Ik ben meer niet, dan wel

De boeken en essays van Coen Simon hebben een opvallend autobiografische stijl. "Dat is geen egotripperij, maar deel van mijn filosofische methode." Simon won gisteravond met 'En toen wisten we alles' de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofische boek van het jaar.

'Bizar, vind je niet?" Coen Simon kijkt uit het raam van zijn huis naast de molen van Onderdendam. Het Noord-Groningse dorpje telt één restaurant, twee kerken en - zo voegt de 39-jarige filosoof aan het rijtje toe - drie plessnerianen.

Drie wat? "Toen ik hier net was komen wonen, stond ik 's avonds een keer buiten te roken. En wie kwam daar aangelopen? Petran Kockelkoren, de scriptiebegeleider van mijn vrouw, een kenner van de Duitse filosoof Helmuth Plessner. Mijn vrouw is op Plessner afgestudeerd, net als ik. We hebben elkaar leren kennen op een Plessner-congres, waar die scriptiebegeleider haar naartoe had gestuurd. Dus je zou kunnen zeggen dat hij ons bij elkaar heeft gebracht. En hij was ook net naar Onderdendam verhuisd. Of all places."

In hogere machten of lotsbestemming gelooft hij niet, maar eigenaardig vindt hij zulke gebeurtenissen wel. In de wereld van Coen Simon gebeurt alles bij toeval - maar dan meestal wel zo dat het bijna geen toeval kan zijn. 'Veelzeggende toevalligheden' noemt hij dat ergens. Maar wat zeggen ze dan?

Neem dat verhaal van een vriend van hem. "Die deed aan studententoneel. Op een avond speelden ze een stuk met de titel 'De krab, de egel en de slak'. Toen hij daarna naar huis fietste, liep er een krab over de weg. Even later ziet hij een egel. En je raadt het al, voordat hij zijn huis binnenstapte, trapte hij een slak kapot. Bizar, toch?"

Het hoofd van uw vriend zat vol met krabben, egels en slakken. En vervolgens vielen die hem in de werkelijkheid ook op. Dat gebeurt zo vaak.
"En toch vind ik zo'n voor de hand liggende verklaring niet interessant. Geconfronteerd met bizarre voorvallen grijpen sommigen naar een spirituele theorie, anderen gaan ze rationeel verklaren. Ik wil ze op zichzelf laten staan."

Als filosoof ben je toch de hele tijd op zoek naar verklaringen?
"Helemaal niet. Ik vind dat je niet moet verklaren wat je niet kúnt verklaren."

Mijn verklaring klonk anders vrij logisch.
"Natuurlijk, maar feit blijft dat hij dat toneelstuk speelde en dat hij toen die drie dieren tegenkwam. En vooral die krab is tamelijk onwaarschijnlijk zo midden op straat, midden in de nacht. Zonder dat er een viskraam in de buurt te bekennen was."

Als je zo'n ervaring niet mag verklaren, wat moet je er dan mee?
"Ze zijn wonderlijk, je kunt er niet veel meer over zeggen. De wonderlijkheid ervan spiegelt de wonderlijkheid van het feit dat we er überhaupt zijn. Wie de ervaring verklaart, helpt het wonder om zeep."

Wonder, dat klinkt haast religieus. Heeft u wel eens de behoefte gevoeld aan religie?
"Waar ik bang voor ben... Nee, laat ik een verhaal vertellen. Aan het eind van mijn studie trok ik veel op met een medestudent, een steengoede drummer. We speelden in dezelfde band. Hij was erg thuis in de oosterse filosofie. Dat zat tegen het religieuze aan. Wij hadden lange gesprekken over het verschil tussen het religieuze en het niet-religieuze denken. Op een dag nodigde hij me bij hem thuis uit en bleek hij opeens helemaal 'in de Heer' te zijn. Zijn huis was kaal, er hing alleen nog maar een kruisje aan de muur. Hij was geroepen, zei hij. Niet veel later is hij opgenomen. Ik weet niet hoe het met hem is afgelopen."

Hij valt stil. "Het is niet dat ik religie minacht. Integendeel: religie is een van de vele illusies die het leven begrijpelijk maken. Alleen heeft de religieuze fictie zijn beste tijd gehad. Ik ben er dan ook niet bang voor, ik denk alleen dat er dan niet veel te filosoferen overblijft. En dan moet ik op zoek naar een andere baan."

Waar bent u dan wel bang voor?
"Voor de waanzin. Die jongen was waanzinnig geworden. Hij had een grens overschreden. Dat kwam overigens niet door het denken. Hij had een wild rock-'n-rollleven achter de rug; hij kende Nick Cave, logeerde bij The Ramones en zo. Er was een hoop drugs aan te pas gekomen."

Maar u bent niet aan de drugs, volgens mij. Vanwaar dan toch de angst?
"Weet je waar ik eigenlijk vooral bang voor ben? Dat ik ooit een hersentumor blijk te hebben, en dat alle mensen dan zullen zeggen: oh, dáár kwamen die rare ideeën vandaan!"

Vinden mensen u dan zo raar?
"Soms voelt dat zo. Ik merk dat ik ongebruikelijke verbanden leg. Voor de kleinste verklaringen betrek ik er graag het hele bestaan bij. En dan vooral het feit dat we dit bestaan nooit in zijn geheel kunnen kennen. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste en grootste denkfouten ontstaan vanuit de gedachte dat we wél een stukje van het bestaan kunnen kennen."

Dat kan niet? Niet eens een stukje?
"Nee, we ontberen een fundamentele objectieve blik, dat geldt ook voor de kleine zaken. Als we het geheel niet kunnen kennen, kennen we ook niet de delen. De vraag waar het bestaan zich bevindt, is het belangrijkste filosofische vertrekpunt. Maar als ik dat in een debat opwerp, zie je ze glazig kijken: o jee, nu raken we 'm kwijt. Daar kan ik me enorm aan ergeren. Niemand lijkt het een probleem te vinden om bijvoorbeeld over de vrije wil te praten zonder na te denken over dit fundamentele gebrek aan kennis. Dan denk ik: dat kan helemaal niet."

En dat vinden mensen dus raar.
"Ik denk dat ik daarom de drang heb tot schrijven. Om mijzelf begrijpelijk te maken."

Simon staat op en loopt naar de keuken om koffie te zetten. Op de met schoolbordverf bedekte deur is nog steeds de tekening te zien waar hij in zijn nieuwste boek 'Wachten op geluk' over schrijft. Toen hij op een ochtend naar Amsterdam vertrok, pakte hij een paar krijtjes en tekende het huis van zijn schoonmoeder op de keukendeur. Een blauwe auto, een gele maan, vier bruine Amsterdammertjes op de stoep. Voor zijn kinderen. In dat huis zouden ze elkaar een week later namelijk weer zien.

Later besefte hij dat het weerzien, dat inderdaad een week later plaatsvond, niet had kunnen tippen aan het idyllische plaatje dat hij er van tevoren van had getekend. Sterker nog: dat zelfs dat plaatje schromelijk tekortschoot bij waar hij eigenlijk naar verlangde. "Dat ligt niet aan de gebrekkigheid van de voorstelling", schrijft hij, "maar aan de onuitputtelijkheid van elk verlangen."

Geluk zit hem niet in de vervulling van onze verlangens, stelt Simon, maar in de verlangens zélf, in hun projecties. En dus in iets wat er eigenlijk helemaal niet is. Het leuke aan Simons manier van schrijven is dat hij dat raadselachtige intact laat. Er een speciaal oog voor lijkt te hebben. "Heimwee", schrijft hij, "heeft een existentiële oorzaak: de pertinente afwezigheid van het antwoord op de vraag waar het bestaan zich in godsnaam ophoudt."

'Ik ben meer niet, dan wel', schreef u ergens.
"Die zin zou je als motto boven heel mijn filosofie kunnen zetten. We verlangen ernaar aanwezig te zijn, maar het lukt telkens niet. Het verlangen, dat is alles wat we hebben."

Wat vond hij van de kritiek van Arnold Heumakers? In NRC Handelsblad haalde de recensent recentelijk Simons nieuwe boek flink door de mangel vanwege de vele 'gezellige autobiografische passages'. Heumakers laakte het gebrek aan theorie. "Het bontst maakt Simon het wanneer hij schrijft, na iets over Schopenhauer en Kant te hebben verteld: 'Al valt er geen speld tussen te krijgen, het blijft zo theoretisch' - maar wat is filosofie anders dan theorie?" schrijft Heumakers.

Simon: "Hij citeert me verkeerd! Ik leg daar een verschil tussen Schopenhauer en Kant uit. Heumakers doet alsof ik zeg dat filosofen als Kant en Schopenhauer te theoretisch zijn. Ik ben niet wars van theorie, integendeel, ik thematiseer de relatie tussen theorie en praktijk. Dat doet Kant ook: zijn hele filosofie gaat daarover. Ik bewonder Kant zeer. Hij was een van de eersten die inzagen dat je nooit aan je tijdelijkheid kunt ontsnappen."

Hevig gesticulerend: "Hier word ik dus woedend van, hè. Die Heumakers wordt gezien als een erudiete denker en keurige lezer. Maar hij levert broddelwerk. Hij kan niet denken en niet lezen."

Heeft hij niet een punt als het gaat om die 'autobiografische passages'? Waarom moet de lezer weten wie er precies boven op u in de zandbak zat toen u peuter was, zoals u ergens beschrijft?
"Deels hebben dergelijke passages een retorische functie. Ik heb wat dat betreft een wending gemaakt. In 'Kijk de mens' uit 2006 schreef ik nog zonder de ik-vorm te gebruiken. Daarna besloot ik meeslepender te gaan schrijven: ik vind het belangrijk dat het ritme juist is, dat mensen dóór willen lezen en meegezogen worden in mijn zienswijze.

Maar behalve retoriek is het ook deel van mijn filosofische methode. Om de werkelijkheid te kunnen begrijpen conceptualiseren we haar. Maar de werkelijkheid zelf bestaat natuurlijk niet uit deze concepten. Dat wil ik laten zien. Ik wil bestaande concepten deconstrueren vanuit de allerpersoonlijkste ervaring. Dat kan alleen maar via je autobiografie, door helemaal in je ervaring te kruipen.

Ik schrijf geen filosofische variant op 'Ik, Jan Cremer'. Dit is geen egotripperij. Ik probeer alleen maar het feit serieus te nemen dat je niet boven je eigen standpunt kunt uitstijgen. Die 'autobiografische passages' zijn niet zomaar willekeurige illustraties. Mijn ideeën komen juist uit die ervaringen voort."

Schrijft u herinneringen wel eens mooier op?
"Ik stileer ze zeker. Ik verander ze ook waar nodig - ik heb vaak elementen moeten weghalen, omdat de verhalen anders onecht zouden overkomen. Raar eigenlijk, dat je de werkelijkheid minder bizar moet maken om haar geloofwaardiger te doen lijken. Maar goed. Er zijn twee Coen Simons: de schrijver en het personage. Die vallen niet naadloos samen. "

Hij denkt lang na. "Dit raakt aan het fascinerendste punt van mijn filosofie. Hoe moet ik het zeggen? Wat mij mateloos bezighoudt, is het idee dat er zoiets is als een binnenwereld. Een ik. Die treedt naar buiten. Maar waar die overgang precies plaatsvindt, is heel raadselachtig. De enige manier om die binnenwereld te tonen, is door fictie, omdat wie wij zijn even ongewis is als het bestaan zelf. Ik heb geen idee wie ik ben. En toch uit ik mijzelf. Maar die uiting is een constructie."

Van wie?
"Dat is precies de vraag. Er zit in al het denken een droste-effect: een plaatje in een plaatje in een plaatje in een plaatje. Het allereerste plaatje, van het bestaan of van onszelf, krijgen we nooit te zien."

Het is in ieder geval duidelijk dat uw boeken fictieve elementen bevatten.
"Zeker. En dat heeft niets met lichtzinnigheid te maken. Zonder fictie zouden we de werkelijkheid over het hoofd zien."

Zou u niet liever helemaal fictie schrijven?
"Niet liever. Oók. Ik ben al enige tijd bezig aan een roman."

Waar gaat die over?
"Het wordt een heel pompeuze roman. Ik wil er verder nog niets over kwijt. Ik dacht altijd: een roman, dat is te moeilijk. Maar toen had ik ineens een heel helder idee voor een verhaal. En juist op dat moment vroegen de uitgeverijen De Bezige Bij én Ambo allebei of ik fictie bij ze wilde schrijven. Precies op dat moment!"

Grinnikend: "Bizar, vind je niet?" ¿

Socrates Wisselbeker
Na een studie wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam liep Coen Simon (1972, Eerbeek) stage bij Trouw en Filosofie Magazine, waar hij ook een aantal jaren als redacteur werkte. Hij publiceert geregeld in Letter&Geest.

Sinds hij in 2003 debuteerde met 'De wereld tussen haakjes', een bundeling essays over de 'mooiste zinnen' uit de geschiedenis van de filosofie, heeft hij zich toegelegd op een persoonlijke manier van schrijven. Een bezoek aan de rommelmarkt, het betokkelen van een gitaar, het doorspoelen van wortelresten in de wc: Simon plaatst onbeduidende ervaringen in een groter verband en verheft ze tot filosofie. Inmiddels heeft hij negen boeken op zijn naam staan.

Gisteravond won hij met 'En toen wisten we alles' de Socrates Wisselbeker voor het meest originele en prikkelende, Nederlandstalige filosofieboek. Het boek is, aldus de ondertitel, 'een pleidooi voor oppervlakkigheid', een begrip dat Simon nieuwe betekenis geeft door het letterlijk te nemen: oppervlakkigheid is volgens hem het 'aan de oppervlakte gebonden zijn'. We bekijken, zegt hij, de wereld om ons heen altijd vanuit ons eigen, plaatsgebonden standpunt. En in plaats van ons daartegen te verzetten, door ons te beroepen op bronnen buiten onszelf die het beter weten, zouden we onze beperktheid moeten omhelzen. Volgens Simon besteden we ons oordeel veel te vaak uit aan wetenschappers en deskundologen, die over de 'harde feiten' zouden beschikken.

Uit het Socrates Wisselbeker juryrapport: "Hij heeft het de jury wel moeilijk gemaakt: hoe moet je zijn boek beoordelen? Valt het wel te vergelijken met andere boeken? In langzame, omcirkelende bewegingen benadert Simon zijn onderwerp. Een filosofische cat approach - maar uiteindelijk doeltreffender dan andere boeken. Hij verbindt het triviale en het diepzinnige, de grap en de ernst. Hoe schatplichtig Simon ook is aan de traditie van de filosofie, evengoed schreef hij een boek dat zich door een eigen stijl vooral ook onderscheidt van die traditie. 'En toen wisten we alles' is een boek van de buitencategorie. En wint de Wisselbeker 2012."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden