'Ik ben goed bedeeld met happy-cellen'

Hans Klok: ¿Ik sport me gek ¿ zie er beter uit dan ooit ¿ maar ik kan de strijd tegen het verval nooit winnen¿. (FOTO MARK KOHN)

Hans Klok (Purmerend, 1969) is illusionist en goochelaar. Op zijn veertiende werd hij Nederlands en Europees jeugdkampioen goochelen. In 2007 trad hij op in Las Vegas, met aan zijn zij actrice en sekssymbool Pamela Anderson.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Het is tegenwoordig helemaal niet meer zo stoer om dit te zeggen, maar ik geloof in God. Ik ben naar Zijn evenbeeld geschapen, dus stel ik mij God als een man voor. God heeft het goed met mij voor. Ik geloof niet dat Hij heeft gedacht: ik zal die Hans Klok eens even naar Las Vegas brengen, maar door op het juiste spoor te blijven, door keihard te werken en in het goede te blijven geloven, ben ik er uiteindelijk wel gekomen.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Verafgoding, daar draait het om in de showbusiness. Het is één grote gil om aandacht. Optreden, laten zien wat je kunt. Waarom? Dat heb ik me al zo vaak afgevraagd: waarom wil ik dit eigenlijk? Wat doe ik mezelf aan? Een optreden van een illusionist is het best te vergelijken met dat van een schaatser: je vindt het heel mooi, maar je zit toch te wachten tot hij uitglijdt. Zo zit het publiek ook bij mij in de zaal: hopelijk gaat het mis, zodat we eindelijk eens kunnen zien hoe die truc werkt.

Dat is een negatieve energie en ik haal het mezelf op mijn hals. Waarom? Ik weet het niet.

Ik heb een enorme prestatiedrang. En een behoefte om dingen groter te maken; bigger than life. Spektakel. Over the top. Ik doe ongewone dingen, ben grotesk op het toneel, maar tegelijkertijd ben ik geen rare, onbereikbare persoon geworden.

Laatst kwam Ruby Wax hier voor een tv-programma en ze vond dat er iets meer showbusiness zichtbaar moest zijn: dáárom staan die fotolijstjes in de vensterbank. Kijk, dat ben ik met Paul McCartney, op wiens verjaardagspartijtje ik had opgetreden en op die foto ernaast zie je mij met Pamela Anderson.”

„Ik ken veel beroemde mensen, maar het doet me niet zo veel meer. Het is raar. Ik heb altijd wereldberoemd willen worden – en ik ben nog lang niet klaar – maar ik kan ook naar al die sterren kijken en denken: het gaat alleen maar om uiterlijk vertoon. Ziek, eigenlijk.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Misschien zeg ik drie keer per jaar godverdomme, maar dan moet ik wel héél erg kwaad zijn. Ik heb tot nu toe een gezegend leven gehad, ik maak geweldige dingen mee. Dat komt doordat ik me verbonden heb aan die enorme energie van God. Hij zal er niet van wakker liggen als ik een keertje vloek, maar ik vind het zelf respectloos. En ondankbaar. Dat vooral.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Ik ben christelijk opgevoed, maar ik kom nooit in de kerk. Het is ook zo omslachtig, al die rituelen. Mensen die drie keer per dag naar de kerk gaan‿ ik weet het niet hoor. Ik vraag me af of God dat wil. Die zal toch ook denken: get a life? Ga wat doen!

Ik ben wel eens naar een mis geweest. Prachtige show, met al die wierook en zo, maar ik vind die katholieke kerk uiteindelijk toch vooral een enge club. Als je genoeg geld had, kon je een mooie plaats in de hemel kopen, arme mensen moesten het weinige dat ze hadden van de hand doen om er ook daar nog eens bekaaid van af te komen. En die kerk, die nam maar.

Eeuwen later, in 2009, staat er een man aan het hoofd die beweert dat het zondig is om voorbehoedsmiddelen te gebruiken. Dat is toch verschrikkelijk? Als dat bij het geloof hoort, wil ik er liever niets mee te maken hebben.”

V Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader heeft bergen voor mij verzet. We leerden samen alle trucs uit mijn eerste goocheldoos, hij kocht een oud goochelboek voor me, hij maakte de trucs, hij nam me mee naar mijn eerste goochelcongres in Noordwijkerhout. Toen ik op mijn zeventiende al in een nachtclub in Apeldoorn aan de slag kon, regelde hij een pensionnetje en een fiets. Altijd fanatiek. Ga ervoor, jaag je dromen na, denk groot. Hij geloofde zo in mij.

Hij was het liefst circusartiest geworden, maar dat was na de oorlog absoluut not done; hij was de oudste zoon en moest gaan studeren. En daarna moest hij werken, voor zijn gezin zorgen. Hij was altijd voor een ander bezig. Voor zijn baas, voor zijn vrouw, voor zijn kinderen. Ik denk dat samenwerken met mij – op het laatst gaf hij zijn baan op en werd hij mijn manager – nog het dichtst in de buurt van zijn ideaal kwam. Hij was altijd in onze werkplaats, in IJmuiden, te vinden. Zagen, timmeren, trucs maken.

Hij kwam uit een familie waarin iedereen minstens negentig werd, maar op zijn 61ste ging het voor hem ineens helemaal mis. Ik sliep bij mijn ouders. Frank, mijn ex, was met zijn zoon Jesper op wintersport. Er was een vrolijke stemming thuis. Mijn broer was er, met zijn nieuwe vriendin.

Mijn vader kwam terug van voetbal. Telstar, zijn club, had gewonnen en hij trok – helemaal tegen zijn gewoonte in – een fles wijn open. We waren één happy family. Die nacht sliep ik onrustig. Ik had last van hartkloppingen, heel eng, zoiets had ik nog nooit meegemaakt.

De volgende dag vertelde ik mijn moeder wat er was gebeurd en dat ik me zou laten nakijken. De dokter kon niets vinden. Hyperventilatie, misschien, niks aan de hand. Ik ging naar huis. Mijn moeder zat huilend bij het raam. Ik zei: ’Ma, maak je geen zorgen, ik mankeer niets’. Bleek ze net te zijn gebeld door mensen van mijn kantoor: mijn vader was in elkaar geklapt, hij was al door een ambulance opgehaald. We hadden geen idee wat er was gebeurd.

Toen wij in het ziekenhuis aankwamen, hoorden we dat hij een hersenbloeding had gehad. Hij was al in een coma geraakt. Het enige dat we konden uitbrengen was: als hij maar niet doodgaat, als hij maar niet doodgaat‿ maar na negen dagen intensive care moest hij het op de afdeling special care zonder al die machines gaan proberen en dat lukte niet meer. Hij stierf een paar dagen na zijn 62ste verjaardag.

Ik zie hem nog liggen. Zijn mond open. Leeg, zonder ziel.

De eerste jaren na zijn dood heb ik het gevoel gehad dat hij er nog was, ergens. Ik vond ook dat ik dubbel verantwoordelijk was; ik was het verplicht aan de man die zo veel voor me had gedaan om mijn uiterste, uiterste best te doen.

Ik heb een goede band met mijn moeder – ik denk dat ik zelfs een beetje familieziek ben – maar het is toch anders. Mijn vader heeft alles meegemaakt, vanaf het allereerste begin. We waren avonturiers. Mijn moeder is helemaal niet ambitieus. Als ik trots aankondig dat ik in China kan gaan optreden, zegt ze: ’China? Waarom moet je zo ver van huis?’ Mijn vader zou het fantastisch hebben gevonden. Las Vegas! Hij had erbij moeten zijn.

Irritant hè? Dat mensen doodgaan. Dat het leven ophoudt. Ik vind het hier zo leuk. Ik ben wat de happy-cellen betreft heel goed bedeeld; ik geniet van elke dag. Misschien wel omdat ik weet dat het zo maar afgelopen kan zijn.”

VI Gij zult niet doodslaan

„Ieder mens heeft een zwarte kant, ik ook. Ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die nooit iets hebben gedaan wat ze beter niet hadden kunnen doen. Vreemdgaan, zuipen, snuiven, vechten, stelen‿

Ik ben heel gedisciplineerd, maar ik ben óók een rocker. Ik moet met een grote boog om de kroeg lopen, want er zit altijd een duiveltje op mijn schouder dat zegt: kom op, eentje, kan geen kwaad. Maar ik neem er nooit eentje, ik ben de man die het licht uitdoet. Het is de zelfkant die me trekt. Ik hou van de nacht. Ik kom op plaatsen en in situaties terecht waar het uit de hand kan lopen.

Dat was vroeger al zo. Ik heb in Driehuis gewoond en ging uit in IJmuiden, een soort vissersdorp, waar in iedere kroeg aan het eind van de avond de stoelen door de lucht vlogen. Ik ben niet agressief, maar dat vond ik eigenlijk wel leuk. Spannend. In ieder geval niet saai.

Ik geloof niet dat ik zomaar iemand iets aan zal doen. Het ergste wat ik ooit kon bedenken voor de man met wie ik een conflict had gehad was dat ik, misschien, ’s nachts, zijn ruit zou ingooien. Heel laf, eigenlijk. Ik heb het niet gedaan. Het lukt mij altijd wel weer om me op de leuke dingen te focussen.”

VII Gij zult niet echtbreken

„Frank en ik zijn zeventien jaar samen geweest. Toen was het klaar‿ nou, klaar, ik heb nog altijd een goed gevoel bij hem, maar ik werd gewoon verliefd op een ander. Dan moet je kiezen en kiezen is de helft verliezen. Het is het een of het ander. Frank was getrouwd geweest en hij was dertien jaar ouder dan ik. James, mijn nieuwe vriend, is negentien jaar jonger. We zijn nu een jaar bij elkaar. Ik ben hem trouw, maar mijn oma zei altijd: voor één hoef je de rest niet te haten. Toch? Ik hou ervan om te flirten.

Of hij mij trouw is, weet ik niet. Ik hoef het ook niet te weten. Ik probeer er niet aan te denken, maar ik kan er natuurlijk gif op innemen dat hij over een paar jaar verliefd wordt op iemand van zijn eigen leeftijd. Het is ook eng: er is niet mee te concurreren. Ik sport me gek – zie er beter uit dan ooit – want ik wil natuurlijk niet als een uitgezakte taart naast hem in bed liggen, maar ik kan de strijd tegen het verval nooit winnen. Pas als ik honderd ben en hij tachtig zullen we fysiek een beetje naar elkaar zijn toegegroeid.

Nou ja, we zien wel. Niks is voor altijd. En als het klaar is, kan ik toch zeggen dat ik een paar te gekke jaren heb gehad.”

VIII Gij zult niet stelen

„Het mag niet, het is niet netjes, maar ik heb op mijn tweeëntwintigste een truc gestolen. Ik zag het Jonathan Pendragon doen: er wordt een kooi in brand gestoken en daar komt een assistent uit. Ik begreep hoe hij het voor elkaar kreeg en heb het klakkeloos overgenomen. Twee jaar geleden heb ik contact met hem opgenomen, gezegd dat ik al jaren succes had met zijn truc en dat ik er alsnog voor wilde betalen. Dat heb ik toen gedaan: vijftienhonderd dollar. Omdat ik mijn zaken koosjer wil houden.

Ik ben marktleider in Europa; niemand moet mij ervan kunnen betichten dat ik die plek op een oneerlijke manier heb bereikt. Op het ogenblik wordt er van alles van mij gejat. Het is eervol, maar ook vervelend. Vooral als er slecht wordt gekopieerd.

Zo is er een prachtige act met een kartonnen doos, van Hans Moretti. Hij gaat in die doos zitten, het publiek mag er zwaarden doorheen steken en hij komt er dan, verkleed als clown, met een paar kippen op zijn hoofd, weer uit tevoorschijn. Ongelooflijk, zo’n klein doosje! Iedereen doet die truc, maar niemand doet hem zo goed als Moretti deed, omdat ze het echte geheim niet kennen. Ik heb Moretti een keer een brief gestuurd. Verkoop me je geheim! Hij wilde niet. Ook tegen David Copperfield had hij nee gezegd. Inmiddels is Moretti dik in de tachtig. Ik denk dat ik het hem nog een keer ga vragen: als je mij nou vertelt hoe je het doet, zal de act in ieder geval voortleven zoals je hem hebt bedoeld.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Mijn imago is verwarrend: macho, met mooie dames op het toneel én gay. In Amerika houden ze daar niet van. Als gay-artiest ben je niet zo interessant.

Met die gedachte in mijn achterhoofd begon ik, samen met Pamela Anderson, aan een interview met Howard Stern. Stern is een soort Giel Beelen, maar dan dertig keer extremer. Ik werkte pas twee weken met Pamela, op de strip in Vegas – die vrouw is, qua publiciteit, het beste wat me ooit is overkomen. Ze heeft me echt op de kaart gezet. We gingen samen al die talkshows af en zo waren we, met een leger publicisten in onze kielzog, bij Stern terechtgekomen.

Anders dan Albert Verlinde later beweerde, wilde Stern niet weten of ik hetero was, maar of ik in Holland een relatie had. Ik zei nee en dat was een leugen. Ik was op dat moment nog met Frank. Ik zei nee omdat het een goed plaatje was: Pamela en ik, als een sexy koppel. Er was veel geld in dat hele idee gestoken en ik dacht: hier moet ik ons gewoon even doorheen zien te sluizen. Nee, niet voor mijn eigen gewin; het was het geld dat Joop van den Ende erin had gestoken. Ik wist dat het niet zo slim zou zijn om bij een van de allereerste interviews meteen te roepen: by the way, I’m gay.

Het is me, hier in Nederland, niet in dank afgenomen. Ik vond het achteraf vooral voor Frank wel pijnlijk. Een paar maanden na Stern gaf ik een interview aan Q-magazine. De journaliste vroeg me rechtstreeks naar mijn seksuele voorkeur en die keer heb ik, gelukkig, wel eerlijk antwoord gegeven, want al snel bleek dat zij haar huiswerk wél goed had gedaan. Ze wist dat ik een vriend had in Holland en dat we samen zijn zoon hadden opgevoed.

Het blijft wel fascinerend trouwens, dat gedoe over seksuele geaardheid. Ik heb drie assistentes en een van hen, Nathalie, is zo leuk dat ik wel eens denk: fuck, waarom ben ik nou toch homo? Pamela Anderson, ik merkte het meteen, zag mij ook wel zitten. Ik heb haar verteld dat ik homo ben, maar toch‿

We hebben een keer samen, in ons blootje, in bed gelegen. Het was in een hotel in New York. We hadden veel te veel gedronken en ik zei: blijf maar bij mij slapen. Het was eigenlijk heel onprofessioneel, want we moesten de volgende ochtend in ’Goodmorning America’ verschijnen. Ik herinner me nog wel dat ik dacht: iedere hetero ter wereld is op dit moment jaloers op mij. Het was een te gekke tijd, we hadden echt een klik, maar het is, denk ik, toch niet anders: ik word seksueel meer aangetrokken tot mannen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Zal ik je eens iets laten zien? Kijk, dit is Infomagie, het clubblaadje van de NBG, de Nederlandse Bond voor Goochelaars. Ik ben als kind al lid geworden van die bond. Over mijn optreden voor het veertigjarig bestaan van de bond schrijven ze: ’Grote uitsmijter was, wie anders, NBG-junior en nu wereldtopper Hans Klok. Eenzame klasse, vervelen gaat het nooit’. Zoals het Haarlems Dagblad schreef: Hans vlamde en daar valt niets, maar dan ook helemaal niets op af te dingen’. Dit blaadje wordt misschien door driehonderd mensen gelezen, maar dat ene zinnetje – eenzame klasse – geeft me zo’n geweldig gevoel; daar kan ik echt jaren op teren.

Ik heb mijn vak in Nederland uit het verdomhoekje gehaald. Goochelen op tv, dat was Hans Kazàn bij ’Ren Je Rot’. Ik heb in grote shows magic en showbusiness bij elkaar gebracht. Het is vermaak, licht vermaak. Er zit geen zware boodschap in. Het is knap, moeilijk te snappen, maar het blijft entertainment.

Ik probeer in wat ik doe de allerbeste te zijn, maar dat ik niet veel nalaat – niets is vergankelijker dan het werk van een variétéartiest – vind ik wel eens jammer. De enige emotie die ik oproep, is verbazing. Hoe doet ’ie het?”

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden