'Ik ben een veel te grote goedzak'

Kom bij Arjan Peters, literair criticus van de Volkskrant, niet aan met een doodverklaring van de literaire kritiek. Dan neemt hij de degens op voor een duel. In zijn boek 'De ongeneeslijke lezer' bepleit hij nut en noodzaak van zijn vak en trekt hij ten strijde tegen de herauten van het marktdenken, voor wie economisch succes het belangrijkste criterium is.

,,Boeken worden niet interessanter omdat ze goed verkopen. Dat is een dooddoener, maar een die je met nadruk moet herhalen in een tijd waarin alles een economisch succes moet zijn. Wat we nu beschouwen als grootse literatuur was vaak een wat rare roman in zijn tijd. De eerste drukken van Louis Couperus' romans waren na vijfentwintig jaar nog te koop. Dat wij hem nu nog lezen is te danken aan de toenmalige critici die de waarde ervan erkenden en aan latere essayisten die steeds weer over zijn kwaliteit begonnen. Als het goed is laten critici zich minder leiden door succes. In de kwalitatieve beoordeling van literatuur voor een publiek is kritiek niet te vervangen. Zonder kritiek blijven interessante boeken, voor een klein publiek, onopgemerkt. Zo vormt literaire kritiek een wezenlijk onderdeel van de literatuur. Een criticus is in die zin een ambassadeur, die opmerkt dat buiten de toptien zoveel ander prachtigs verschijnt.'

Voor Peters is een literaire kritiek dé plek waar een schrijver als schrijver benaderd wordt, en niet als mens of verschijnsel. ,,Ik verzet me tegen de stelling dat de kritiek haar functie gehad heeft. De werking van het terugschrijven, oordelen en meningvormen staat haaks op marktdenken. Het nieuwe boek van Nachoem Wijnberg, 'Politiek en liefde', verwijst nadrukkelijk naar Tolstoi en Jane Austen. Dat moet je kunnen uitleggen en die complexiteit kan en moet in literaire kritiek aan de orde komen.'

Peters stapte dertien jaar geleden zonder vastomlijnde literatuuropvatting het vak in. Pas in de praktijk merkte hij voortdurend op dezelfde dingen te letten en een soort standaard te ontwikkelen. In zijn boek -dat met een knipoog is opgezet als een cursus recenseren- heeft Peters naast lezingen en essays een selectie van zijn recensies opgenomen om te laten zien hoe die praktijk functioneert en hoe hij tot een oordeel komt. Door de speelse opzet van het boek ('u ziet, voor een wetenschappelijke, laat staan objectieve benadering moet u niet bij mij zijn') dwarrelen Peters' opvattingen over literatuur tussen de regels door. Zoals: Een goed boek galmt na.

,,Je wilt niet weten hoe het gewone leven is. Nee, je wilt van je stuk gebracht worden, iets van de andere kant bekijken, of je eigen leven weerspiegeld zien op een manier waaraan je zelf niet kunt voldoen. De verrassing, die doorbreking van een verwachtingspatroon, dat is waar literatuur haar kracht uit haalt én waar je als lezer op uit bent. Je kunt een ontdekking doen en van je vooroordelen loskomen als je niet vastzit in een stramien.'

Maar ook een criticus heeft zijn voorkeuren en hoort tijdens het lezen een koor aan stemmen meespreken. Kan een schrijver als Mulisch, van wie u niet de grootste liefhebber bent, u dan nog verrassen?

,,Hopelijk wel. In mijn stuk over Mulisch heb ik geprobeerd aan te geven waar hij goed in is: rare ideeën, gekke vondsten. Die hebben iets briljants. 'Stel dat Hitler een kind had gehad' en daar doe je dan iets mee. Alleen doet hij er niets mee, zijn uitwerking is vaak slordig. Ik haak af bij Mulisch' eeuwige simsalabim-verklaringen van het soort 'omdat het zo toevallig lijkt, is het geen toeval meer'. Ik stel me er wel voor open, maar het is niet altijd goed. Hoe kan het nou dat ik bij Hugo Claus de ene keer denk: mooi gedaan, goed boek en dat diezelfde man een jaar later iets schrijft dat flauw en gemakzuchtig is? Dan probeer ik erachter te komen hoe dat werkt bij mij én bij hem. Volgens mij weet Claus zelf heel goed dat hij niet altijd op scherp staat. Hij is een auteur die op een bourgondische manier schrijft met het idee: er zal een keer een flutboek tussen zitten. Ik stoor me aan mensen die omdat het Claus is bij voorbaat een staande ovatie produceren.'

Het is opvallend dat u in uw positieve besprekingen een boek op meerdere niveaus analyseert, terwijl u de negatieve kritieken veelal ophangt aan een beroerde stijl.

,,Hoe iemand schrijft is vaak het grote struikelblok. Een boek is meer dan de uitwerking van een idee. Bij een boek, dat bestaat uit zinnen en woorden, is de stijl het vlees en bloed. Een verhaal gaat ergens over, maar wordt pas wat door hoe het er staat en door hoe het wordt opgebouwd. Dat is zo essentieel dat het uiterlijk van een verhaal beslissend is voor de kwaliteit ervan. Een criticus scheidt het kaf van het koren. Dus moet je kaf én koren laten zien. Een criticus is niet goed, en ongeloofwaardig, als hij alleen vertelt over dingen die hij goed vindt. Dan weet je niet waar zijn grens ligt.'

Een criticus moet duidelijk aangeven waarvoor hij staat?

,,Ja. Ik heb een afkeer van critici die doen alsof ze als bespreker boven de dingen staan. Daar wordt kunst niet voor gemaakt. Een kritiek heeft pas zin als hij subjectief is. Lezen is iets heftigs, je wilt je toch met een boek verstaan? Je wordt overtuigd en gegrepen of haakt af en vindt er niets aan. Je leeft, voor de tijd dat je leest, met dat boek en daar hoor je enigszins fel op te reageren. Het is jammer als je de hartenklop van de criticus niet meer kunt horen en alleen zijn analytische geluid waarneemt. Ik stel me meer op als gepassioneerd lezer dan als quasi-academische beschouwer. Ik toon degenen die mijn stukken lezen hoe je over een boek kunt denken. Mijn werk is ook geslaagd als de krantenlezers denken: hij vindt er niks aan, maar volgens mij is dat boek iets voor mij. En ondertussen moet je voor ogen houden: wie denk je wel dat je bent? Je bent een lezer die een stuk schrijft. Verbeeld je niet dat jij het machtswoord uitspreekt. Die relativering is nodig en tegelijkertijd moet je vinden dat het zin heeft wat je doet.'

Peters' ondubbelzinnige oordeel en de luchtige toon die hij aanslaat in zijn recensies ('boekske', 'lezertjes', 'Harry's huisbioscoop') roepen weerstand op. Schrijfster Doeschka Meijsing noemde hem ooit een 'kwakende kikker'. Jeroen Brouwers hield het op een 'zuursmoelreptiel'. Het laat Peters koud.

,,In de praktijk roep ik misschien tien keer per jaar dat er iets goeds is verschenen. Dat kan bijna niet, tien goede boeken in een jaar. Ik ben een veel te grote goedzak! Degenen die kritisch over mij hebben geschreven, zijn niet toevallig de auteurs wier laatste boek ik niet goed vond. Hun weerstand hoort bij mijn vak. Het zou onwenselijk zijn als critici op handen gedragen worden. Maar men verkijkt zich op mijn toon. Het is een wijdverbreid misverstand dat je niet meer serieus bent als je je een grap permitteert. Pas als je de humor ergens van inziet kun je ook de ernst ervan onderkennen. Natuurlijk is literatuur mij ernst, anders was ik toch niet zo gegrepen door lezen en schrijven? Ik ben me bewust van het relatieve en kan een grappige opmerking niet weglaten, dan zou ik mezelf moeten amputeren en blijft er geen stuk over. Als ik een droog, quasi-objectief stuk zou schrijven zou men mij een droogkloot of een dominee noemen. Je krijgt de hele Peters of je verwerpt hem.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden