Review

Iets tussen Freddy en Wim

Na de dood van Willem Frederik Hermans in 1995 is er heel wat ondernomen om zijn werk, en ook zijn leven, onder de aandacht te houden. Het Willem Frederik Hermans Instituut werd opgericht, dat een plan opgestelde voor de wetenschappelijk verantwoorde uitgave van zijn verzamelde werken. Willem Otterspeer kreeg, met instemming van de erven, de opdracht een biografie te schrijven, waarvoor hem de volledige toegang is verleend tot de privé-archieven van Hermans en andere betrokkenen. In 2000 vond in Amsterdam een drukbezocht driedaags Willem Frederik Hermans Festival plaats. Er verscheen een zo volledig mogelijke bibliografie van al zijn werken in alle verschijningsvormen. En vorig jaar kwam een soort gedenkboek uit, met herinneringen aan en beschouwingen over Hermans' leven en werk.

Die laatste uitgave is interessant, want er staat een aantal uitstekende stukken in, die het beeld van Hermans nuanceren. De herinneringen van Cees Nooteboom, H.J.H. Hofland, Hans Keller en Frans A. Janssen aan hun omgang met de gevreesde schrijver laten hem van andere kanten zien dan die in het publieke leven getoond werden.

De officiële biograaf kan met deze beschouwingen zijn voordeel doen. De opmerkelijkste bijdrage in dit opzicht vond ik die van Wilbert Smulders: hij was in 1987, toen hij Hermans voor het eerst ontmoette en hem in de auto vervoerde 'na twee minuten voor deze man gewonnen'. ,,Dit was geen gedistantieerde meneer, zo bleek mij, geen sikkeneurig heerschap, geen zure man, niet iemand die ervan houdt te vitten of neer te sabelen. Eerder maakte hij de indruk van het tegenovergestelde: iemand wiens manier van doen impulsief en onbestudeerd was, iemand die van aard veeleer argeloos was in zijn optreden. Maar tevens iemand die deze argeloosheid voortdurend probeerde te onderdrukken of verbergen, wat leidde tot ofwel een zekere stijfheid ofwel een zekere onhandigheid, ofwel een combinatie van beide.'

Aan dit boek leverde ook Freddy de Vree, sinds 1962 met Hermans bevriend, een bijdrage, waarin hij beschrijft hoe hij met 'Wim' een huis zoekt in Brussel, want Hermans wilde weg uit Parijs, waar hij en zijn vrouw door een gevaarlijke gek met een mes waren bestookt. Deze episode maakt nu deel uit van een omvangrijk boek dat De Vree heeft samengesteld op grond van zijn herinneringen en van brieven, prentbriefkaarten, documenten, foto's en transcripties van bandopnamen uit de periode 1962 tot april 1995, toen Hermans stierf. De titel van het boek, 'De aardigste man ter wereld', is een variant op de titel van het boek dat Jeroen Brouwers schreef over Hermans' Brusselse tijd: 'Het aardigste volk ter wereld'.

Een provocerende titel, nogal. Maar voor De Vree, daarover is geen misverstand mogelijk, is Hermans nu eenmaal zo'n man geweest. Op het eind van het boek valt de bekentenis: ,,Wim is voor mij afwisselend een vader geweest -hoe moet ik dit verwoorden? Met adjectief? Zonder adjectief?- een begripvolle vader, een alwetende leraar... en tijdens de jaren in Brussel een beminnelijke mopperkont. Wim is voor mij iemand geweest die altijd openstond voor verklaringen, hoe tegenstrijdig ook, omtrent zijn werk, altijd openhartig omtrent zichzelf, altijd bereid tot luisteren, altijd een vriend, hoe fel hij ook weleens kon uitvallen. Wim gaf zonder te nemen.' Dat was Wim.

Het gebruik van die voornaam, meer dan driehonderd overvolle pagina's lang, gaat natuurlijk op den duur wennen, maar tegelijkertijd blijf je het gevoel houden dat wat er over deze Wim gezegd wordt je niet aangaat, want dat het iets persoonlijks betreft, iets tussen Freddy en Wim. Dat is vaak of meestal helemaal niet zo, neem lukraak een zin als: ,,Toen Wims eerste drukken prijzig werden, kwamen ook zijn collages in catalogi terecht.' De kwaliteit van deze zin daargelaten, hij leent zich niet voor het gebruik van Wim, want hij geeft de prijsontwikkeling weer van Hermans' werk in het antiquariaat.

De Vree, hij zegt het vooraf, volgt geen biografische, maar een anekdotische benadering. ,,Dit is geen studie of essay, het is onwetenschappelijk en niet-chronologisch.' Dat zullen we weten ook, want de hoofdstukken waaruit dit boek is opgebouwd, lijken op grond van hun titels vaak inhoudelijk zeer bepaald -'Parijs', 'Een heilige van de horlogerie', 'Au pair', 'Doctor honoris causa'-, maar zijn in werkelijkheid naar alle kanten en tijden uitschietende collages. Het boek is een grabbelton en aangezien er niet op voorhand valt uit te maken wat er precies in een hoofdstuk ter sprake komt, had een persoons- en zakenregister niet misstaan. Nu kun je er heel moeilijk iets in terugvinden.

De kern van de meeste hoofdstukken wordt gevormd door gesprekken met Hermans, pardon Wim, die De Vree in de loop van dertig jaar frequent op de band heeft opgenomen. Hij heeft jaren voor de BRT gewerkt en ook voor zichzelf wel gesprekken opgenomen. De niet geringe waarde van dit boek schuilt onder meer in de grote hoeveelheid uitspraken van Hermans over eigen werk en dat van anderen, zoals Wittgenstein, Stendhal, Multatuli, Nietzsche, Magritte, Dali. Ook andere onderwerpen, zoals Hermans' reusachtige verzameling schrijfmachines of zijn verlangen naar een sigaret of zijn belangstelling voor architectuur komen aan bod. De Vree heeft die talloze banden getranscribeerd en de gesprekken nu, ongepolijst, openbaar gemaakt.

Zo blijkt dat behalve Jan Elburg,  Emile van Moerkerken, Chris van Geel en Gerrit Kouwenaar (ik zal er nog wel een paar vergeten) ook Hermans zich voor het surrealisme ging interesseren vanwege een legendarisch geworden tentoonstelling in 1938, in Amsterdam: ,,Mijn belangstelling voor surrealistische zaken en zo, als ik er eens goed over nadenk, is gewekt door een collage. Dat wil zeggen, door een driedimensionale collage, namelijk in 1938 was er een surrealistische tentoonstelling in galerie Robert aan de Keizersgracht, en daar was te zien het beroemde voorwerp van Meret Oppenheim, een schoteltje met kopje beplakt met bont. Dat zag ik eerst in een tijdschrift en toen ben ik onmiddellijk die tentoonstelling gaan bekijken, ik was toen een jongetje van zestien jaar, dat trof mij enorm.' De Vree herinnert hem er dan aan dat hij zeven jaar later een versregel zou schrijven, die luidt: 'Een vaag ravijn van bont'. ,,Ja, dat is, denk ik, de neerslag van dit kunstwerk van Meret Oppenheim, ja.'

Ook doet Hermans geregeld uitspraken die zo typerend voor hem zijn, dat je het idee hebt ze al eerder te hebben gelezen. Op de vraag, naar aanleiding van de roman 'Nooit meer slapen', waarom iemand iets onderneemt in het leven, antwoordt hij: ,,Ja, dat is... Alles wat mensen beweren waarom ze iets ondernemen in het leven... In mijn diepste innerlijk ben ik overtuigd dat dat allemaal kletspraat is, dat wij dat niet weten, net zomin als wij überhaupt weten waarom wij bestaan. We zijn toch allemaal op de manier van meteorieten op de aarde terechtgekomen.'

Een zo verbrokkeld boek als dit bevat nogal wat herhalingen. Zo staat er verschillende keren in dat Hermans verzot was op frietjes. Maar dat niet alleen, hij was dol op lekker eten en op exquise wijnen. Kort voor zijn dood vindt nog een diner plaats in het exclusieve restaurant 'La truffe noir' en de beschrijving daarvan liegt er niet om. Ergens schrijft De Vree dat voor de zoveelste maal het glas wordt geheven en hij voegt er dan tussen haakjes aan toe: ,,hij deed dat graag - goeie Wim, ik hef nu het mijne'. Laten we dit chaotische, maar aardige boek maar opvatten als een langdurig geheven glas. Op Wim.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden