IK BEN EEN VOEDERAAR VAN RODEKNOBBELZWANEN

“Niet wanhopig zijn”, zei de commissaris eens tegen zijn secretaresse. “Alles komt weer goed. En dan gaat het weer verkeerd. En dan komt dát weer goed. Zo gaat het altijd.” Janwillem van de Wetering schrijft misdaadromans met een vleug boeddhisme. Rondom brigadier De Gier, adjudant Grijpstra en een vriendelijke commissaris. Een gesprek over de politie die goudvissen bekijkt, een ex-roker die niet meer rookt, en razende zenmeesters, met rooie hoofden. Janwillem van de Wetering: Een toevalstreffer. Het Spectrum, Utrecht, 1995; ¿ 32,50.

In 1974 verscheen de eerste 'Amsterdamse politieroman' rond de goedmoedige adjudant Henk Grijpstra en zijn avontuurlijke brigadier Rinus de Gier. Elf jaar later kreeg de serie, waarin een naamloze commissaris een steeds grotere rol was gaan spelen, een voorlopig einde.

Ooit verkocht Janwillem Van de Wetering lappen grond in Australië en lapjes stof in Amsterdam. Hij reisde door Latijns-Amerika en Zuid-Afrika, studeerde filosofie in Engeland en woonde eind jaren vijftig in een Japans zen-klooster. Na twee boeken over zijn zen-ervaringen en de serie politieromans was hij een gevierd en veel vertaald schrijver. Twee afleveringen uit de serie werden verfilmd.

Na een stilte van acht jaar verschenen twee nieuwe detectives. “Ik wilde Grijpstra en De Gier uit dat moralistische stramien van de politie hebben”, zegt Van de Wetering, die in Amsterdam enige tijd als reserve-agent diende.

“Halverwege de jaren tachtig was de politie vervelend geworden. Ze konden echt niet meer tegen de drugs op. Kwam ik naar Nederland, zag ik de misdaadwereld open en bloot aan de bar van mijn hotel staan. Allemaal types die vertelden waar ze mee bezig waren. Ik zag de Heineken-ontvoerders, rondrijdend in een Rolls met Zwitserse nummerplaten. En de politie vierde verjaardagen en bekeek de goudvissen in het wachtlokaal van de agenten. In zo'n sfeer kon ik geen verhalen meer verzinnen.”

Van de Wetering schrijft rare boeken. Zijn verhalen houden zich aan de wetten van het misdaadgenre met een begin, de opbouw van een plot en een ontknoping, maar ondertussen krijgt het 'menselijk gepruts' de meeste aandacht. De enige die van het gepruts geen last lijkt te hebben, is de commissaris, gemodelleerd naar het beeld van een oosterse wijze. Een kleine, breekbare oude man is hij, keurig en onopvallend gekleed en onveranderlijk geplaagd door reumatische pijn in zijn benen. “Niet wanhopig zijn”, zei hij eens tegen zijn secretaresse. “Alles komt weer goed. En dan gaat het weer verkeerd. En dan komt dát weer goed. Zo gaat het altijd.”

De commissaris heeft geen naam. “Ik weet zelf ook niet hoe hij heet”, zegt Van de Wetering. “Ik begrijp hem ook niet altijd. Als ik over hem schrijf, grijp ik boven mijn macht.”

Brigadier De Gier, en tegen wil en dank ook adjudant Grijpstra, komen onder de indruk van de vriendelijke onverschilligheid van hun superieur. Een houding die voor Van de Wetering terug te voeren is op zijn belangstelling voor het boeddhisme. Eind jaren vijftig, lang voor het Oosten in de mode kwam, verbleef hij anderhalf jaar in een zen-klooster in het Japanse Kobe.

“Ik vond die boeddhistische filosofie mooi: dat er uiteindelijk niets is, dat alles een illusie is en dat het er niet toe doet. Maar ik kon dat alleen een beetje intellectueel begrijpen. Ik wilde dat beleven, dus ben ik in een klooster meditatie-oefeningen gaan doen. Dat heb ik altijd een grote verschrikking gevonden.”

Toch trok Van de Wetering in 1975 naar Maine, een uithoek aan de oostkust van de Verenigde Staten, om zich in een boeddhistische leefgemeenschap te vestigen. De gemeenschap is inmiddels een zachte dood gestorven. “Ik dacht dat ik er helemaal mee gestopt was, maar ik sta weer vroeg op en heb een tempeltje. Er is toch iets van blijven hangen blijkbaar, al heb ik niet meer van die martelweken.”

Leven in een zen-klooster betekent om drie uur 's morgens opstaan en pas om elf uur 's avonds weer naar bed. Het betekent elke dag tien uur mediteren, en één week per maand vijftien tot zeventien uur per dag - in lotuszit, natuurlijk. “Ik had altijd zo'n pijn in mijn benen. En mijn gedachten bleven maar ronddraaien. Bovendien worden die mensen er zo vervelend van. Eigenwijze sergeantjes en luitenantjes die denken dat ze iets begrepen hebben. Maar ze functioneren alleen in de uitzondering van een klooster.”

“Mijn ogen zijn geopend op een congres van zenmeesters, in een Japans hotel. Zestig zenmeesters, ik zag ze binnenkomen. In Japan is het gebruikelijk dat je meteen naar huis belt als je goed bent aangekomen. Dus al die zenmeesters belden hun kloosters. Maar de centrale was in de war, dus ze kregen allemaal wat anders. Er ontstond grote verwarring. Ze werden allemaal boos. Zestig razende zenmeesters, met rooie hoofden. Ieder van hen had tienduizend uur stil gezeten om tot verlossing te komen, en dan moest je dat stelletje sukkels zien. Al zouden ze hun kloosters niet bereiken. Al zouden ze dood gaan, wat maakt het uit? Maar ze kregen driftaanvallen en stampten op de grond. En daarna moesten ze sake drinken om het weer goed te krijgen.”

Het zen-boeddhisme bleek het antwoord niet te zijn. “Voor hen misschien wel, maar voor mij niet. Ik wilde echt weten of het ergens goed voor is. En als het nergens goed voor is, hoe ik dan verder moest. Die nieuwsgierigheid is blijven bestaan. De ontzetting ook. Zit ik een kroketje te eten, en dan zie ik beelden van doodgehakte kinderen in Rwanda. Of een hond die aan een veel te kort touwtje zit, zijn hele leven lang. Om een beetje te blaffen als er iemand langs komt. Dat is verschrikkelijk. Dan valt mijn hele, in jaren in elkaar gezette systeem in elkaar en moet ik weer opnieuw beginnen.”

Janwillem Van de Wetering is geen romanticus die juicht als alles anders blijkt dan hij dacht. “Ik vind dat vermoeiend. Ik zou willen dat die hond van mijn buurman niet aan een kort touwtje zat. Ik heb het een keer doorgesneden, maar het beest kwam terug en kreeg een nieuw kort touwtje.”

Behalve het ideaal van de vriendelijke onverschilligheid komen in de Grijpstra en De Gier-serie ook andere gedachten terug. Zoals het idee dat mensen niet kunnen kiezen, maar zich laten meedrijven door wat hen overkomt, of bepaald worden door hun activiteiten.

In De verdachte Verheugt, het boekenweekgeschenk van 1980, probeert De Gier met roken te stoppen. Staande op een brug over de Amsterdamse Brouwersgracht praat hij nerveus tegen Grijpstra. “Ik rookte, maar rook niet meer. Wat ben ik dan? Een niet-roker die rookte? Een ex-roker die niet meer rookt?” De Gier roept naar een oude man die vanaf zijn woonboot brood strooit voor de ganzen. “Wat bent u voor een man?”, vraagt hij. “Ik ben een voederaar van rodeknobbelganzen”, zegt de aangesprokene, en sloft zijn boot in. Grijpstra lacht. “En nu is hij een schuit-in-sloffer”, zegt hij. “En ik ben een trek-hebbende. Ga je mee naar die broodjeszaak?”

Ideeën worden bij Janwillem Van de Wetering nooit manifest gemaakt. Niet in zijn boeken en al evenmin in een gesprek. “Dan moet ik in abstracties gaan praten, terwijl ik in een verhaal personages antwoorden kan laten geven. Misschien heb ik ook wel te lang in het zen-boeddhisme gezeten, waar je nooit fatsoenlijk antwoord krijgt van je meester. Als ik filosofie ga schrijven is het niet te lezen. Maar ik geloof echt dat je maar een beetje kunt kiezen.”

“Ik heb Ketchup en Karate, twee grappige agentjes, eens beschreven als ze slecht zijn geworden. Zij vinden dat je de ellende van onze tijd niet kunt tegenhouden, maar dat je er wel plezier aan kunt beleven. Grijpstra en De Gier proberen de twee te bekeren en omdat zij hoger in rang zijn, lukt dat. Wat ik bedenk over omgaan met goed en kwaad werk ik op die manier uit.”

Toch blijven Grijpstra en De Gier onverdroten het goede willen. “Het maakt niet uit wat je doet, maar als het toch niet uitmaakt, kun je het beter plezierig houden voor iedereen. Dat geloof ik ook. Wat is er voor leuks aan om de boel te verzieken?” De vraag blijft even hangen. Van de Wetering zwijgt even en begint weer te vertellen. “Er leefde een verhaal in mijn familie, over een oudtante die, alleen en oud, in Overijssel leefde. Ze was christelijk geweest, maar daar was ze van af. Aan het eind van de oorlog klopte er een uit Amersfoort ontsnapte jood bij haar aan. Ze verstopte hem en gaf hem eten tot hij verder kon. De Gestapo had het gehoord en ondervroeg haar. Zij zei: 'Als iemand hongerig en opgejaagd bij mij komt en ik kan hem beschermen, dan doe ik dat'.”

“Die mannen van de Gestapo vroegen of ze anti-Duits was, zij beaamde dat. 'Maar straks draait het om', zeiden de mannen, 'en dan wordt er op ons gejaagd. Verstopt u ons dan ook?' Toen zei ze: 'Ja, natuurlijk doe ik dat'. Dat méénde ze echt! De Gestapo is weggegaan. Hopeloos, dachten ze. Niks mee te beginnen.” Van de Wetering schiet in de lach. “Een prachtige houding.”

De schrijver, geboren in 1931, maakte het bombardement op Rotterdam mee. Tijdens de oorlog werden de meeste kinderen uit zijn klas op transport naar Treblinka gezet. “Ik zat bijna alleen in de klas.” Die ervaring leidde later, toen de 24-jarige Van de Wetering in Zuid-Afrika woonde, tot een goed voorbereide zelfmoordpoging.

Het visioen van de perfecte suïcide is beschreven door een personage uit De gelaarsde kater. “Het was een filosofische zelfmoord”, zegt Van de Wetering. “Ik wilde met het hele gedoe niks te maken hebben. God speelde daar nog een rol in. Ik dacht: als God een wereld met zoveel ellende creëert, dan accepteer ik dat niet. Maar het lukte niet, want ik kwam bij en kroop naar de weg. Ik werd gevonden en naar een ziekenhuis gebracht.”

Van de Wetering laat zijn snor krullen en grinnikt. “Voor het Engelse recht, dat toen in Zuid-Afrika gold, is zelfmoord strafbaar. Er stond gevangenisstraf op een zelfmoordpoging, dus ik kreeg een luitenant van de Zuidafrikaaanse politie op bezoek die moest vragen of ik het nog eens zou doen. Een aardige, frisse man was dat, in zijn korte broek. Hij zei me dat het een bedoeling had dat ik was blijven leven. Maar dat is natuurlijk niet zo. Niks God op een wolk die me nog een kans gaf. Waar is die God? En waar is goed en slecht? En wel of geen zin? En wie bepaalt dat? Dat zei ik tegen die agent. 'Probeer het eens zonder God', zei hij toen. Dat heb ik gedaan. Ik heb Zuid-Afrika verlaten en ben in Engeland filosofie gaan studeren. Ik wilde het eens anders proberen.”

“Goed en slecht is geen probleem op het praktische vlak, waar de politie voor is: de burger beschermen tegen de onzin, zodat alles rustig verder kan gaan. Maar of je het leven al dan niet kunt accepteren omdat alle kinderen uit je klas in treinen zijn getrapt om in Treblinka te worden afgemaakt, daar ging het om.” Van de Wetering gebaart. “Die dingen gebeuren gewoon. En als je er een zin in gaat zien, wordt het écht onacceptabel.”

In zijn laatste boek, Een toevalstreffer, dat onlangs verscheen, spelen motieven uit de cultfilm Road Warrior een rol. Dit derde deel uit de Mad Max-trilogie speelt na de Derde Wereldoorlog en is een orgie van stompzinig geweld.

“Maar er zit ook schoonheid in vernieling”, vindt Van de Wetering. “Eén van de mooiste beelden die ik ooit heb gezien, zag ik toen het Duitse leger in de ochtendmist het verwoeste Rotterdam binnentrok. Ik was negen jaar, maar ik wist wat er gebeurde want mijn ouders hadden het me uitgelegd. Het was vreselijk en grandioos, die kolossale grijze machines met kanonnen erop uit de mist te zien opdoemen, met kolonnes marcherende SS'ers er achter.”

“Later heb ik luchtgevechten gezien, waarbij Spitfires of Messerschmidts neerstortten. Ik heb Duitse soldaten een jonge Engelse piloot zien aanhouden, een huilende jongen van begin twintig. Eén van die Duiters gaf zijn geweer aan mij, om die jongen te omhelzen. Hij troostte hem: 'Kom op joh, het komt wel goed'. En ik stond er naast, een jochie van dertien met een geweer in mijn hand. Een surrealistisch gegeven.”

De schrijver is een optimist-op-lange-termijn: het komt wel goed, en als de mensheid ophoudt, is er wel weer wat anders. “In Een toevalstreffer heeft een van de personages een gesprek met de commissaris over toekomstige wezens. Die man beweert dat het kevers worden, en de commissaris zegt dat het kwalachtigen zullen zijn. Ik heb dat gezien in een droom. Ik woon aan het water, aan een baai met een kleine inham en ik droomde dat daar, uit het water, een kwalachtig wezen omhoog kwam. Dat beest gaf licht, en het bevatte alle antwoorden op alle vragen die ik me ooit zou kunnen stellen.”

“Die droom”, mijmert hij, “die droom was eigenlijk veel werkelijker dan dat wij in een hotelkamer zitten te praten. Maar ga dat maar eens uitleggen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden