Iets van Oetker

Hoeveel gedichten zien er niet geheimzinnig, hermetisch uit? Je begrijpt ze niet helemaal, wat bedoelt de dichter? Je tracht zijn taalgebruik te ontwarren, zijn symbolen te duiden, je kent de achterliggende cultuur niet of de tijd heeft zijn bedoelingen verduisterd. Kortom, je staat erbij en kijkt ernaar: het moeilijke gedicht. 'Iets van Oetker' van Mustafa Stitou is niet zo'n gedicht, het is open en toegankelijk; toch bevat het misschien iets wat je niet direct ziet.

Toen Stitou zich in 1994 in de Nederlandse literatuur aandiende viel hij op door zijn jeugd, twintig jaar, en zijn afkomst, hij was de eerste dichter in Nederland van Marokkaanse afkomst. Zijn gedichten speelden zich dan ook af op het breukvlak van twee of zelfs drie culturen: ze gingen over Nederland maar ook over een Marokkaanse jongen in Nederland en verder over het onbekende Marokko, dat in Noord-Afrika. Opvallend verlicht klonk hij: het geloof en de cultuur van zijn vaderen, de islam, was hem net zo lief, alledaags en vreemd als leven in Amsterdam. Misschien dat zoiets ons vertedert, poëzie van islamitische afkomst die zich niet fundamentalistisch opstelt of met de jihad zwaait, maar de open kant van een als gesloten gevoelde cultuur belichaamt.

In zijn tweede bundel, waaruit 'Iets van Oetker' komt, staat niet langer de kruisbestuiving tussen Marokkaanse en Nederlandse cultuur op het programma, maar de individuele blik van de dichter en de vindingrijkheid van de taal. Het is een bundel van een Nederlandse dichter.

'Mijn vormen' heet die eerste bundel uit 1994 en 'Mijn gedichten' de tweede uit 1998. Titels die erop wijzen dat de dichter zich niet voor zijn ego schaamt. Stitou schrijft een divers soort poëzie: ingewikkelde gedichten, vol typografische complicaties, maar ook gedichten die er transparant, praterig en anekdotisch uitzien. Hij trekt diverse registers open. 'Iets van Oetker' behoort tot die sector goed toegankelijke gedichten. Het staat in een afdeling 'Universeel' en dat woord komt terug in het gedicht 'Euroshopper', dat een boodschappenlijstje van deze ondermodale kruideniersschappen geeft en eindigt met 'Scheermesjes universeel'. Grap en boodschap ineen: het tijdelijke is identiek aan het universele. Bijvoorbeeld in de supermarkt, consumentenplek van onze tijd. Het heeft lang geduurd voor de Nederlandse dichtkunst daar boodschappen ging doen. Albert Verwey schreef erover:

'k Word al te toornig van 't door 't volle marktvolk lopen:

Leeg'hoofden, bung'lend boven volle buiken.

Hun mond stinkt dwaasheid uit als vunze kruiken;

Munt vuilt hun handen, die al kleinheid kopen.

Die elitaire afkeer van locaties als markten en winkels had te maken met het symbolistische gedachtengoed: dat je achter verscheidenheid naar eenheid moest zoeken en dat juist de natuur, niet het jachtige en voorbijgaande, beelden en motieven leverde die de psychische waarheden van de mens het best weergaven. Natuur en geest waren één, had Hegel al vastgesteld. En de dichtkunst gedroeg zich als een religie die dat uitdroeg.

De echte poëtische emancipatie van het winkelbedrijf komt met Gerrit Achterberg die in 'Ode aan Den Haag' drie warenhuizen achter elkaar bezoekt, 'Gerzon', 'Galeries modernes' en 'Bijenkorf'. Maar Achterberg bewoog nog niet als klant, integendeel, hij ervoer er een soort mythologische queeste: 'De diepten van de warenhuizen in / ben ik op weg gegaan om u te vinden'. Pas tegenwoordig zijn winkels als op zichzelf boeiende locaties geaccepteerd. Bij dichters als Robert Anker en Martin Reints bezoek je ze geregeld, naast buitenwijken, busroutes, kantoorgebouwen. Een karakteristieke regel van Martin Reints: 'bijenkorf is je bestemming / roltrappen / kassa's'.

Maar bloemlezingen die zulke bijdetijdse motieven cartograferen, zijn er nog nauwelijks. Je hebt ze over het kind in de poëzie, de liefde, de stad, het afscheid, de natuur, de muziek, het landschap. Maar niet over winkelen, computer, televisie. Geen bloemlezing waarin Stitou's supermarktvers zou passen.

Opvallend is de merknaam in de titel: Oetker, een bekend bakprodukt, dat overigens (Duits) als Utker moet worden uitgesproken maar juist door zijn Nederlandse uitspraak Oetker hier een bepaalde kleur krijgt.

Merknamen te over in de dichtkunst; beroemd werd 'Singer naaimasjien' van Paul van Ostaijen. Natuurlijk verwijzen zulke woorden je naar produkten buiten de wereld van het gedicht. Maar ik geloof dat het niet zozeer realia zijn, gebruikt om de authenticiteitsillusie te versterken. Nee, ze doen veeleer dienst als een soort gratis gevonden toverwoorden. Met hun klanken suggereren ze meer dan het blote produkt. Van Ostaijens Singer is een muzikaal element. En zo tref je bij K. Schippers een gedicht 'Tweemaal James Grieve' aan, vanwege de suggestieve appelnaam. Robert Anker illustreerde er in zijn bundel 'Van het balkon' zelfs een hele afdeling mee; 'Koga Miyata', heet er een gedicht naar een Japans fietsmerk, en 'Massey Ferguson', Bel-Air', 'Mogadon'. Mooiklinkende woorden zijn het, magische spreuken.

En dan Stitou zelf, in 'Euroshopper': 'Breakfast Tea / Bordeauxtje' of 'Liebfraumilch // IJsbergsla Alaska / koolvisfilet'. Zulke merknamen klinken alledaags en exotisch ineen: ze geven het gedicht een hyper-realistisch maar ook exotisch air. Dichters houden van de suggestie van woorden, het klankspel. Ida Gerhardt schreef het gedicht 'Grave beneden de Sluijs' om de klank van die plaatsnaam en Gerrit Achterberg dichtte over het plaatsje 'Hulshorst': 'als vergeten ijzer is uw naam'.

Oetker is bijna een eponiem, zoals Vim, een soortnaam voor pannenkoekenmeel. Het staat voor huisbakkenheid, door wat het vertegenwoordigt maar ook door de klank die je misschien met ploeteren of Oeteldonk associeert. Het woord heeft een volstrekt onmetafysische uitstraling en een gedicht dat 'iets van Oetker' heet voert ons onverbiddelijk naar het alledaagse.

Het gedicht opent uit het niets. Plots gebeurt iets of liever gezegd gebeurt iets niet en ontstaat een geheim: iets van Oetker geeft zich niet prijs. Die formulering 'zich niet prijsgeven' heeft in deze omgeving een dubbele lading, het voorwerp verraadt zich niet maar ook letterlijk: het laat zijn prijs niet zien. Die plotse geheimzinnigheid brengt van alles teweeg, te beginnen met 'ik zie', waarop door de volgende witregel nogal wat nadruk valt. Om het gewichtig te zeggen: de onzichtbaarheid van het ene brengt zicht teweeg op het andere.

In die eerste acht regels wordt duidelijk waar we ons bevinden: voor de kassa van een supermarkt, waarin een produkt is blijven steken. De hoofdpersoon ziet vervolgens van alles: de rechtenstudent die iets mompelt wat de kassajuffrouw in beeld brengt, die op haar beurt een actrice oproept. De 'ik' begint een inspectie, die je in filosofische termen kunt zien als 'fenomenologische reductie': hij zet wat hij ziet tussen haakjes, schort zijn oordeel op.

Hoe weet de 'ik' trouwens dat het een rechtenstudent betreft? Dat weet hij natuurlijk niet; de verschijning doet hem er slechts aan dénken - hij herkent het produkt aan het merk. Onmiddellijk krijgt de taal iets formeels en juridisch: 'de rechtenstudent van wie de zuivel nog niet is'. 'Zuivel' voor misschien een pakje melk is een produktnaam die naar officiële taxonomieën verwijst; en ook de formulering 'van wie de zuivel nog niet is' is een over-exacte aanduiding van het feit dat de student zijn waar nog niet heeft afgerekend en dus niet wettelijk bezit. Het lijkt geformuleerd als een casus voor de rechtbank. De koper wordt getypeerd met het taalgebruik uit zijn vermoedelijke omgeving.

Via het gemompel van deze juridische figuur komen we bij de caissière, puber maar met het uiterlijk van de Amerikaanse actrice Shelley Winters, waar ze innerlijk weer van verschilt want ze is 'onverstoorbaar'. Wie van films weet, weet dat Shelley Winters juist niet onverstoorbaar is maar een icoon voor gekwelde vrouwen, overspelige matrones, de moeder van Lolita.

Zo gemakkelijk leert men onbekenden niet kennen. De een is mogelijk rechtenstudent, de ander heeft alles weg van een puber maar ook van zekere filmster en toch weer niet. Het blijft giswerk: je probeert mensen thuis te brengen maar wie rondkijkt ziet overal raadsels, onzekerheden, tegenstrijdige eigenschappen.

De caissière is 'onverstoorbaar'. Dan volgt een witregel en begint een nieuwe episode. Daarin blijkt ze nog steeds 'onverstoorbaar'. Zoals de rechtenstudent werd neergezet in juridisch-formele halen, zo wordt de kalmte van de caissière formeel benadrukt door de onverstoorde herhaling van het woord 'onverstoorbaar'. Ondanks de klare, doorzichtige taal is dit vertellende, anekdotische gedicht heel zorgvuldig in elkaar gezet.

In dit deel begint het groepje te bewegen en te reageren. Eén zegt in onvervalst Nederlands 'Krijg nou wat', wat door de 'ik' vervolgens wordt toegepast op een ander, 'de Latin lover', die op zijn beurt de aandacht doorgeeft aan een geamuseerde Chinees, terwijl de klant vóór de ik-persoon nu ook omkijkt en het meisje met de 'kirgiezenogen' uit de ijssalon blijkt.

Er is kortom sinds het stokkende pannenkoekenmeel een heel gezelschap ontstaan van diverse personages in een toevallig maar onontkoombaar verband. Door het lot verenigd. Ze zijn 'een tel bijeen', zoals de leerlingen op de klassefoto in het gelijknamige gedicht 'Klassefoto' van Gerrit Krol , met de slotregels 'wij waren, voor we heengingen / over de aarde, een tel bijeen'.

Midden in het leven getroffen te worden door willekeurige samenscholingen, waar je getuige en/of deelnemer bent, het is een karakteristiek motief in de hedendaagse poëzie, alsof de dichter zijn individualisme meet met het veelkoppige collectief: hij ontdekt vervreemding en verband.

In 'The Whitsun Weddings' van Philip Larkin is ook sprake van zo'n toevallige congregatie, ditmaal in een trein: 'en niemand dacht aan de and'ren, die hetzelfde uur / meemaakten, en nooit meer zien zij nog elkaar' noteerde de dichter, en je voelt dat hij ze in gedachten juist wel verzamelt.

Ook in het gedicht 'Carillon' van Tomas Tranströmer vraagt een hoofdpersoon zich bij het zien van een toevallige menigte af waartoe zij leidt:

Buiten trekt een wandelstraat voorbij met trage toeristen, snelle schoolkinderen, mannen in werk-kledij, rammelende fietsen aan de hand.

Zij die menen dat zij de wereld laten draaien en zij die menen hulpeloos rond te tollen in de greep van de aarde.

Een straat waar wij allen lopen, waar komt die uit?

Het collectieve botst met het individuele; door het zien van zo'n grotere groep onbekenden wordt de dichter zich bewust van een levensvraag. En dan Valéry Larbaud, Frans kosmopoliet uit het interbellum, die zich graag in onbekende menigten mengde om te ontdekken wie hij zelf was. In het gedicht 'Images' schrijft hij over zijn hunkering om contact met al die toevallige passanten: 'Ze kennen mijn naam niet, noch de tederheid van mijn hart en toch bestaan ze, leven ze nu!'

Ook in Stitou's gedicht komen mensen bijeen die elkaar niet kennen. Het wordt voor het oog veroorzaakt door een triviaal produkt maar wie goed kijkt ziet dat alles gezien wordt door de ogen van een 'ik' die zijn omgeving benoemt: hij is schepper van de situatie, bindmiddel dat van los zand een geheel maakt.

Nog iets valt op, we bevinden ons in een opvallend kleurrijk, multicultureel gezelschap. Niet toevallig heet een van de klanten een 'Latin lover', wat ons verwijst naar mediterrane culturen, verder is er een Chinees bij en vervolgens ook een meisje met 'Kirgiezenogen'. Een smeltkroes die mij persoonlijk onontkoombaar deed denken aan de Norman Rockwell-achtige plaatjes die in de kringen waar ik opgroeide, in omloop waren en waarop als toppunt van harmonie en aardse dan wel hemelse vrede alle rassen naast elkaar verenigd stonden, zwart naast bruin naast blank naast geel. Wie kent ze niet, die zoete plaatjes van de verloste mensheid?

Het is niet erg waarschijnlijk dat Stitou, van islamitische afkomst, zo'n christelijk plaatje wilde uitbeelden, maar als je je afvraagt waarom dit tafereel hem eigenlijk inspireerde dan moet het toch een soortgelijke sensatie zijn geweest: vreemden uit alle windstreken der aarde verenigd in dezelfde aandacht.

Het blijft overigens 'iets van Oetker', er volgt geen vrome bede, geen boodschap. Het is slechts beeld, de strekking wordt aan de lezer overgelaten. En tenslotte lost de situatie ook weer op: 'dan is de droge bedrijfsleider er // de band wordt gestart / de middelen moeten uit de mand'. De magie wordt verbroken. Het leven herneemt zijn gewone loop: gedaan met de wereld van Amerikaanse actrices, Latin lovers en nomadische ogen. Wat voor mij de seculiere versie van een religieus archetype was, is voor de dichter zelf misschien wel even de illusie geweest zich in een veelkleurige film te bevinden. Echt veel maakt het niet uit voor het besef van de vol- en veelheid van het bestaan, van zo'n moment van harmonie en eenheid, dat een Nederlandse dichter van allochtone afkomst trof die, schepper en schepsel ineen, in het alledaagse van de supermarkt het universele van de mensheid herkende en opriep.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden