Ik ben net zo ziek en mesjokke als zij, maar dan andersom

Onze Lieve Heer heeft rare kostgangers. Dat wist ik zelf al wel, maar het staat ook nog eens te lezen in 'Patient of simulant, de wonderlijke wereld van nagebootste stoornissen,' geschreven door Marc D. Feldman en Charles V. Ford.

Het gaat over mensen die ziekten voorwenden. Niet als onschuldig leugentje ('Ik ben zo verkouden, ik kan echt niet komen') niet om er materieel beter van te worden, maar als levensvulling en levensbestemming. Vanwege de aandacht, de zorg en de geborgenheid die hen dan ten deel valt. Ineens worden ze iemand, terwijl ze voordien buiten de schijnwerpers rondscharrelden. Maar dat is beslist niet alles, ergens in hun leven moet het trauma liggen dat hun lot bestemde.

Ze gaan werkelijk tot het uiterste, niet zelden tot de dood erop volgt. Ze hebben zich in ziektegeschiedenissen verdiept, of omdat ze een zieke moesten verplegen, of omdat ze in de medische sector werkzaam zijn geweest en dus weten hoe ze te werk moeten gaan om geloofwaardige symptomen te kweken. Ze spuiten zich in met ontlasting of maizena, tappen liters bloed af om aangezien te worden voor anemie-patienten, of ze mengen het door hun urine en ontlasting. Ze schrikken niet terug voor de onaangenaamste onderzoeken en de gevaarlijkste operaties, ze sturen erop aan. Ze dragen vaak de littekens mee van ontelbare volstrekt onnodige ingrepen. Iemand liet eerst zijn ene gezonde bijnier verwijderen omdat daar een gevaarlijke tumor zou groeien, daarna de andere, even gezonde en stierf toen. Misschien gelukkig omdat het doel verwezenlijkt was, wie zal het zeggen. Hun ziekte - want dat is het - wordt het Münchhausen-syndroom genoemd. Ten onrechte, want baron Von Münchhausen was weliswaar een aartsfantast en opschepper, maar loog geen ziekten bij elkaar.

Over een bijzonder onaangename onderklasse van die nabootsers wil ik het niet hebben: zij die lijden aan het Münchhausen-syndroom 'by proxy.' Zij maken hun kinderen ziek en fungeren daarna als ideale moeder, die dag en nacht naast het bedje van haar lieveling waakt (het zijn voor het overgrote deel vrouwen). Weliswaar moeten ook zij naar de psychiater en niet naar de rechter, maar ik zou ze toch met vreugde een schop willen geven.

Maar de gewone Münchhausens, zij die hun eigen lijf maltraiteren, fascineren me. En dat is best te begrijpen, want ik ben net zo ziek en mesjokke als zij, maar dan andersom. Ik ben geen nabootser, ik ben een ontkenner of althans een goedprater.

Word ik ziek dan ga ik meestentijds pas naar de dokter als anderen erop aandringen, onder het motto: 'Ik voel me nu wel ziek maar wie zegt dat het waar is ? Wie kan staan kan ook lopen en wie kan lopen kan ook werken'. Heb ik eenmaal toch de grote stap genomen, dan vervormen de woorden zich in mijn mond als ik de dokter nadert. Dat wil zeggen: ik verklein de symptomen, ik leg klemtonen waardoor de arts op een dwaalspoor wordt geleid, ik vertel weliswaar de waarheid maar niet de gehele waarheid.

Vraagt de genezer: 'Heb je koorts?' dan zeg ik, om een voorbeeld te noemen: 'Ja, zeven-en-dertig acht, zo ongeveer', maar vermeld er niet bij, dat ik die temperatuur 's morgens heb terwijl de thermometer 's middags oploopt tot bij de negen-en dertig. Ook word ik achtervolgd door de angst, dat dokters mij voor hysterisch zullen verslijten. Ik ben eens een paar dagen doorgelopen met een acute blindedarmontsteking, omdat er op de röntgenfoto's niets gevonden was. 'Jij meent nou wel dat je pijn hebt', zei ik tegen mezelf, 'maar wie bewijst dat het waar is? Pijn is toch relatief? Misschien is het maar een heel klein pijntje op de schaal van Richter. Dus geen gezanik, je zult er wel niet dood aan gaan.' Welnu, dat laatste had ik bijna mis.

Lopen dokters daar in? Reken maar van yes! Precies als bij de Münchhausens, die ze ook slechts zelden ontmaskeren. Ik neem het ze nooit kwalijk, dokters zijn ook maar mensen, en als ik zeg: 'Ik heb erge pijn', klinkt dat als 'De kroten zijn gaar'. Zelfs als ze weten hoe het met mij gesteld is, lopen ze er nog in, zo intelligent speel ik het wel.

Ik weet waar mijn syndroom vandaan komt. Mijn vader was, in mijn ogen, een held. Als hij bijna stikte in zijn long-enfyseem stond hij even stil om glimlachend een kiezelsteen op te rapen. 'Voor mijn verzameling', zei hij dan. En ik heb gezien hoe hij doorspeelde tot de kaarten hem uit de handen vielen van de pijn door (zeker wel!) een acute blindedarmontsteking. Ik zie nu de loosheid van die heroiek in, maar wat je als kind hebt bewonderd en ter navolging hebt uitgekozen, dat gaat er maar moeilijk weer uit.

Het verschil met de Münchhausen-patiënten is, dat de dokters mij niet vervloeken als mijn bedrog uitkomt maar mij zoal niet prijzen dan toch aangenaam bejegenen. Hoogstens zeggen zij schalks en quasi-vermanend 'U bent me er een', of 'Niet meer doen, hoor!'. Maar waarschijnlijk zijn ze in hun hart erg blij dat ze nu eens iemand hebben die ze niet aan de kop zit te zaniken.

En de overeenkomst met de nabootsers is, dat zowel zij als ik nogal wat onnodige pijn en ongemak hebben moeten doorstaan. Waarbij wel moet worden aangetekend, dat ik mezelf ook wel eens pijn en ongemak heb bespaard, want soms ging het inderdaad gewoon over. En al heeft mijn leven door mijn idiote instelling aan een zijden draadje gehangen, ik heb het toch aardig lang vol gehouden. In redelijk goede gezondheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden