Review

Iets kan mooi zijn, ook al is het lelijk

Voor Ted van Lieshout (41) kunnen kleuren klinken en gedichten dansen. Misschien komt dat omdat hij als dubbeltalent, dichter/schrijver en beeldend kunstenaar, steeds meer de neiging vertoont om in de kinderboeken die hij maakt de verschillende kanten van zijn kunstenaarschap in elkaar uit te drukken.

Daar begon hij mee in 1990, met zijn poëzieprentenboek 'Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel'. Dat is méér dan zomaar een geïllustreerde gedichtenbundel: veel teksten hebben een bewust grafisch effect en sommige illustraties zijn net een gedicht of dansstuk in tweedimensionale vorm en kleur.

Daarnaast is het boek ook een soort leergang teken- en schildertechnieken, want van elke plaat vertelt de auteur hoe hij die gemaakt heeft, waarbij hij en passant ook ingaat op kunststromingen, zoals het kubisme.

Dit meermalen bekroonde boek heeft nu in twee richtingen een vervolg gekregen: in het poëzieprentenboek 'Een lichtblauw kleurpotlood en een hollend huis' dat bij Leopold uitkwam, en in het eind vorige week bij SUN verschenen 'Stil leven, een tentoonstelling', een verzameling kunsthistorische beschouwingen voor jongeren.

Wat meteen opvalt aan 'Een lichtblauw kleurpotlood en een hollend huis' is, dat de teksten rijmen, wat niet gebruikelijk is bij Ted van Lieshout, en dat hij transparante pagina's gebruikt die aan beide zijden bedrukt zijn met alles wat geen gedicht is: commentaren op de gedichten - in de vorm van dialogen tussen een tienjarige zoon en zijn moeder - en taalgrapjes.

Dat rijmen heeft een reden: Van Lieshout vond dat er weinig moderne kinderpoëzie is tussen enerzijds bakerrijmen voor peuters en kleuters, anderzijds jongerenpoëzie zoals hijzelf veel schreef. Met een knipoog naar Annie M.G. Schmidt, wier 'Het schaap Veronica' hij omwerkte tot een nieuw gedicht, schreef hij een reeks verhalende gedichten die net zo lekker lopen als die van good old Annie. Veel gedichten gaan over ziek zijn en ansichtkaarten krijgen met 'Beterschap' erop. Ontroerend is een gedicht over een astmatisch jongetje van vijf jaar, geschreven vanuit zijn moeder: Ik zou de muren uit zijn kamer willen breken,/ om hem de lucht te geven waar hij zo naar snakt. Die muren en lucht heeft Van Lieshout visueel uitgedrukt als een stralenkrans van pleisters om een rondje blauwe hemel. Als je anders kijkt zie je diepte: dan is de stralenkrans een buis of tunnel met blauwe lucht aan het eind.

De transparante pagina's zijn in verschillende opzichten functioneel. Niet alleen om het praten over poëzie te onderscheiden van de poëzie zelf, maar ook visueel. Bijvoorbeeld waar een gecalligrafeerd lied met notenschrift door een dialoog-in-dichtvorm over het maken van een lied heen schijnt. En waar twee versies van één gedicht zichtbaar over elkaar heen vallen. Grappig is daar het beeldcommentaar op de tekst die op het smartlapperige af is: hij is afgedrukt tegen een ready-made papieren taartonderleggertje met ingestanst randje nepkant.

Het is echter niet overal gelukt om de transparante pagina's naar links én rechts een functie te geven. Soms vallen blokken tekst en/of beeld over elkaar heen zonder dat er een reden te vinden is waarom dat op díe plek zó zou moeten. Maar dat is nauwelijks storend in dit prachtig uitgevoerde boek, waarin de poëzie beeldend is en het beeld poëtisch.

Verliefd op kunst

Naar aanleiding van 'Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel' kwam redacteur Henk Peters van uitgeverij SUN op nog een heel ander idee. Hij vroeg of Ted van Lieshout zin had om voor jongeren een beschouwing over kunstgeschiedenis te schrijven. Leren kijken, zoals K. Schippers dat bijvoorbeeld doet in 's Nachts op dak'. Ja, meteen!, schreef Van Lieshout per kerende post, als het maar op mijn eigen manier mag. En zo ontstond 'Stil leven, een tentoonstelling'. Zónder tijdbalk, zoals de SUN graag had gewild, omdat Van Lieshout heel onsystematisch nu eens met reuzenstappen door de kunstgeschiedenis banjert, om dan weer weer lang stil te staan bij een bepaalde periode.

Toch is die persoonlijke benadering veel boeiender dan de objectief bedoelde kunsthistorische. Het is alsof je met de auteur door een museum wandelt, waarbij hij je vertelt wat hij hééft met bepaalde schilderijen. Daarbij vergelijkt hij op elke dubbele pagina twee kunstwerken. Soms uit eenzelfde periode, soms met honderden jaren ertussen. Hij vertelt op welke hij verliefd is, op welke hij wel kan schieten, en waar hij niets van snapt. En waarom. Dus niet als kunsthistoricus, maar als liefhebber, niet met wetenschappelijke eruditie, maar met sensitieve intelligentie en vooral: nauwkeurig, geduldig en met verbeeldingskracht kijkend. Op een manier, waardoor je met nieuwe ogen gaat kijken, zelfs naar schilderijen waarop je allang uitgekeken bent. Of hij gelijk heeft is dan helemaal niet belangrijk meer. Zo komt hij tot verrassende veronderstellingen; bijvoorbeeld dat Albrecht Dürer wel eens homo geweest zou kunnen zijn en dat Monet vast geïnspireerd is geweest door bewogen en dus vage foto's uit zijn tijd. Op een natuurlijke manier laat hij zien dat elk mens een eigen receptiegeschiedenis ontwikkelt: door bij verschillende schilderijen te vertellen dat hij er vroeger, toen hij twaalf was, of zeventien, of twintig, heel anders over dacht: “Ho! Wacht eens even. Schitterend? Betoverend? Toen ik twintig was riep ik nog dat ik de schilderijen van Rembrandt niks vond. En nu verkondig ik iets heel anders! Dat zit zo: vroeger vond ik de mensen op zijn schilderijen domweg foeilelijk. Pas toen ik dit werk zag, één van de ongeveer honderd zelfportretten die Rembrandt maakte, veranderde ik mijn mening. Ik vond het schilderij veel te mooi om me te laten afleiden door zoiets onbenulligs als een al of niet knappe snoet.”

Op de pagina ernaast laat hij dan een schilderij van Holbein zien, van anderhalve eeuw eerder, waarop Holbein zijn lelijke vrouw heeft geschilderd. En komt dan tot de volgende conclusie: “Holbein wist wat ik ook te weten ben gekomen: iets kan mooi zijn ook al is het lelijk. Hij schilderde van zijn lelijke vrouw het allermooiste portret dat ooit van een moeder is gemaakt. Dat vond hij. Dat vind ik. Het mooiste mooi is namelijk nooit van mooiigheid, maar altijd van lelijkheid. Echt waar.”

Als je zo bevlogen over kunst kan vertellen, moet zelfs de de meest nihilistische Generatie-Nixer wel geraakt worden. Een boek om te Zoenen of te Griffelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden