mijn slechte ogen heb ik altijd moeite gehad met scherpstellen. Ik ben nooit een flitsende fotograaf geweest. Je zal in mijn archief geen foto vinden van iemand die hoog springt.”

“Fotografie is hét middel om dingen vast te leggen en weer terug te halen. Wij zoeken altijd dingen in de verte, maar het leven is dichtbij. Als je archief niet toegankelijk is en onder je bed ligt te verstoffen - wat heb je er dan aan? Tot de jaren tachtig heb ik dingen gewoon in dozen gestopt. Van die dozen waar fotopapier in heeft gezeten. Ik heb zo'n fenomenaal geheugen. Als iemand een foto wilde, dan wist ik: dat zit in die doos. Tineke de Ruiter, destijds studente kunsthistorie, wilde een scriptie over mij schrijven. Om mijn werk te leren kennen heeft ze me geholpen de boel te ordenen. Dat was jaren werk. Zo is mijn archief op orde gekomen. Als ik er aan toe ben, gaat het over naar het Maria Austria Instituut.”

De GKF, de beroepsvereniging van fotografen, is mede door Besnyo opgericht in 1945. “We zijn begonnen in een kleine kring van sociale fotografen en dat breidde zich langzaam uit met mensen die dezelfde lijn volgden: Cas Oorthuys, Carel Blazer, Emmy Andriesse en ik. We kwamen meestal bij iemand thuis om te vergaderen. Dat was heel onofficieel. Ook toen hadden we al een ballotage. Als iemand er niet bij kwam, was dat een gevoelskwestie. Het ging ons om de juiste mentaliteit en de kwaliteit. Als die ons niet aanstond, ging het niet door.”

Fotograaf Carel Blazer leerde ze al in 1933 kennen. “Carel was toen nog een mts'er die ontzettend veel van techniek wist. Wij zeiden op een dag tegen elkaar: 'Al die onscherpe negatieven, dat is waardeloos'. Jarenlang heb ik negatieven weggegooid, alles wat niet vlijmscherp was, ging de prullenmand in. Dat was zo'n onzinnige rage, achteraf bekeken. Ooit was er een tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag. Flip Bool, de toenmalige conservator, kwam werk uitzoeken. Toen zag hij een foto in een drukwerkje en zei: 'Die wil ik, die moet op het affiche'. Beschroomd zei ik: Ik weet wel waar dat negatief is. Dat heb ik weggegooid. Het was niet haarscherp.” Tineke heeft toen gezegd: 'Je mag niets meer weggooien, absoluut niets meer. Alles heeft zijn waarde. Heeft het geen fotografische waarde, dan heeft het wel historische waarde'.”.

“Hongarije heeft een enorme hoeveelheid goede fotografen voortgebracht. Capa, Kertesz en Brassai heb ik persoonlijk gekend.” De beroemde oorlogsfotograaf Robert Capa werd door Besnyo fotograaf. “Hij was mijn buurjongen en kwam vaak langs. Toen ik naar Berlijn ging, vroeg hij: 'Wat ga je doen?' Toen antwoordde ik dat ik fotograaf wilde worden. 'Misschien kom ik ook naar Berlijn', zei hij. Een jaar later was hij er al. Hij kwam op bezoek en vroeg: 'Is fotografie een leuk vak?' Toen zei ik berispend: 'Zo kun je niet over fotografie praten'. Hij dacht daar even over na en zei: 'Oké, kun jij me dan niet ergens inpraten?' Ik heb hem doorverwezen naar een fotobureau en dat heeft hem als laborant aangenomen. Op een dag kwam Trotski in Denemarken op bezoek. Het is hem toen als enige gelukt om een foto te maken. Hij had gewoon lef.”

In 1932 verhuist ze naar Nederland op aanraden van John Fernhout, de zoon van Charley Toorop. “Ik kende hem nog uit Berlijn. In 1933 ben ik met hem getrouwd. Toen ik net in Nederland was, vond ik het een belachelijk klein land. Zo provinciaals en kleinburgerlijk. Het geloof was heel belangrijk. Je moest opgaan in de goegemeente. Vooral niet opvallen. Gelukkig is dat allemaal veranderd na de oorlog.”

“Ik heb nooit heimwee gehad. Ik heb Hongarije in 1930 verlaten als een half fascistisch land. Dit jaar was ik er toevallig. Ik ben op plekken geweest die ik nog wel eens terug wilde zien, maar ik kan niet zeggen dat er een speciale emotie opkwam.”

In 1937 leerde ze haar tweede man, grafisch ontwerper Wim Brusse kennen. Ze kregen twee kinderen. “Mijn man ging zwaar gebukt onder het geld verdienen. Ik heb wel eens tegen hem gezegd: 'Weet je wat, blijf thuis bij de kinderen. Dan ga ik met de fotografie honderd procent door'. Toen zei hij: 'Ben je helemaal bedonderd'. Hij was vrij geëmancipeerd, maar dat vond hij te ver gaan. Het hebben van kinderen was in mijn werk wel een belemmering. De opvoeding kwam op moeder neer. Als er bezoek kwam, had ik altijd mijn naaimand bij de hand. Je verstelde toen wat je nu weggooit. Toen de kinderen jong waren, heb ik op halve kracht gewerkt. Het fotograferen deed ik overdag en dan moest ik een oppas regelen. Het afwerken deed ik meestal 's avonds wanneer ze al in bed lagen. Vaak dacht ik: 'Ik kan beter niet werken, het is zo vermoeiend om het allemaal te organiseren'.”

In 1970 werd ze dé fotografe van de vrouwenbeweging. “Ik was net gescheiden. Ze hadden ideeën die ik zelf ook had. Vrouwen werden onderdrukt in onze maatschappij, terwijl wij ons wilden ontwikkelen. Los van de mannen. We waren absoluut niet tegen mannen. Bij de eerste bijeenkomsten waren een heleboel mannen die altijd het woord wilden voeren. Die hebben we er snel uitgewerkt. Zij wilden toch altijd zeggen wat wij moesten doen. Het tweede jaar waren ze weg.”

Ze stapte af van de Rolleiflex die ze voorheen gebruikte. Alle acties werden grotendeels met de Leica gefotografeerd. “Dat was een stuk praktischer. Het viel me heel erg mee. Ik ben iemand die van zichzelf al gauw denkt: 'Dat zal ik wel niet kunnen'. Ik heb van origine niet zoveel zelfvertrouwen. Ik dwing mezelf om bepaalde dingen toch te doen.”

Fotograaf Willem Diepraam is nu bezig met een grote monografie over haar werk. “Hij is zelfs naar Amerika geweest om mijn zusjes op te zoeken. Terugkijken is niet moeilijk. De vraag is wat je wel en niet in een boek plaatst. Ik ben niet zo exhibitionistisch dat ik alles maar naar buiten gooi. Sommige dingen gaan niemand aan. Zijn ideeën stroken niet helemaal met de mijne. Maar ik heb het laatste woord. Ik zeg wel eens tegen hem: 'Hou toch op met dat boek. Ga toch lekker zelf foto's maken'.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden