’Ik ben blij dat ik het leven nog heb’ Dwangarbeid: bij elke spoorbiels een dode

Bij voormalige dwangarbeiders aan spoorlijnen in Zuidoost-Azië brengt de herdenking van de Japanse capitulatie, vandaag zestig jaar geleden, diep leed naar boven. ,,Ik vergeef de Jappen niet wat ze me hebben aangedaan. Dat kan geen sterveling me afnemen.”

’Ik zeg altijd: mijn familie is net een aardappelveld. Het beste ligt onder de grond.’

Adjudant b.d. Tjitse van der Muur (84) doet zijn cynische uitspraak met een wrange glimlach. Zijn pleegbroer sneuvelde in 1942 bij de slag in de Javazee. Zijn moeder werd vermoord na de Japanse overgave, in de Bersiap-tijd, ,,omdat haar kinderen in het Nederlandse leger zaten”. Zijn oudste broer, lid van een guerrillagroep, werd door Japanse soldaten onthoofd in Nieuw-Guinea. En zelf zat Van der Muur drieënhalf jaar in Japanse kampen, waarvan anderhalf jaar als dwangarbeider aan de Pakan Baru-spoorweg op Sumatra. De gevolgen van de mishandelingen plagen hem nog dagelijks. ,,Ik vergeef de Jappen niet wat ze me hebben aangedaan. Dat kan geen sterveling me afnemen.”

Ook de bewoners van het tehuis voor oud-militairen Bronbeek in Arnhem herdenken vandaag dat Japan zestig jaar geleden capituleerde, waarmee een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Voor de gevangenen van het afgelegen Kamp-13 volgde de bevrijding vier dagen later.

,,Op een avond hoorde ik ineens niets meer uit het deel waar de Jappen zaten. Ze kozen het hazenpad. We konden ons niet eens meer revancheren”, vertelt Van der Muur in de Indische zaal van Bronbeek. De uitgeputte en apathische gevangenen hadden de kracht niet om blij te zijn over hun bevrijding.

Sergeant-majoor der mariniers b.d. Henk Paulus (88) zat op dat moment in een kamp in Siam, het huidige Thailand. ,,De kampcommandant zei: ’Jongens, ik heb maar drie woorden: We are free’. Iedereen stormde de poort uit; we waren vrije mensen.”

Paulus werkte als dwangarbeider aan de Burma-spoorweg, maar koestert geen haat tegen de Japanners. ,,Het is gebeurd en ik heb het ondergaan als een ervaring. Ik ben blij dat ik het leven nog heb.”

Het Koninklijk Nederlands-Indisch leger (Knil) moest zich op 8 maart 1942 aan het Japanse leger overgeven. Tjitse van der Muur was toen vliegtuigmonteur en boordschutter en Henk Paulus matroos tweede klas. Paulus: ,,Het Knil heeft opgehouden te bestaan, kregen we te horen. Dan gaat er wat door je heen.” Bij een vuurgevecht met een Knil-eenheid namen Japanse militairen veertien Knil’ers gevangenen. ,,Ze werden bijeengedreven en in koelen bloede vermoord, met de bajonet. Dat was onze eerste kennismaking met de wreedheden van het Japanse leger.”

De krijgsgevangenen hadden geen idee wat hen boven het hoofd hing. Krijgsgevangen zijn is geen pretje, maar nog draaglijk als de overheerser zich aan de Conventie van Genève houdt. De ’Jappen’ ontpopten zich echter als wrede en sadistische bezetters. De dwangarbeid aan de spoorlijnen was op zichzelf al onmenselijk. Gekleed zijn in een geïmproviseerde schaamlap, nauwelijks te eten of drinken krijgen en dan in de brandende zon of stromende regen onafgebroken met bielzen en rails sjouwen. Bij het werken aan de Burma-spoorweg en de Pakan Baru-spoorweg vielen tienduizenden doden (zie kader) door ziekte en uitputting. Sergeant-majoor Paulus: ,,Zes of zeven per dag heb ik er helpen wegdragen. Gevangenen werden soms maar tot hun hoofd begraven. De rest ruimden tijgers of ongedierte wel op.”

Het werken aan de Pakan Baru-spoorweg was volgens adjudant Van der Muur ,,minstens zo slecht” als aan de Burma-spoorweg, mede omdat veel gevangenen er bij aankomst al slecht aan toe waren. ,,Het heien voor de Pakan Baru-spoorweg gebeurde met mankracht. Met veertig man moesten we palen van 20 tot 25 meter de grond in slaan. Een Jap zat bovenin de heistelling en hij bepaalde door het voorzingen van een eenvoudig liedje hoe vaak wij het touw moesten inhalen. Als dat werk een poosje aanhield, dan wilde je wel eens het touw inhalen terwijl je het eigenlijk moest laten vieren. Dan sleurde je de mensen die vóór je stonden mee het water in. Probeerde je je weer aan het plankier op te hijsen, dan stond de bewaker klaar om je vingers met de kolf van het geweer te bewerken. Tuig!”

Van der Muur werd zelf ook te grazen genomen. ,,We waren met een groepje van tien en mochten ons bij de rivier wassen. De aandacht van de Jappen verslapte even. Toen we terugkwamen, ontbrak er één gevangene. Twee Jappen hebben me toen in elkaar geslagen en vier uur lang aan mijn enkels opgehangen. Ik heb nu nog last van vernauwde bloedvaten in mijn benen. Echte hufters waren het.”

Elk jaar kregen de gevangenen een voorgedrukte kaart om naar huis te sturen. De tekst: ’My health is excellent. I work for pay’ (Mijn gezondheid is uitstekend. Ik krijg betaald voor het werk). De drang tot overleven was bij beide mannen sterk. De ernstig verzwakte Henk Paulus was al opgegeven en naar de ’dodentent’ gebracht toen hij de ingeving kreeg om een aangebrande korst rijst te vragen – ,,Het was net of ik de stem van mijn moeder hoorde.” De korst werkte als Norit en stopte de diarree.

Ook voor Tjitse van der Muur bood de gedachte aan zijn moeder houvast. ,,Het is een automatisme. Je wordt ’s ochtends wakker en denkt ’ik leef’. Steeds maar weer herhaalt zich dat. Ik stal eten uit de Japanse keuken om te overleven. Hoe je het volhoudt? Bij mij was dat het verlangen naar huis.. M’n vader was voor de oorlog al overleden. Mijn moeder probeerde met het verkopen van rauwe koffiebonen wat bij te verdienen, om zich in leven te houden. Ik wilde overleven om mijn moeder weer te kunnen helpen.”

Na de capitulatie op 15 augustus 1945 ontstond in Nederlands-Indië een machtsvacuüm. Nederland kon zo kort na de Duitse bezetting geen leger voor zijn kolonie op de been brengen. Indonesische vrijheidsstrijders maakten daar gebruik van door 50000 Nederlandse burgers te interneren. In die zogenoemde Bersiap-tijd werd de moeder van Tjitse van der Muur vermoord uit wraak voor zijn Nederlandse krijgsdienst.

Paulus: ,,Indonesiërs verwijten ons dat wij als Indische jongens hun niet hebben geholpen. Ik heb een inlandse moeder, maar na alles wat er gebeurd is, zeg ik toch nee. Geef mijn portie maar aan Fikkie. De Bersiap-tijd was veel erger dan de tijd met de Jappen. Moordpartijen uit haat tegen de Nederlanders. Kinderen die met een handgranaat werden opgeblazen of met een bamboespies vermoord. Vreselijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden