Review

IJzersterke ’Hercules’ verliest aan glorie

Na glorieuze voorstellingen in Aix, Parijs, Wenen, Londen en New York doet Luc Bondy’s productie van Hündels ’Hercules’ Amsterdam aan.

De Nederlandse Opera, St. James’s Baroque en solisten olv Christopher Moulds met ’Hercules’ van Hündel in een regie van Luc Bondy op 17/4 in Muziektheater Amsterdam. Herhalingen daar op 20, 23, 26, 29 april en op 1, 3, 6, 8 en 10 mei. Info: www.dno.nl

In weerwil van de titel gaat Hündels ’Hercules’ (1745) niet over de twaalf roemruchte werken van de antieke held, noch over Jupiters supersterke zoon-met-de-knots zelf. Het allesbeheersende thema van deze drieënhalf uur durende mix tussen opera en oratorium is jaloezie. Verzengende en fatale jaloezie van Hercules’ echtgenote Dejanira. Zíj is het hoofdpersonage en voor haar bedacht Hündel een paar van zijn meest geniale muzieken ooit.

De Nederlandse Opera presenteerde dinsdagavond Luc Bondy’s enscenering van ’Hercules’, een productie die sinds de première in 2004 al geweldig furore maakte in Aix-en-Provence, Parijs, Wenen, Londen en New York. In Amsterdam werd de lange voorstelling welwillend en met een zeker enthousiasme ontvangen, maar het dak van het Muziektheater ging er niet af en dat gebeurde in al die andere steden wel als je de berichten mag geloven. Dat verlies aan glorie zou alles te maken kunnen hebben met de muzikale invulling, die in Amsterdam heel anders was; goed, maar zeker niet uitzonderlijk.

Hündel gaf ’Hercules’ als genre-aanduiding een musical drama in three acts mee. De Italiaanse opera lag in Londen al een paar jaar op zijn gat, maar de ondernemende en gewiekste Hündel scoorde daarna enorm met Engelstalige oratoria; muzikale verhalen op – meestal – bijbelse onderwerpen. Ondanks die switch in muzikale mode bleef Hündel toch eerst en vooral een man van het theater. En hij wist die theatermanie aardig te verstoppen in de meer statische oratoria. Nu Hündel sinds een paar decennia bij internationale operahuizen hot is, blijkt dat zijn niet-theatrale muziekdrama’s zich geweldig naar de bühne laten vertalen. Bondy’s ’Hercules’ is er een schoolvoorbeeld van.

De regisseur plaatst het drama in een hoge betonnen bunker. Er ligt zand op de vloer, en verspreid daarop de brokstukken van een immens klassiek zwartmarmeren beeld: een hoofd, een arm, de forse billenpartij. Daartussen wacht Dejanira op haar man, die vanwege die twaalf werken al een tijdje van huis is. In zijn allerlaatste krachtsinspanning heeft Hercules een stad verwoest, alleen maar omdat hij de daar wonende koningsdochter Iole voor zichzelf wilde. Bij zijn thuiskomst voert hij haar als belangrijkste buit mee. De jaloezie-kiemen zijn gezaaid. Uiteindelijk hoopt Dejanira de liefde van Hercules terug te winnen met een betoverde mantel die zij ooit van de centaur Nessus kreeg. Die mantel wordt Hercules fataal. Dejanira verliest haar verstand, Hercules sterft een gruwelijke dood en wordt in de godenhemel opgenomen. Het herstelde marmeren beeld wordt vanuit de coulissen opgereden.

Bij Bondy is Hercules een wat lachwekkende bruut, die bij thuiskomst zijn vrouw geen blik waardig gunt en bij het feestelijke triomfkoor een appeltje gaat schillen. In zijn pafferige aria in de tweede akte maken de vrouwen – Dejanira incluis – hem en zijn machismo behoorlijk belachelijk. Bondy’s enscenering is niet vrij van ’moderne’ clichés (een naar beneden dwarrelend voordoek, koorzangers die dreigend-frontaal de zaal inzingen, personages die blootsvoets gaan in flodderige jurkjes met een legerjas erover), maar concentreert zich mooi op de hoofdzaken.

Ann Hallenberg heeft een indrukwekkende stem, maar mist theaterpersoonlijkheid. Haar Dejanira nam geen bezit van de bühne en haar waanzinsscène ’Where Shall I Fly’ ontbeerde grandeur. Deze geniale scène van Hündel kan en moet veel overtuigender, zoals Anne Sofie von Otter een paar jaar geleden bewees in de superieure uitvoering in het Concertgebouw. De dirigent toen was Marc Minkowski en hoewel zijn collega Christopher Moulds dinsdagavond gedegen en precies dirigeerde, miste hij toch Minkowski’s stuwende doelgerichtheid. Die prachtige en melodieuze baslijnen componeerde Hündel niet voor niets.

Onder Moulds speelde het Londense orkest St. James’s Baroque (met nu aardig wat Nederlandse musici in de gelederen) naar behoren, al liep het soms scheef tussen bak en bühne. Het ingekrompen Koor van de Nederlandse Opera overtuigde ook al niet helemaal, waardoor het koor ’Jealousy! Infernal pest’ – die andere geniale Hündel-inval – wat in de lucht bleef hangen. Maar toen de koorzangers hun kleurige kledij geleidelijk hadden verruild voor stemmig zwart, zongen ze ’The world’s avenger is no more’ wel erg mooi.

De vocale bezetting was verder behoorlijk op peil met een verrassend goede Hyllus van tenor Ed Lyon, een bulderende Hercules van Nathan Berg en Charlotte Hellekant als Lichas. Ingela Bohlin (Iole) behoorde tot de oorspronkelijke cast in 2004 (die uitvoering verscheen op dvd). Zij was nu de enige met de echte Hündeliaanse grandeur van toen.

Peter van der Lint

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden