Iedereen wil cultuur op zijn eigen niveau

Scÿne uit 'As You Like It' van William Shakespeare door het Nationale Toneel. 'Shakespeare kon als een van de weinigen hoge en lage kunst verenigen.' (FOTO DEEN VAN MEER) Beeld fotograaf Deen van Meer
Scÿne uit 'As You Like It' van William Shakespeare door het Nationale Toneel. 'Shakespeare kon als een van de weinigen hoge en lage kunst verenigen.' (FOTO DEEN VAN MEER)Beeld fotograaf Deen van Meer

Is kunst een speeltje voor de elite? En wie is dan die elite? Deze maand zoekt Trouw naar de scheidslijnen tussen elitaire en populaire kunst. Vandaag: de televisie heeft het populaire theater weggevaagd.

In de Amsterdamse Marnixstraat opent binnenkort het door Joop van den Ende gerenoveerde DeLaMar Theater voor musicals en theater. Aan de overkant van de straat staat de Stadsschouwburg, huistoneel van een van de hoogst gesubsidieerde theatergezelschappen van Nederland, Toneelgroep Amsterdam.

DeLaMar en de Stadsschouwburg symboliseren de vermeende kloof tussen populair en elitair toneel, waar de huidige regering moeite mee heeft omdat alleen het moeilijke theater voor de elite profiteert van overheidssubsidies. De Stadsschouwburg dus wel, DeLaMar niet.

Het onderscheid tussen populair theater en door de staat ondersteund elitair theater heeft echter bijna altijd bestaan, zegt emeritus hoogleraar en theaterhistoricus Rob Erenstein. „Hoge cultuur en lage cultuur zijn van alle tijden. Er is immers altijd verschil in denkniveau geweest tussen mensen. Iedereen wil het liefst cultuur op zijn eigen niveau.”

Het theater was bij zijn ontstaan, 2500 jaar geleden in Athene, bedoeld voor alle burgers van de stad. Toneelschrijvers als Sophocles stelden in hun stukken ingewikkelde vragen over democratie, religie en recht. De stadsstaat subsidieerde de voorstellingen samen met enkele rijke burgers, omdat het nadenken over zulke zaken hoorde bij een ontwikkelde burgerij die een eerste voorwaarde is voor een democratie. „In ieder geval ging je er niet voor je lol heen”, zegt Erenstein. „En je kunt je ook afvragen of die onderwerpen niet boven de pet gingen van een deel van het publiek.”

In de Renaissance duiken die klassieke stukken opnieuw op. Erenstein: „In die periode worden de klassieke schrijvers herontdekt en gereconstrueerd. Dat is alleen interessant voor mensen die gestudeerd hebben. Maar er staan ook kluchtenmakers op de markt.”

Hoge kunst is in Europa altijd gesubsidieerd geweest door de staat, legt Erenstein uit. De beste schrijvers en acteurs mochten aan het hof hun kunsten laten zien. „De mensen met de grote ideeën waren daar te vinden. De koning kon zo zijn status tonen. Het moeilijker theater heeft nooit zonder subsidie gekund. Dat is de aard van het beestje: het kost enorm veel tijd en mankracht om een voorstelling te maken. Het is een dure kunstvorm.”

Ook de theatergroep van Shakespeare, The Chamberlain’s Men, kreeg eind zestiende eeuw een jaarlijkse toelage – oftewel subsidie – van leden van het hof. Het hof sprong bovendien bij als er nieuwe kostuums moesten worden gekocht, of het theater moest worden gesloten wegens een pestepidemie. Toch zat er in Shakespeares theater The Globe een gemêleerd publiek: van edelmannen tot gewone arbeiders. De voorstellingen zelf richtten zich op ieders eigen smaak: voor de hoger opgeleiden die retorica en hun klassiekers kenden, gebruikte Shakespeare elegante retorische trucs en verwees hij naar de Klassieken, maar er viel ook genoeg te beleven aan zwaardgevechten, platte grappen en liedjes.

Bovendien baseerde Shakespeare zijn stukken regelmatig op mythen, boeken of verhalen die veel mensen wel kenden. Shakespeare was een uitzondering, zegt Erenstein. „Alleen de hele grote schrijvers konden op zo’n manier hoge en lage kunst met elkaar verenigen.”

In de achttiende en negentiende eeuw, als de hoven verdwijnen en er een gegoede burgerij opkomt, blijft de scheiding tussen hoge en lage kunst bestaan. Voor het grote publiek zijn er melodrama’s en is er volkstoneel. De inkomsten van dergelijke voorstellingen worden door theaterdirecteuren gebruikt om minder bezochte toneelvernieuwers een kans te geven.

Gegoede burgers vinden hoogstaande kunst belangrijk en ze investeren daar ook in, bijvoorbeeld door schouwburgen te stichten. De praktijk waarin grote publiekstrekkers geld opleveren voor vernieuwend en moeilijker theater houdt lang stand. Nog in de jaren twintig en dertig kunnen de belangrijke Nederlandse toneelvernieuwers Royaards en Verkade hun Shakespeare-voorstellingen alleen maar maken, omdat ze ook populaire niemendalletjes produceren.

Met de opkomst van de bioscoop en de radio, en later de televisie, wordt het echter moeilijker een groot publiek te trekken. Die media nemen belangrijke functies van theater over, betoogt Kees Vuyk, filosoof en hoofddocent Kunstbeleid aan de Universiteit Utrecht en voormalig directeur van het Nederlands Theaterinstituut. „Waar vroeger het theater door verhalen te vertellen culturele en historische kennis overbracht aan het publiek, deden nu die nieuwe media dat.”

Onder andere door de sociaal-democratische verheffingsgedachte, ontstaat er een subsidiestelsel om de kwetsbare kunsten te beschermen tegen de markt en deze toegankelijk te houden voor iedereen. Nieuw in de geschiedenis zijn subsidies dus niet. Alleen is er nauwelijks volkstheater meer als tegenhanger, maar domineren televisie en bioscoop.

Toch is die subsidie een zegen en een vloek tegelijk. „Het gevolg van die subsidie was”, zegt Vuyk, „dat het theater zich steeds meer op vernieuwing is gaan richten. Men zag innoveren en het vinden van nieuwe beeldtaal als de belangrijkste taak van het theater. Dat is echter teveel zijn eigen leven gaan leiden.” Het vervreemdde zich daardoor nog meer van een deel van het publiek. Die deksel krijgt het theater nu op zijn neus, want dat elitaire beeld van theater is blijven hangen.”

Als je naar de recente cijfers kijkt, is theater inmiddels verre van elitair. Er zit – los van een huidige dip die samenhangt met de crisis – al jaren een stijgende lijn in het aantal verkochte theaterkaartjes. Er kopen per jaar meer mensen een theaterkaartje dan dat er naar een wedstrijd in het betaalde voetbal gaan. Bovendien bestaat het meeste aanbod in de Nederlandse schouwburgen uit musical, popmuziek, commercieel toneel en cabaret. Het gesubsidieerde aanbod in de Nederlandse theaters – dus ’elitaire’ voorstellingen waar subsidie bij moet – hangt al jaren rond de 15 procent van het totaal. Dat het kaartje in de schouwburg voor die musical of cabaretier desondanks relatief goedkoop is, komt echter alsnog door subsidie. Bijna alle theaters worden gesubsidieerd door de gemeenten. Daardoor kunnen ze de kaartjes relatief betaalbaar houden. Ook Joop van den Ende krijgt dus, zij het indirect, subsidie.

Het is diezelfde Joop van den Ende, meent Erenstein, die het theater opnieuw heeft gepopulariseerd. Door musicals en voorstellingen voor het grote publiek trokken er weer mensen naar het theater die eerder waren afgehaakt. Het dwong ook het gesubsidieerde theater na te denken over de eigen toekomst, zeker toen er onder druk van het marktdenken vanaf begin jaren negentig door de overheid nadruk werd gelegd op meer eigen inkomsten van gesubsidieerde instellingen.

Het gesubsidieerde theater zoekt het grote publiek nadrukkelijker weer op. Vroeger was het ondenkbaar, maar ook gesubsidieerde gezelschappen profileren zich op televisie. Dat werkt: een optreden bij een programma als ’De Wereld Draait Door’ levert gegarandeerd een volle zaal op. Ook in thema en vorm zoekt het theater naar een groter publiek. Vuyk: „Ik zie vaak voorstellingen waarvan ik denk: dat zou iedereen toch leuk moeten vinden? Maar er blijven voorstellingen waar zelfs ik geen touw aan vast kan knopen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden