Ik ben hier en niet hier

Schrijver Marcel Möring is zes weken lang als gastschrijver verbonden aan de afdeling Nederlands van het University College in Londen. Van zijn verblijf doet hij voor Trouw wekelijks in de vrijdagkrant verslag. Vandaag zijn laatste bijdrage.

Kerst nadert en de eerste bedrijfsfeestjes nemen de pubs over. Dikke mannen met feestmutsen, vrouwen die aan de losse handen van hun plotseling vlotte collega's proberen te ontkomen. Afgelopen vrijdag, toen het nog licht sneeuwde, stond ik in een taxi in de file en kwam een vijftiger in krijtstreeppak naar mijn deur waggelen. Ik zwaaide, schudde nee, de chauffeur riep dat hij bezet was, maar de man bleef onbewogen aan het portier trekken. Pas toen de chauffeur zijn raampje opende en zei dat hij bezet was, liep hij terug. We bleven nog een tijdje staan en keken naar de heen en weer tollende man. De snijdende wind joeg de panden van zijn colbert op, fijne sneeuw warrelde om zijn hoofd. Ik was bijna uitgestapt. Die man had echt een taxi nodig.

Het is tijd om te gaan. Langzaam volg ik het ritueel van vertrekken: leg de dingen klaar die mee moeten, maak de keuken schoon, stofzuig, doe een laatste was. Ik lees het ticket en besluit mijn vlucht te veranderen van zondag naar zaterdag. En eindelijk, na zes weken, begin ik met kleingeld te betalen. Dat is eigenlijk een teken van gewenning. Voor het eerst in al die tijd weet ik dat zo'n zeshoekig muntje twintig p is en een grote metaalkleurige tien.

Op mijn speurtocht naar spullen die mee moeten, kom ik weer in kamers die zes weken hebben leeggestaan. Het ruikt er naar leegte. Ik pak een plasje Nederlands kleingeld op, Sams muts, een stapel taxibonnen, de defecte CD-Rom-drive, het kapotte modem.

Een beetje weemoedig, als het vroeg in de middag donker wordt en de gele lichten van de taxi's in de straat groeien. Of als het begint te misten en de hele stad op een oude Sherlock Holmesfilm lijkt, zo'n zwart-witte met Basil Rathbone. Ik weet nu wat ik straks zal missen: de boekhandel op de hoek die de hele dag zondag open is en waar ik dan mijn krant koop, de winkels in de buurt die allemaal pas om zeven uur sluiten. En wat ik ook zal missen is het gevoel van een echte grote stad.

Maar ik verlang weer naar mijn eigen werktafel, naar mijn eigen merk sigaretten die ik bij Leen op de hoek haal. En Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer, en boerenkaas die naar stal ruikt en langzaam in je mond uiteenvalt. En 's avonds iets drinken in hotel New York, eerst met de tram naar de Veerhaven en dan met de watertaxi over de Maas. Ajax, daar verlang ik ook naar.

Het laatste college, bij mij thuis, en daarna uit eten met de twee studentes die zijn achtergebleven om te helpen met afwassen. Kathryn en Claire, uit Amerika en Kameroen. Kathryn wordt waarschijnlijk vertaler, zij heeft een oor voor tekst. Claire is perfect tweetalig, want ze heeft in haar jeugd in Nederland gewoond, houdt er zelfs nog altijd een flat aan. We gaan naar Bertorelli's. Ik trakteer, want zij zijn arm en mijn onkostenvergoeding zeer toereikend. Daarna schrijf ik thuis de laatste alinea's van het hoofdstuk dat ik zes weken geleden begon.

Er komt een fax van Meulenhoff binnen. Of ik op de televisie wil praten over 'Het derde testament', de bloemlezing over joodse literatuur die ik heb samengesteld. Pak mijn agenda en schrijf voor januari een afspraak op. Kort daarna belt Eva Cossee van Ambo om mij te vragen voor een forumdiscussie. Ik ben hier nog, maar ook niet.

Woensdagavond kettingrook ik mij door Nederland-Ierland heen. Voor het eerst in anderhalve maand voetbal met hersens, mensen die dingen durven te doen. “This might well be a new team of Dutch masters”, zegt de BBC-commentator. Dat geldt ook, bedenk ik later, voor de Nederlandse literatuur. Als ik door Dillons, de enorme boekhandel om de hoek, loop, en dat doe ik elke dag, bekijk ik de nieuwe Engelse boeken. Ze maken me niet vrolijk. Het zijn veilige, nogal pastorale romans, die vooral het James Ivory-gevoel aanspreken, maar weinig méér doen. De opwindende nieuwe boeken blijken door de afdeling marketing van een grote uitgeverij bedacht: iets meer seks hier, een tikje geweld daar. Maar op literair gebied gebeurt er weinig.

Wel thuis. Sam praat over Sinterklaas en het gitaartje dat hij heeft gekregen. “Ben je er blij mee?” vraag ik. “Nog steeds heel blij”, zegt hij. Ik denk aan mijn eerste gitaartje, een ding van waaibomenhout met één snaar die vier keer over de hals was gewonden. Dat was, met de microscoop, waarschijnlijk het mooiste cadeau dat ik ooit kreeg. Hanneke zegt dat ze het nu wel heeft gezien, het heen en weer geren om Sam naar school te brengen, boodschappen doen, koken.

Lunch voor het laatst met Hanaan, in de Senior Common Room. Zij praat over haar moeder, in Libanon. “Dat is een boek”, zeg ik. “Je moet daar over schrijven”. We bedenken de titel. Verderop, in deze zaal, zit de man van Duits achter zijn fles Bordeaux. Elke middag is hij hier en elke middag drinkt hij een fles wijn tijdens de lunch.

Ik schrijf mijn zuster een brief, telefoneer met Bert over zijn tentoonstelling. En dan wacht ik tot Stacey Knecht arriveert. Zij gaat kijken hoe de studenten mijn verhaal hebben vertaald. Waarschijnlijk komt haar collega, Paul Vincent, ook langs. Ik ben ondertussen hier en niet hier. De tassen half gepakt, de koelkast bijna leeg, één hand aan de deurknop.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden