Ik ben er toe gekomen te geloven dat Dulcinea leeft

Het klassieke boek schenkt op eigen houtje kennelijk nog onvoldoende verbeelding; de helden moeten ook te zien, te voelen, ronduit tastbaar zijn. De lezer wil vervoerd en bedrogen worden en daarna ook nog eens bij de literaire held op schoot. Shakespeare kan Hamlets lief in een handomdraai zelfmoord laten plegen, maar in welke rivier deed Ophelia dat precies? Van welke oever valt dat het beste te fotograferen? En kan ik daar een kaartje voor kopen? Na het Paard van Troje (18/4) en het Balkon van Julia (9/5) vandaag het derde deel van een serie over letterlijk literaire helden: Het Huis van Dulcinea in El Toboso.

Wie Don Quichot achterna reist, ontvangt vroeg of laat geheid ook klappen van een molenwiek, en gaat daardoor nog veel meer molentjes zien. De dolende ridder is namelijk overal tegelijk: net als je een schoenpunt op z'n schaduw denkt te hebben gezet, is hij in vliegende vaart naar het naburige dorp vertrokken.

'Windstil' was een betere naam geweest, maar het dorp van Dulcinea heet nou eenmaal El Toboso. Tot een ontmoeting met zijn geliefde kwam het hier niet, of ook weer wel: Don Quichot knielt in aanbidding voor een boerendeern neer, die het vervolgens op een razende galop zet. Het gehucht El Toboso, in dat oeverloze gebied onder Madrid dat La Mancha heet, maakt in één oogopslag duidelijk waarom Don Quichot maar dolen bleef en nooit ergens blijven kon, zeker in El Toboso niet.

Het valt amper op te maken of El Toboso nou in een laagvlakte of hoogvlakte ligt, en zelfs dat maakt eigenlijk niet uit. Een afgetrapte toendra wordt er niet lommerrijker op door boven of onder de zeespiegel te liggen. De aarde van de Mancha is - een gindse glooiing daargelaten - plat, de grond donkerrood, de druivenstruiken enkelhoog, de wegen Romeins recht, de lucht tamelijk hoog en vol Spaanse stapelwolken die - althans in het voorjaar - uiterst plaatselijke regen bezorgen: de ene helft van een akker ligt te zonnen terwijl het op de andere helft zichtbaar giet. Nergens een schaap te bekennen, laat staan de kudde die Don Quichot voor een oprukkend leger aanzag, dat dus verpletterd diende te worden.

De berm vormt het onbetwiste hoogtepunt van de Mancha: bloedrode klaprozen, knalgeel koolzaad, wit fluitekruid, gele wolfsmelk en zachtgele herderstasjes. Op Don Quichot na is de Mancha slechts vermaard om z'n schapekaas en castellana-soep boordevol brood, ei en knoflook. Elders in Spanje wordt manchego - naar de vorm van de houtskoolzwart omkorste schapekaas - ook als scheldwoord voor dom dikkerdje gebruikt.

Don Quichots hoefsporen duiken door de hele Mancha en ver daarbuiten op, via Toledo tot en met Zaragoza, Madrid en Barcelona aan toe, maar die moet je - hoe tegenstrijdig ook - wel zien te vinden. Don Quichot beheerste de kunst van het spoor bijster raken tot in de vingertoppen. De geestrijke ridder, ook wel Ridder van de Droevige Figuur of Man van La Mancha leerde die listigheid van zijn schepper Miguel de Cervantes Saavedra (1547 - 1616), die al in het eerste van zijn 126 hoofdstukken zand in de ogen van zijn lezers strooit. Cervantes schrijft alsof Don Quichot al bestaat, terwijl hij hem op datzelfde moment aan het scheppen is:

Men heeft wel beweerd dat zijn achternaam Quijada of Quesada was, maar over deze zaak zijn de kroniekschrijvers het niet geheel met elkander eens, hoewel er op grond van de meest waarschijnlijke onderstellingen valt af te leiden dat hij Quejana heette. Dit doet echter weinig af aan onze geschiedenis: het bewijze alleen, dat wij bij het vertellen daarvan geen duimbreed van de waarheid zullen afwijken.

Aldus omtrekkend belandt Cervantes uiteindelijk bij quijote, wat een dijstuk van een harnas is. “De keuze van de schrijver viel op dit woord niet alleen wegens zijn betekenis, maar ook omdat de uitgang -ote uitsluitend toegepast wordt om iets als lachwekkend of verwerperlijk voor te stellen”, aldus de vertalers van 'El Ingenioso Hidalgo Don Quijote de la Mancha', J.W.F. Werumeus Buning en C.F.A. van Dam, van wie ook alle hier geciteerde hertalingen zijn. Als Don Quichot eenmaal de oorlog aan de ridderromans heeft verklaard en desondanks besluit zelf ridder te worden, doopt hij zijn knokige paard tot Rossinant, “hetgeen naar het hem toescheen verheven en welluidend klonk en tevens verklaarde dat het eens een 'rocin', een knol was, 'antes' of wel vóór het was wat het thans was, namelijk het paard dat boven alle 'rocines' ofte wel knollen, ging: het eerste paard ter wereld zogezegd.” Het ezeltje van Sancho Panza is van te eenvoudige komaf voor een naam, en sjokt simpelweg als 'grauwtje' door Cervantes' avonturen.

El Toboso ligt - het zal ook niet - op een kruispunt in de Mancha. Of beter: El Toboso is een kruispunt, met een kerk, een minuscule Plaza Mayor, een standbeeld en een handjevol kroegen. De huizen zijn niet hoger dan één verdieping en hebben allemaal dezelfde muren van flagstones en keukenkastachtige deurportalen. Ergens is iemand aan het timmeren, en in de toonzetting waarin dat gebeurt weet je zonder poolshoogte te nemen al: hou maar op, zo wordt het nooit meer wat.

Het standbeeld op de Plazita Mayor vereeuwigt de schone jonkvrouwe Dulcinea, maar als je haar in het stalen gezicht blikt, slaat schrik je om het hart. Daar staat geen wulpse deerne, 'prinses en algehele heerseres van El Toboso' of 'hertogin van de schoonheid', integendeel: manshoog staat daar een kijvend wijf van staal met ogen overborrelend van toorn & furie, in wier armen je maar beter niet kunt vallen. Als de beeldhouwer hiermee de eeuwige kwelling en hartesmart wil duiden die een vrouw bij een afgewezen man veroorzaakt, dan is hij ronduit in zijn bedoeling geslaagd. De op één been geknielde Don Quichot tegenover haar oogt heel wat vriendelijker, zelfs aandoenlijk met z'n kanten pofbroek van staalrepen waardoorheen de wind vrij spel heeft. De beeldhouwer kent zijn klassieken: hij volgt Cervantes' beschrijving van Don Quichot (een zelfportret van Cervantes) op de voet:

Deze ridder liep naar de vijftig; hij was taai van gestel, een mager man, met ingevallen wangen; hij stond altijd vroeg op en was een liefhebber van de jacht.

Straatnamen heeft El Toboso eigenlijk niet nodig, want verdwalen kun je er niet. Op de huismuren wijzen citaten uit de 'Quijote' de weg naar Dulcinea's huis, het Museo Casa Dulcinea del Toboso. El Toboso is historische en bovenal heroïsche grond, hoe hard Cervantes aanvankelijk de geografische gewichtigheid ook probeert te verdoezelen. Tot op de dag van vandaag toe staat in kloeke letters op een muur te lezen:

In een dorpje van de Mancha, waarvan ik mij de naam niet wens te herinneren, leefde nog niet lang geleden een van die edellieden, die een lans in het wapenrek, een antiek lederen schild, een mager paard en een snelle hazewind bezitten.

Maar een muur verderop weet Cervantes opeens dondersgoed waar ie zijn moet:

Media noche era por filo - 't Was op klokslag van twaalf uren, ten naaste bij, toen Don Quichot en Sancho het bosje verlieten en El Toboso binnenreden.

Dulcinea's huis is een begoocheling, een monumentale teleurstelling. Onweerlegbaar is het een museum, dat wel. Denkbare en ondenkbare agrarische en volkenkundige zooi uit de dagen van Philips II is hier samengebracht: olijfpersen, blaasbalgen, stillevens met selderieknollen, koper- en ander ijzergoed, aardewerken wijnvaten, rollen touw, paardentuigen en zowaar ook een druivenontkorrelaar. De kassavrouw, even nors als Dulcinea's standbeeld buiten, blaft dat het streng verboden is om in het museum te fotograferen, en dat bevel volg je in opperste vrijwilligheid op.

Een houten neppaardje, waarop ze vroeger wasgoed en zadels te drogen hingen, is het enige museumstuk dat verbeelding aan de macht brengt. Maar dan moet je wel hoofdstuk 41 van Deel II kennen. Daarin weerklinkt een paardensprong van drie paarden.

Geblinddoekt en gezeten op zo'n wasrek/neppaard - het ros Houtenpin met de Vleugels geheten - maken Don Quichot en Sancho in de tuin van dueña Dolorida een reis die voorbij de 2 groene, 2 rode, 2 blauwe en 'één is er van alles een beetje' geitjes (de sterren) van de Pleiaden voert. De ridder en zijn knecht worden, nog steeds geblinddoekt, belazerd waar ze bijzitten: medeplichtigen van het tuinfeest zwoegen met blaasbalgen om wind onder de ruimtereis te zetten, en verschroeien Don Quichots baard 'met wat werk dat even gemakkelijk ontbrandt als uitdooft, en dat aan een rieten stengel was bevestigd'. Tuinfeest en ruimtereis eindigen in knetterend vuurwerk, dat in de buik van Houtenpin verborgen zat. Tevergeefs en voordat hij Houtenpin besteeg, had Don Quichot zijn argwaan ten aanzien van zwangere paarden kenbaar gemaakt:

Als ik het mij wel herinner, heb ik bij Vergilius de historie gelezen van het Palladium van Troje, zijnde een houten paard dat de Grieken de godin Pallas aanboden, en dat zwanger ging van gewapende ridders, die daarna Trojes algehelen ondergang bewerkten; het ware daarom wijs eerst eens te zien wat Houtenpin in den buik heeft.

Tien keer curieuzer dan Dulcinea's huis is het Museo Cervantino, pal naast de kerk. Hier geen volkenkundige flauwekul, maar echte vitrines met exemplaren van de 'Quijote' uit alle windstreken. Het museum maakte er een traditie van om beroemdheden overal ter wereld te verzoeken hun gesigneerde 'Don Quichot' voor permanent bruikleen op te sturen. Dat leverde de IJslandse vertaling op, de Welshe, Keltische en Kroatische, de Franse 'Quijote' van François Mitterrand, de Engelstalige van Ronald Reagan en die van Alec Guinness met dagtekening van 1935, en de Nederlandse van Bernhard von Lippe Biesterfeld, Príncipe de los Países Bajos, die zichzelf daarin met gran hispanófilo betitelt. De ijver van het Museo Cervantino kent amper grenzen: de collectie omvat ook de gesigneerde exemplaren van Kadaffi, Mussolini, Hitler en Franco. Cervantes' eigen exemplaar ontbreekt. Om de collectie nog wat extra gewicht te geven, knoopt de conservatrice elke bezoeker in de oren dat Cervantes in 1616 stierf, het literaire rampjaar waarin ook Shakespeare insliep.

Ze zeggen - en daarmee vangt het apocriefe wapengekletter in geharnaste heftigheid aan - dat Cervantes in El Toboso verliefd werd op de vrouw der vrouwen: doña Ana ook wel doña Aldonza Zarco de Morales. Een verliefdheid in El Toboso, dat ligt vrijwel spreekwoordelijk voor de hand, is gedoemd tot droeve mislukking. Doña Aldonza voelde niet voor minnespel, waarop Cervantes, zeggen ze, haar naam en hoedanigheid in 'Dulcinea' transformeerde en aldus vereeuwigde. In het Nederlands kun je 'Dulcinea' adequaat als m'n zoetje lispelen.

Zeg daarentegen niet dat El Toboso het centrum zoniet het ijkpunt van La Mancha is, want dan breekt uit alle omringende dorpen oorverdovend gekrakeel los, vergelijkbaar met het symfonisch 'Don Quixot'-gedicht waarin Richard Strauss het gevecht met de windmolens tot helikoptervolume verheft. In het naburige Alcázar de San Juan - dat El Toboso in saaiheid glorieus overschaduwt - kwam ooit een doopakte boven water waaruit moet blijken dat Cervantes daar geboren werd, terwijl de inwoners van Alcalá de Henares al eeuwen in de rotsvaste overtuiging leven dat 'Miguel' van Alcalá is. Vanzelfsprekend beschikken beide dorpen over een Don Quichot-standbeeld, maar dat zegt in La Mancha zo goed als niets. Overal kom je oog in oog met de Ridder van de Droevige Figuur te staan; van smeedwerk aan kroegwanden tot suikerzakjes toe.

In ieder geval kan Alcázar de San Juan - en daar heeft Alcalá onverbiddelijk het nakijken - bogen op misschien wel het meest symbolische Don Quichot-monument ter wereld. Met afgedankte wagons en locomotieven is achter het RENFE-station een krakkemikkig spoormuseum ingericht. In dat openluchtpark staat een witgepleisterde windmolen, waaromheen een enkelvoudig railspoor z'n eeuwigdurende en nimmer tot een bestemming leidende cirkel draait. Don Quichot houdt er, gesneden uit dun gewalst staal, de wacht en met een trots alsof de omcirkelde windmolen het resultaat is van z'n roemruchte en eigenhandig verrichte heldendaden.

Alcázar de San Juan weet zich op nog wel meer terreinen tegen die betweters van Alcalá te weren. In het plaatselijke sufferdje 'Canfali' duiken de ridder en Sancho als ballonvaarders in een dagelijks feuilleton op. Als een wolk boven de wereld verheven en onder de vlag 'Palmas y pitos sin mala intención' (Handgeklap en vals gefluit zonder kwaaie bedoeling) commentariëren ze de hedendaagse gemeentepolitiek van Alcázar. Wegens geldgebrek wil de gemeenteraad een buslijn opheffen, waarop Sancho vrijwilligers oproept die de bus voortaan maar moeten duwen. Om de buslijn te redden, zo oordelen beide luchtridders onomwonden, is een 'Operación Espinosa' noodzakelijk. (Elk Spaans kind weet dat kardinaal Espinosa de overijverige leerling van de Inquisitie-klas was.) En als Sancho betwijfelt of de gemeenteraad wel in staat is om moties in te dienen aangaande het te hoge salaris van de burgemeester, sust Don Quichot: 'Natuurlijk kunnen ze dat! En bovendien: de burgemeester zal het toch zeker wel goed bedoelen.' Dat de inwoners van Alcázar - in weerwil van de ogenschijnlijke dorpssufheid - nogal doortastende typen zijn, bewijst graffiti op een muur van de Arena: 'Matar animales no es deporte. Matar toreros si' - Dieren doodslaan is geen sport. Het doden van stierenvechters wel.

El Toboso laat het gekibbel tussen Alcázar en Alcalá wijselijk links liggen. Het behoeft immers geen betoog dat Cervantes van El Toboso is. Op eigen kracht en initiatief heeft oud-burgemeester Martínez Pantoja documenten gevonden die dat staven, en hij laat zich niet van de wijs brengen door wispelturige landgenoten die beweren dat Cervantes slechts als belastinginner - wat hij ook wás - El Toboso ooit aandeed.

In 'De route van Don Quijote' onthult kroniekschrijver Azorín al in het begin van onze eeuw:

Waarom zou ik u het buitengewone, het ongehoorde nieuws niet vertellen? In alle delen van onze planeet heet de schrijver van de 'Quijote' Miguel de Cervantes Saavedra. In El Toboso heet hij eenvoudig Miguel. Allen spreken van hem met de grootste kameraadschappelijkheid, allen koesteren de illusie dat ze de familie gekend hebben. 'Ik, meneer Azorín', zegt don Silverio tegen mij, 'ben er toe gekomen te geloven, dat ik de vader van Miguel heb gekend, de grootvader, zijn broers en zijn ooms.'

Dat getuigt nog van een zekere bescheidenheid, want er zijn ook lui van El Toboso die niet alleen beweren het familiewapen van de Cervantes' 'met eigen ogen' te hebben gezien, maar bovendien over foto's van Miguels familieleden beschikken. Die mensen kun je maar beter niet bruskeren door te opperen dat de kunstvorm fotografie onlangs z'n 100-jarig bestaan vierde. Voordat je er erg in hebt staat er straks een kroniekschrijver op met gewichtige certificaten waaruit blijkt dat Cervantes, in het kielzog van Homerus en Shakespeare, nooit bestaan heeft.

De optocht van verdichting, kletspraat en versneden waarheid is zo omvangrijk dat ie ver buiten de Mancha treedt. De Grot van Montesinos, waarin Don Quichot zijn gelukzalige De Profundis-periode doormaakt, moet behalve in de Mancha ook nog ergens in Mexico liggen. Al zijn nergens logboeken voorhanden die verhalen wanneer en vooral hoe de geestrijke ridder daar dan afmeerde. Zo zot is dat overigens ook weer niet, want het Santiago van apostel Jakob verhuisde als stadsnaam met de Spaanse landverhuizers ook naar Zuid-Amerika mee, waar het wereldberoemder werd dan de Gallicische oerplek zelf.

Hoogste tijd om El Toboso te verlaten en op zoek te gaan naar Don Quichots vervaarlijke reuzen die bestreden moeten worden, ook wel windmolens geheten. In Campo de Criptana en op de heuvel van Mota del Cuervo verrijzen ze dan: de processie der molens. Iets kan de buschauffeur van de ondoorgrondelijkheid der molinos de viento openbaren: ze functioneren wel maar doen het niet. De wind heeft daar part noch deel aan. Schooljongens slalommen met crossbrommers, Japanners en Duitsers fotograferen elkaar voor het roerloze Wonder van de Mancha.

In 'Dronkenmanstemming' verdicht een andere dolende ziel, Paul van Ostaijen de molenwieken aldus:

(-) Je weet niet waar je henen wilt, Je slaat de wind, je slaat de lucht In luie, lome avondzucht Je weet niet waar je henen wilt. (-)

Opgepast, dit keer wel degelijk: Don Quichots wegen voeren nu westwaarts. In zijn patiokamer van het statige rijksmuseum Santa Cruz aan de Calle Miguel de Cervantes 3 in Toledo, legt directeur Rafael García Serrano uit wat de functie van het Dulcineamuseum in El Toboso nou precies is. Behalve curator van het Santa Cruz is Serrano ook directeur van het Dulcineahuis. (Het Santa Cruz bezit een piekfijne collectie El Greco's, Goya's en Ribera's - er hangen ook vlaggen uit de Slag om Lepanto, waarbij Cervantes z'n hand verloor, maar daar hebben we het nu niet over.)

Serrano haalde een slimme wisseltruc uit door overbodig maar authentiek meubilair uit de collectie van het Toledaanse museum naar zijn filiaal in El Toboso te verhuizen. Zo hoefde die zeventiende-eeuwse huisraad niet in de kelders van Toledo weg te kwijnen om in El Toboso permanent-historische sier te kunnen maken. Serrano prijst het echtheidsgehalte van de olijfpers, wijst er op dat het Huis van Dulcinea een reconstructie betreft, en dat het hedendaagse publiek zich desondanks een getrouwe voorstelling van het traditionele en dagelijkse leven tijdens Philips II kan maken. “Jullie hebben in Nederland toch ook een Rembrandt-huis? Granada heeft een Lorca-huis, hier in Toledo staat het El Greco-huis, ook al heeft El Greco daar nooit in gewoond. Veel bezoekers van het Dulcinea-huis zijn stedelingen, die willen weten hoe een olijfpers werkt, hoe vroeger kaas werd gemaakt. Nee, Dulcinea heeft nooit in de Dulcinea-kamer geslapen, en al helemaal niet samen met de ridder. Maar haar bed is een authentiek bed.”

Ook op het Plaza de España in Madrid staan Don Quichot en Sancho al weer geduldig te wachten. In brons, te paard en te ezel. Een voorbijganger heeft een bloemenkrans om Don Quichots schouder gedrapeerd, terwijl de kroniekschrijvers nergens melding maken van zijn naamdag. Maar dat deert de hedendaagse Spanjaard niet: ook bij hun standbeelden in de Mancha lagen bloemstukken. Achter de twee ruiters zit Cervantes in z'n enorme monument. Of het nou een kwestie van stedebouwkundig inzicht is of niet: alle drie kijken het rechthoekige plein niet in, maar bedremmeld uit. Ze zitten gedrieëlijk in een verdomhoekje van het plein, met uitzicht op een miezerige vijver en nietszeggende kantoorflat. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog zagen de fascisten in Don Quichots geheven rechterarm een fascistengroet, waarop de communisten prompt concludeerden dat Don Quichot hun strijd met de socialistische groet ondersteunde.

Duizelig van het apocrief gezwalk nu rap een broodje ham, bij het 'Meson Museo del Jamon'. Tussen het wisselgeld schittert opeens een goudkleurig 25 pesetas-muntje met doorboorde binnencirkel. Het is maar een kleine munt, waardoor Sancho en Grauwtje jammerlijk buiten boord vielen. Maar Don Quichot en Rossinant staan er op, met rechts vier wenkende molenwieken. Dat houdt niet op en gaat maar door.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden