Iets wat liefde heet

Omdat zijn protagonisten veelal een zwervend bestaan leiden, duurde het even voordat Marcel Möring begreep dat juist huizen de kern van zijn romans vormen. „Ze zijn de narratieve haven, de psychologische bron, de plaats waarnaar men terugkeert, de hoeders van geschiedenis en, dus, geheim.”

Buiten, achter het raam, hangen de toppen van de bomen als netten in de lucht en achter de boomkruinen glijden de wolken voorbij. Ik herinner mij het eerste gedicht dat ik ooit schreef. 1970, twaalf, dertien moet ik zijn geweest, in de brugklas van de middelbare school. Ik werd midden in de nacht wakker. Na een paar minuten knielde ik op het hoofdeinde van mijn bed, schoof de gordijnen open en keek naar buiten. We waren niet lang daarvoor naar deze plaats in het Noorden verhuisd en in afwachting van een geschikt huis waren we terechtgekomen in een knisperverse nieuwbouwwijk. En dat was wat ik door het raam van mijn slaapkamer zag: blauwig maanlicht op een smetteloze nieuwe straat, een rijtje even smetteloze geelbakstenen nieuwe huizen aan de overkant, fonkelnieuwe lantaarnpalen langs de weg die zacht schijnsel op de kaarsrechte trottoirs lieten vallen. Geen spoor van leven. Een kijkdoos. Na een tijdje verliet ik het bed, ging aan mijn bureautje zitten en schreef een gedicht dat toepasselijk ’Nacht’ was getiteld. Waarom ik het schreef weet ik niet meer. Ik neem aan om mijn puberale gevoelens van existentiële eenzaamheid vorm te geven, om een overlopend gemoed te luchten. Ook, denk ik, nee: vooral, als een reflectie van mijn wanhopige verliefdheid op Janny, die twee straten verderop woonde en op dezelfde school zat.

Door het raam waarachter de boomtoppen scherp afsteken tegen de lucht zie ik niet alleen het raam uit mijn jeugd, waarachter het nacht is in een onaangedane nieuwbouwwijk, maar ook een ander raam, een van nog langer geleden: een raam uit 1961.

Ik lig in een tweepersoonsbed en het venster links van mij staat open. Er hangt een dun lichtgeel gordijn voor dat zachtjes bolt op een binnenwaaiend lentebriesje. Ik lig in het bed zoals een zwemmer op zijn rug drijft, gedragen door het zwellende en weer slinkende water. Ja, het bed zelf lijkt onderhevig aan een tij. Het bed en het bollende en weer slinkende gordijn... alles zwelt en slinkt en golft en krimpt. De hele wereld is een zee.

Van beneden, uit de keuken, over het binnenplaatsje, komt de stem van mijn grootmoeder. Muziek waait in flarden naar binnen:

Let me tell you ’bout the birds and the bees

And the flowers and the trees

The moon up above

And a thing called love

(Ik vertel je over de bloemetjes en de bijen

en de vogels en de bomen

de maan hierboven

en iets wat liefde heet.)

(The Birds and the Bees, Jewel Atkins, 1961)

Wind ruist door de walnotenboom op de binnenplaats, zonlicht speelt door de kier in het gordijn en rimpelt over het behang en de lucht is doorschoten van licht, fijne goudkleurige stofjes zweven in de lucht, alles flonkert en fonkelt en schittert.

Nunc dimittis* Et in arcadia ego... De Boeddha onder zijn boom, maar dan in Enschede in 1961 en hij is vier of vijf jaar, hij heeft twee kruinen en draagt een bril.

Dit is het huis van mijn grootmoeder aan de IJsbaanweg in Enschede, hoog gelegen op de dijk langs de haven van het Twente-Rijnkanaal. Achter het huis, achter dat raam, is het binnenplaatsje met de notenboom die mijn grootvader en ik een paar jaar later zullen omhakken.

Die zonnige kamer uit 1961... Ik heb geen idee wat ik daar doe. En het is onmogelijk om aan die pastorale herinnering terug te denken zonder nu, vijfenveertig jaar later, te beseffen dat mijn grootouders niet mijn grootouders zijn maar de onderduikouders van mijn moeder. Het zal op dat moment, in 1961, nog een hele tijd duren voor mij dat wordt onthuld. Dat gebeurt pas als ik een jaar of tien ben en op een keer na het spelen thuiskom en mijn moeder in de keuken vraagt wat ik die middag heb gedaan. In mijn onschuld antwoord ik dat we door een openstaand kelderraampje de berging van een flat zijn binnengeslopen en daar ’het goud van de Joden’ hebben gevonden. Zo heeft een van de andere jongens het genoemd en voor mij leek dat genoeg op Winnetou en Old Shatterhand om te vergeten dat inbreken strafbaar is. Het goud van de Joden, zeg ik, en mijn moeder bevriest in haar beweging en draait zich pas na wat een lange tijd lijkt om. Ik besef dat ik mijzelf heb verraden. Merkwaardig genoeg roert ze de inbraak niet aan. In plaats daarvan zegt ze, als ze eindelijk de stilte verbreekt: „Marcel, je bent zelf een Jood.” Ik bekijk haar met een ongeloof dat grenst aan verbijstering.

Jood?

Ik heb dan al een aantal jaren doorgebracht bij het licht van de zaklantaarn, lezend in het Oude Testament. Waar andere jongetjes van zeven, acht, negen stiekem de Donald Duck lezen of ’Pietje Bell’, dat Rotterdamse ettertje waar ik als kind al een pesthekel aan had, lag ik onder de dekens te lezen over de zondeval, de engel met het wentelende zwaard, Noach en de zondvloed, Abraham voor Sodom en Gomorra, Jakob en Esau en de eenzame Jozef in Egypte. Joden? Praat me er niet van. Ik weet alles over Joden. Nacht na nacht trek ik met ze door de woestijn op een zoek naar een thuis. Het Oude Testament is mijn nachtelijke wereld en daar wandel ik aan de hand van God. En hoewel die nachtwereld echt is, weet ik ook dat zij tegelijkertijd niet echt is, dat het werkelijke leven overdag is en het verhaal ’s nachts en...

Joden, dat zijn sprookjesfiguren uit een verhaal... of zoiets als dinosaurussen, Inca’s... rendierjagers... Een mythisch gegeven uit de geschiedenis... Een verhaal. Het sprookjesvolk van God, de God in wie ik als tienjarige als enige in dit geseculariseerde gezin volledig en met overgave geloof. Met hetzelfde onvoorwaardelijke, sprookjesachtige geloof als in Old Shatterhand en Winnetou, weliswaar, maar toch...

In het uur dat volgt vertelt mijn moeder een verhaal dat een groot aantal gebeurtenissen in mijn leven in een volledig ander licht plaatst. En niet alleen die gebeurtenissen. Ook mijzelf.

Als zij is uitgesproken ben ik niet meer wie ik ben. Ik ben iemand die na een reis is thuisgekomen, maar het huis van waaruit hij vertrok is er niet meer. Sterker: nu hij daar is aangekomen, weet hij niet eens meer zeker of het er ooit is geweest.

Was alles een droombeeld, een constructie die is opgetrokken om mij te doen geloven in... ja, in wat? Een schijnwereld?

Ik voel mij na dat uur als iemand die over zijn schouder kijkt naar de weg die hij heeft gelopen en die niet herkent.

Iemand die wakker is geworden uit een droom over wie hij was en waar hij leefde, dat ben ik.

Ik had twee romans gepubliceerd, mijn debuut ’Mendel’ en de roman die mij de AKO-prijs bezorgde: ’Het Grote Verlangen’, toen een kennis vroeg waarom die boeken over huizen gingen.

„Huizen?”, vroeg ik, in de veronderstelling dat ’Mendel’ ging over de merkwaardige hoofse liefde van de merkwaardige jonge Jood Mendel Adenauer voor de minstens zo merkwaardige Anna van Twickel tot Dinkeloo en ’Het Grote Verlangen’ over de zoektocht van drie wezen, de tweeling Sam en Lisa en hun oudere broer Raph, naar het geheim van hun jeugd.

Ik had toen al kunnen weten dat de schrijver maar zelden iets over zijn eigen boeken te vertellen heeft.

Per slot van rekening had ik mij er bij mijn debuut nogal over verbaasd dat dat boek enthousiast werd onthaald als ’de definitieve tweedegeneratieroman’. Als ik iets niet had gewild!

Maar ik geef toe dat Mendel helemaal geen hoofse liefdesgeschiedenis is die zich een gedroomd Twente afspeelt, maar, inderdaad, een tweedegeneratieverhaal in de vorm van een modernistische Bildungsroman.

Maar hoezo huizen?

Het duurde een paar jaar voor ik dat begreep, voor ik begreep dat het nog veel erger is, dat al mijn boeken over huizen gaan. In ’Mendel’, ’Het grote verlangen’, In ’Babylon’ en ’DIS’ staan vier huizen ostentatief ’thuis’ te zijn. Huizen zijn de kern van die romans, ze zijn de narratieve haven, de psychologische bron, de plaats waarnaar men terugkeert, de hoeders van geschiedenis en, dus, geheim. Het ergste is dat ik dat al had kunnen weten toen mij die vraag werd gesteld. In ’Het grote verlangen’ komt nota bene een verkapt literair programma voor waaruit precies dat blijkt.

Een van de karakters vertelt protagonist Sam van Dijk dat hij afstudeert op de gedachte dat de basisfiguur van alle literatuur een Exodus- en Odysseeschema is.

Hij zegt: ’Het is een oedipaal patroon: men verlaat het ouderlijk huis om de wereld te ontdekken, om volledig mens te worden. [...] Met het verlaten van het huis waarin men opgroeide, met de scheiding van de jeugd, groeit het verlangen naar dat huis, naar die jeugd, want tijdens de odyssee wordt één ding duidelijk: men raakt zijn onschuld kwijt. Men bezit door eerst te verliezen.’

Ja, dat is het idee dat ten grondslag ligt aan mijn romans. Maar het is ook een schema dat ik nooit heb bedacht of bewust heb vormgegeven, met steeds een huis als middelpunt van de narratie.

„Huizen?”, riep ik verbaasd toen die vage kennis mij die vraag stelde, maar ik moet bekennen dat ik toen al onraad rook.

Inderdaad, huizen.

Maar, in godsnaam, waarom? Wat heb ik met ze? Of gaat het soms meer om thuis?

In zijn magnum opus, ’Earthly Powers’, vertelt Anthony Burgess over het leven van de tweederangsschrijver Kenneth Toomey, een kruising van Somerset Maugham, Burgess zelf en een aantal andere minor writers uit de afgelopen eeuw. Toomey is, in het Engeland van de vroege twintigste eeuw, homoseksueel, middleclass en katholiek en dat is in die tijd en op die plaats misschien wel de ongelukkigste combinatie die je kunt bedenken. Nadat Toomey zichzelf in een vlaag van onkarakteristieke moed en solidariteit in het openbaar bestempelt tot een van diegenen wier ’love dares not speak its name’ ontvlucht hij Engeland en brengt de rest van zijn lange leven door in vrijwillige ballingschap. Dan, op zeer gevorderde leeftijd, als ’balling’ woonachtig op Malta, komt hij tijdens een ambassadefeestje een Britse dichter tegen die hem vraagt wanneer hij eindelijk weer eens ’naar huis’ komt.

Home... Het woord hangt als bronzen klokkengalm in de lucht.

Eenentachtig is Kenneth Toomey als hij dat woord hoort. Zijn ogen prikken en hij herinnert zich zijn leven, een leven dat niet veel meer was dan een zestigjarige reis weg van huis, een reis die uiteindelijk leidde naar ...home... huis... thuis.

Is dat hetzelfde thuis als in het pastorale beeld van het bed van de grootmoeder waarin op een zonnige ochtend een vijfjarig jongetje ligt en van over de binnenplaats een liedje over de bijtjes en de bloemetjes hoort? Als dat zo is, waarom is het dan niet het huis van mijn ouders, een van de vele huizen die ik met hen bewoonde? Waarom herinner ik mij het huis van de grootmoeder die niet mijn grootmoeder was, een voorouderlijk huis dat dat niet is, maar de droom van een voorouderlijk huis, de illusie van een continuïteit die er nooit was? Is huis, thuis, dan eerder niet-thuis, het verhaal van thuisloosheid? Schrijf ik over huizen omdat ik een zekere thuisloosheid voel?

De protagonisten van mijn romans zijn geen zwervers. Het zijn nette mannen, met toilettassen waarin een deodorant van Chanel zit en misschien zelfs een aftershavebalsem. Maar allemaal, Mendel Adenauer en Sam van Dijk, Nathan Hollander, Marcus Kolpa, Jakob Noach, allemaal zijn ze ondanks hun aangepastheid, hun assimilatie, thuisloze nomaden die nergens echt wonen en van de ene plaats naar de andere trekken.

Het merkwaardige is dat ik ze dat nooit wilde laten zijn. Nee, ze werden zo. Zij zijn waar het boek zichzelf vertelde en de schrijver volgde.

Die thuisloze protagonisten van mij hebben ondanks hun fysieke en mentale nomadisme een krachtige band met ’thuis’.

Wat vind je in een huis? Wat vind je thuis? Bescherming en beschutting, natuurlijk. De veilige haven van waaruit je de wereld in trekt. De geschiedenis in de vorm van de parafernalia die mensen zoal om zich heen verzamelen en waarmee ze het verhaal van hun leven en de levens voor hen illustreren: foto’s van ouders en voorouders; klokken, boeken, schilderijen, meubelstukken die geërfd zijn. Waar je slaapt en eet, dat is thuis. Waar de eerste liefde in je leven woont: de onbaatzuchtige liefde van familieleden voor elkaar. Het is het oord dat je verlaat en moet verlaten, waarnaar je terugkeert als het buiten stormt, of soms alleen maar met een zak was. Waar je komt treuren na een mislukte liefde, waar je een ziekte overwint. Ja, haven, beschutting, veiligheid, warmte, een constante in de turbulenties van het leven der grote mensen. Thuis is ook veiligheid, of op zijn minst de verwachting van veiligheid.

Ik som deze associaties op zonder het filter van de redacteur die de schrijver ook is. Dit is wat in mij opkomt. Dit is ook wat ik zelf nauwelijks zo ervaar, heb ervaren, bij die begrippen. Sterker: nu, na vier romans en de langzame ontdekking waar die boeken eigenlijk over gaan, moet ik concluderen dat ik misschien al schrijvend een huis maak, een ’thuis’ met familiegeschiedenis, generaties, een haardvuur, erfstukken, god-weet-wat. De fictie van mijn eigen geschiedenis, waarin ik niet was wat ik was en de mensen om mij heen niet bleken te zijn wat zij waren, die fictie heeft mijn fictie gebaard.

Het was niet de reden waarom ik begon te schrijven (een schrijver schrijft omdat hij wil schrijven, niet om de onduidelijkheden in zijn leven op te lossen), maar zoals ze in Rotterdam-West gaan boksen en zoals zwarte Amerikanen in de muziek of de atletiek terechtkomen, zo kan een jongen met twee kruinen en een merkwaardige Joodse identiteit en een vreemd idee over het fictieve gehalte van zijn leven, zijn plaats in deze wereld en de mensen die daarin rondlopen, tot de literatuur komen.

Hier moet ik terugkeren naar ’Ulysses’ van James Joyce. Die roman bevindt zich letterlijk en figuurlijk tussen de twee polen van thuis en is daartussen een zwerftocht, zoals het ook in ’Het Grote Verlangen’ gepostuleerd wordt.

Het boek begint met de herinnering aan een nachtmerrie die twee onderliggende thema’s vertegenwoordigt: de angst voor het dierlijk-seksuele en het ’verraad’, zoals Joyce het later zou noemen, van zijn vriend Gogarty. ’Ulysses’ eindigt met een half-droom, de ’incoherent babble of a woman going to sleep’ zoals de beroemde stream of consiousness van Molly Bloom wel is omschreven.

Als hoofdstuk Een omineus opent met de nachtmerrie die Stephen Dedalus, voor het eerst op eigen benen, diepe schrik aanjaagt, kunnen we Molly’s trage dobberen in haar grote bed kenmerken als een zoete thuisdroom. Is de nachtmerrie gekleurd door mannelijke angst voor seksualiteit, dan is Molly’s slaperige, half-bewuste monoloog een regelrechte viering van seksuele vrijheid. Ook nu nog, in onze moderne tijd, is die meanderende tekst niet alleen een literaire, maar ook een seksuele openbaring. Molly is een vrouw met een seksuele identiteit, een vrouw met initiatief, een vrouw die zich beklaagt over de bekrompen mores van Ierland die haar niet toestaan een man te zoenen als zij daar zin in heeft en die met hartstocht en plezier spreekt-denkt over fellatio, masturbatie, overspel en verleiden. Molly’s woord, het laatste woord in ’Ulysses’, is Yes. Het is een bejahende tekst: ’[*] and yes I said yes I will Yes.’

Je kunt zeggen dat ’Ulysses’ de spanning is tussen twee polen, het afwerende ’nee’ van de angst en de verstikkende mores – de nachtmerrie, met andere woorden dat wat Stephen uit bed jaagt – en het omarmende, lichamelijke ’ja’ van de zoete droom van vrijheid, geborgenheid en veiligheid in het warme bed van Molly. In ’Ulysses’ is de wereld waarin wij leven een ruimte die zich bevindt tussen de pool van hel, waar wilde dieren jagen, en de zoete droom van het paradijs, waar de vrouw, Molly, thuis is.

Die laatste vorm van thuis ligt achter de tocht door de wereld. Dat is waar Odysseus, het voorbeeld voor Joyce’s roman, tien jaar naar verlangt, waarheen hij reist, maar steeds weer vanaf wordt gehouden, en zich vanaf laat houden. Dat is Ithaca.

Odysseus is in de bloei van zijn leven – en in de klassieke tijd moet hij een voor onze begrippen jonge man zijn geweest – als hij scheep gaat naar Troje. Daar voert hij tien jaar strijd. Het is deze strijd die hem vormt als man, die een man van hem maakt. Dan, gegroeid, herkend en opgenomen door de andere mannen, gaat hij terug naar huis, een tocht die hem nog eens tien jaar zal kosten. Hij komt aan als een, voor klassieke Griekse begrippen, oude man.

In die twintig jaar heeft hij gestreden als een jonge man, hij heeft vrienden verloren, macht en aanzien verworven en is wijzer geworden. Onderweg naar huis worstelt hij nogmaals, maar nu veeleer met wat wij zouden herkennen als freudiaanse elementen: de tovenares die hem en zijn mannen bedwelmt, de cycloop die hen dreigt te verzwelgen, de zang van sirenen, de gevaarlijke engte van Scylla en Charybdis. Het is niet alleen zo dat het lot, in al zijn Griekse grootsheid, hem van de weg naar huis leidt, hij handelt zelf ook. Dat wil zeggen: hij is er zelf meermalen de oorzaak van dat zijn weg naar huis wordt verlengd en vertraagd.

Maar eindelijk, na tien jaar zwerven, arriveert hij. De held voelt zich genoodzaakt zijn huis in vermomming te betreden, omdat het paleis wordt bevolkt door jonge mannen die allemaal naar de gunst dingen van Penelope, zijn vrouw, die hij twintig jaar niet heeft gezien. Niemand herkent in de ’armzalige oude bedelaar’ de koning die hij in werkelijkheid is. De vrijers in het paleis beledigen hem en dagen hem uit. Zijn oude hond, een representant uit zijn ’jeugd’, herkent hem wel. En dan is er nog die andere vertegenwoordiger uit zijn verleden, zijn oude voedster, die hem herkent aan een oud litteken.

Als de Odyssee iets is, dan het verhaal van de tocht door het leven. Als jonge vorst en heerser over zijn rijk en zijn familie ontdoet Odysseus zich na zijn vertrek in rap tempo van alles wat liefde, geluk en geborgenheid vertegenwoordigde: zijn vrouw, zijn huis, zijn zoon, zijn land. Aangekomen voor Troje betreedt hij de wereld van de mannen, waar macht, geweld, status, vriendschap en bedrog de belangrijkste elementen zijn. In moderne termen kun je zeggen dat Odysseus carrière maakt en zich tussen de andere carrièremakers moet bewijzen en staande houden. Als Troje uiteindelijk door zijn list valt keert hij terug. Maar het lukt hem niet de weg naar huis te vinden. Voortdurend doemen nieuwe obstakels op, die hem wegvoeren van de liefde, het geluk en de geborgenheid van vroeger die hij zoekt. Het huis waarnaar hij zo verlangt, de vrouw die zijn koningin is, dat is een wijkend perspectief.

Odysseus ontdekt dat de terugweg langer is dan de heenweg, niet het minst omdat zoveel dat gewonnen leek – prijzen, geld, aanzien, macht – nu van geen betekenis lijkt en hij op niet veel meer is aangewezen dan zijn verlangen, zijn verstand en zijn vermogen om steeds weer door de chaos, dat Scylla en Charybdis, te geraken.

Hij mag dan niet als een psychologisch gerijpt karakter uit zijn beproevingen komen en eenmaal thuis jaloersmakend recht van lijf en lijden zijn (als hij die bedelaarsmantel eenmaal heeft afgelegd), wij moderne lezers kijken daar wel overheen en zien een man die De Tocht heeft gemaakt. De vroegwijze slimme strijder, die Stephen Dedalus, is nu een gelouterd man die heeft geleerd dat alles niets is, zeg maar: een wandelende Jood als Leopold Bloom of mijn Jakob Noach.

Odysseus vangt zijn tocht aan als iemand met macht en aanzien, een koning. Hij is welgesteld en heerst over zijn rijk. Hij is iemand die iets voorstelt in de ogen van anderen, ruim voorzien van bezittingen. Twintig jaar later, als hij vermomd als bedelaar zijn paleis betreedt, is hij alleen nog maar iemand die, in schopenhaueriaanse zin, ’is wat hij is’. Daarom wordt hij herkend door zijn hond, die immers niet maalt om aanzien en bezit, en zijn voedster, voor wie hij nog altijd het kind is dat hij ooit was en die hem ook zo begroet.

De Odyssee leert ons dat verliezen niet gevreesd moet worden, maar juist een kenmerk is van de weg en dat het leven geen streven dient te zijn naar welstand en status, maar naar die staat van zijn waar alle bezittingen (of dat nu geld is, vrouwen, macht of kennis) irrelevant zijn geworden. Wat telt is wat men is. Dan pas wordt ook herkend wie men is, aan littekens, aan oude banden en levenslange loyaliteiten.

De Engelse schrijver Frederic Raphael schreef over het gevoel van thuis bij de niet-gewortelde, dat hij (als in die tekst van Pico della Mirandola) geen plaats heeft tussen de anderen. Dat deed hij in ’The glittering prizes’, het script voor een televisieserie die halverwege de jaren zeventig in Engeland en Nederland op de televisie kwam.

Ogenschijnlijk behandelt ’The Glittering Prizes’ de wederwaardigheden van een aantal jonge Britten dat in de vroege jaren zestig aan Cambridge studeert. Maar de werkelijke hoofdpersoon is vooral de Joodse Adam Morris, een briljant causeur, een scherpe geest, later schrijver, gewaardeerd en bewonderd door velen. Zijn beste vriend en kamergenoot, Donald, behoort tot de Engelse adel. Ze kennen elkaar al een tijdje als Adam op het voorvaderlijke landgoed te logeren wordt gevraagd.

De eerste avond gaat het gesprek aan tafel over investeren. Donald’s oom Kenneth, die priester is, merkt op dat hun vader een notoir slecht oog voor dat soort zaken had. Lady Francis, de moeder van Donald, antwoordt: „Je weet er niets van. Een advocaat heeft hem verkeerd geadviseerd. Waarschijnlijk om een mede-Hebreeër een dienst te bewijzen.” Dat is het moment waarop Adam Morris de tafel verlaat.

In de hal wordt hij ingehaald door Lady Francis’ echtgenoot. Hij weet Adam mee te krijgen naar de bibliotheek, verontschuldigt zich daar voor de domheid van zijn vrouw, hij zegt dat dat komt omdat Donald binnenkort zal sterven.

Adam blijft.

De volgende dag zit hij in de bibliotheek en schrijft een brief aan Barbara, zijn toekomstige vrouw. Deze zinnen komen daarin voor: „I have no place in this country as they have one. My only place is between your legs, that’s my only country. The only place I can plant my flag and feel at home.”

Het mag banaal klinken, het is minder gratuit dan je zou denken. Odysseus is weggegaan en na twintig jaar teruggekomen en wat is het conflict bij zijn terugkeer? Niet de verovering van zijn paleis, niet zijn positie als heerser en koning, maar de liefde van zijn vrouw. Het is wat Jakob Noach halverwege mijn roman ’DIS’ tegen een verbijsterde Marcus Kolpa zegt als ze ’een gesprekje’ hebben. Noach, de zakenman die de halve stad bezit, die alleen is en ongenaakbaar lijkt, die Jakob Noach zegt in zijn schamele kantoortje tegen de vrijer van zijn jongste dochter: „Er is maar één ding. Liefde.” De man die zelf een leven zonder liefde leidt, uitgerekend de man die als een soort Joodse Dante door de hel loopt, Odysseus-Schmodysseus Noach, de man wiens leven na de oorlog leek te worden gevoed door een eindeloze honger naar wraak en Wiedergutmachung, die man zegt aan het einde van zijn levensreis tegen de jonge Marcus Kolpa dat er maar één ding is in het leven en dat is liefde. De Odyssee maakt duidelijk waar het epicentrum van die liefde ligt: in Ithaca, thuis, ’between your legs, [...] my only country. The only place I can plant my flag and feel at home.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden