Iets groots te midden van vulgariteit

Hij was dé schilder van de Franse Romantiek. Maar uit zijn aanstekelijke dagboeken blijkt dat Delacroix veel meer was: een hartstochtelijk denker en schrijver, die zijn plaats zocht tussen voorgangers als Rembrandt, tijdgenoten (Chopin, George Sand) en een tijd die door industrialisatie onomkeerbaar veranderde.

Eugène Delacroix: Ik heb het niet over middelmatige mensen. Dagboeken en brieven. Keuze, vertaling en nawoord vanJoop van Helmond. De Arbeiderspers, Amsterdam. ISBN 9789029563963; 311 blz. euro 23,95

’De onwetenden en het plebs hebben toch maar geluk”, schrijft Eugène Delacroix in 1824. „Voor hen is alles in de natuur keurig geregeld. Ze begrijpen alles wat bestaat, op grond van het feit dat het bestaat”. Zo niet Delacroix zelf. Zijn onverzadigbare honger naar kennis strekte zich uit tot ver buiten zijn eigen vakgebied.

Eugène Delacroix (1798-1863) was de belangrijkste schilder van de Franse Romantiek. Hij geniet vooral bekendheid door ’De vrijheid leidt het volk’, een verbeelding van de julirevolutie van 1830, waarop Marianne met ontblote borst, Franse vlag en bajonet de revolutie aanvoert.

In zijn grootse, meeslepende doeken met historische, literaire en exotische taferelen, toont Delacroix zijn waardering voor Rubens en Titiaan. Met zijn losse schilderstijl en suggestieve kleurgebruik zet hij zich af tegen het heersende classicisme van schilders als Ingres. „Als het minder naturel is, wordt het rijker en mooier” betoogde Delacroix.

Al vroeg sleepte Delacroix talloze prestigieuze opdrachten in de wacht, maar ondanks zijn succes vond hij niets vanzelfsprekend. Hij bleef vragen stellen over zijn eigen bestaan, en dat van God. Hij worstelde met ouderdom, was bang voor verveling en verbaasde zich telkens weer over de schoonheid van de ongerepte natuur. Hij bekritiseerde zijn eigen werk en ontleedde dat van anderen. Al die overwegingen en overpeinzingen schreef hij op in dagboekaantekeningen en brieven.

In de jaren dertig van de vorige eeuw werden deze geschriften in Frankrijk uitgegeven. Een keuze hieruit is nu vertaald in de reeks Privé-domein. De ontbrekende jaren in het dagboek – Delacroix liet het na twee jaar schrijven ruim twintig jaar onaangeroerd – werden aangevuld met brieven en reisnotities (onder andere van zijn reis naar Marokko in 1832).

Zo krijgt de lezer niet alleen een beeld van een kunstenaar in de negentiende eeuw maar vooral een roerend beeld van de mens Delacroix, die zich ontwikkelt van zoekende kunstenaar tot bedachtzame, altijd nieuwsgierige analyticus en die zich in zijn betogen over bijvoorbeeld Rembrandt, Michelangelo en Shakespeare probeert te verhouden tot tijdgenoten en voorgangers.

Schrijven was Delacroix’ tweede passie – in zijn jeugd wilde hij niets liever dan dichter worden – en dat wekt bij het lezen van dit aanstekelijke boek geen verbazing.

Delacroix begint zijn schrijfcarrière met brieven aan vrienden als Jean-Baptiste Pierret, die hij deelgenoot maakt van zijn hartstochtelijke affaires en die hij roerende passages schrijft over de herinnering aan het overlijden van zijn moeder: „Ik denk dat jij ook zult huilen als je deze brief leest.” In latere brieven vind je prikkelende beschrijvingen, bijvoorbeeld van een reis naar Engeland, waar hij het niet erg naar z’n zin heeft: „Ik weet niet welke gril van de natuur verantwoordelijk is voor het feit dat Shakespeare uitgerekend in dit land is geboren.”

Delacroix begint zijn dagboek in 1822, op 24-jarige leeftijd, ’in een goede bui’. „Wat ik het allerliefste wil”, schrijft hij, „is dat ik niet uit het oog zal verliezen dat ik het alleen voor mezelf schrijf; daardoor zal ik oprecht zijn, hoop ik, en zo een beter mens worden.”

Enkele dagen daarvoor heeft hij gehoord dat hij voor het eerst met een schilderij, ’De boot van Dante’, is toegelaten tot de Salon, de grote kunsttentoonstelling in Parijs. Op dit doek zijn Dante en Vergilius te zien op hun tocht door de hel. Ze staan op een wankel bootje dat wanhopig wordt vastgeklampt door de verdoemden die er omheen spartelen. ’De boot van Dante’ is een huiveringwekkend schilderij dat door zijn grove penseelstreek en specifieke belichting opvalt tussen de keurige classicistische doeken op de Salon.

Dat het doek goed wordt ontvangen, tempert Delacroix’ ambitie allerminst. In de aantekeningen die hij vanaf dat moment maakt, doet hij niet alleen verslag van alledaagse ontmoetingen en belevenissen, maar vermaant hij zichzelf, ook in de tweede persoon, nog beter zijn best te doen: „ Arme ziel! Hoe kun je iets groots scheppen te midden van alle dingen die aan vulgariteit gelieerd zijn? [...] Ik word er steeds door dwaze afleiding van afgehouden. Zoek afzondering. Als je leven geordend is, zal je gezondheid onder de teruggetrokkenheid niet lijden.”

Zijn notities tonen Delacroix als permanent op zoek naar bevestiging van zijn eigen ideeën over schilderkunst. Het is prachtig te lezen hoe hij hierbij zijn eigen vakgebied overstijgt en zich uitgebreid verdiept in toneel, literatuur (hij was onder anderen bevriend met George Sand), natuur en muziek. „Zou disproportie een van de voorwaarden zijn om bewondering af te dwingen?” vraagt hij zich bijvoorbeeld af wanneer hij langs de stam van een dikke eik naar de takken erboven kijkt. Meteen volgt een redenering waarbij Mozart, Racine, Michelangelo en Beethoven de revue passeren. Waarop de schilder concludeert: „Volgens mij is dat het geval.”

Naarmate Delacroix ouder wordt, worden zijn notities minder vrijblijvend. De maatschappij verandert en Delacroix windt zich enorm op over de gevolgen van de industrialisatie. „Een honger naar rijkdom die zo bitter weinig geluk brengt.”

In de opmars van de fotografie ziet Delacroix een hang naar perfectie die de verbeelding in de weg staat. Hetzelfde geldt voor Courbet, die zich afzet tegen de Romantiek. Diens realisme noemt Delacroix ’de hang naar nauwkeurigheid die de meeste mensen aanzien voor de waarheid’.

In een tijd waarin ’de smaak is ontaard’, voelt de schilder zich steeds minder begrepen en trekt hij zich terug, soms letterlijk: door Parijs te verruilen voor het platteland.

Als hij in 1857 eindelijk wordt gekozen als lid van de Academie des Beaux-Arts en zijn gezondheid hem verhindert te schilderen, begint hij aan het samenstellen van een ’Dictionaire des Beaux-Arts’, waarvoor hij de verschillende lemma’s die hij tussen zijn dagboekaantekeningen had genoteerd verzamelde. Ze variëren van ’Imitatie’, ’Accessoires’ en ’Verbeelding’ (de allerbelangrijkste eigenschap van een kunstenaar’) tot ’Durf’ en ’Autoriteiten’ en moedigen de lezer nog steeds aan tot kritisch kijken, want Delacroix was tegen ’blinde bewondering’.

Tegelijkertijd was het Lexicon voor de schilder een manier om zijn erfenis veilig stellen, een laatste anker in een snel verglijdende tijd. Wanneer Delacroix op 13 augustus 1863 overlijdt, schrijft zijn vriend Frédéric Leblond dat wie enkel zijn werk kent hem slechts ten dele naar waarde kan schatten. „Alleen zij die hem van nabij hebben meegemaakt, kennen de rijkdom van zijn hart en geest.” Dit boek heeft dat gemis meer dan goed gemaakt.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden