Iedereen is van de Tour gaan houden

De Tour is in honderd jaar altijd een verstandshuwelijk met vele partners gebleven. Een verafgood en verketterd ménage à quatre.

Het plenst in Briançon. Doorweekt komen de renners in het Alpenstadje aan. Sommigen zijn gehuld in tafelzeiltjes, onderweg gekocht of gejat als bescherming tegen een hoosbui. Geletruidrager Lucien Buysse finisht met een gat in zijn schoen. Halverwege de rit zijn zijn remmen geknapt. In de hoosbui is hij de Col de Vars en de Col d'Izoard voetremmend afgeglibberd - van fiets wisselen mag hij niet. Bij de meet telext een journalist zijn woede: "Wij wachten op een dodelijk ongeluk, een val bij een afgrond. Misschien dat de overheid dan besluit om het een zakenman te verbieden het leven en de gezondheid van 50 arbeiders in de waagschaal te stellen."

Camille Fégy schrijft voor l'Humanité, de krant van de Franse communistische partij die in 1926 voor het eerst met eigen verslaggevers in de Tour aanwezig is. Het gaat hun niet om de koers. L'Humanité wil bewijzen dat de Ronde geen sportieve krachtmeting is tussen individuele renners, zoals Tourchef Henri Desgrange betoogt, maar een strijd tussen de sponsoren van de deelnemende wielerploegen: de fabrikanten van fietsen en banden. Zij willen publiciteit om hun verkoop op te stuwen: Desgrange en de fabrikanten worden rijk over de rug van de renners.

Zelfs fervente Tourfans zullen moeten toegeven dat die analyse hout snijdt. De Tour is in 1903 uitgevonden, omdat een kwakkelend sportblad (l'Auto) lezers zoekt en enkele fietsen- en bandenfabrikanten geen toegang krijgen tot het grotere blad waarmee l'Auto concurreert. Met een spectaculaire wedstrijd (etappes door heel Frankrijk!) hopen hoofdredacteur Desgrange en de fabrikanten het tij te keren. Die eerste editie wordt een succes en een paar jaar later is de Tour de belangrijkste wedstrijd van het seizoen. Een Tourzege heeft grote publicitaire waarde en de sponsoren van de wielerploegen doen alles wat God en Desgrange verboden hebben om de zege binnen te slepen.

Van de renners wordt veel gevraagd. Tours tellen al snel meer dan 5000 kilometer (tegenwoordig 3500), etappes soms meer dan 400. Ritwinnaars doen 15 tot 17 uur over een etappe, achterblijvers soms meer dan een etmaal. De meeste wegen zijn onverhard. Als het droog is, is het stof happen. Vrijwel alle ritten beginnen in het donker. In de bergen rijden renners over veredelde geitenpaden. Valpartijen? In 1926 geven zeker twintig coureurs op vanwege botbreuken, bloedingen of hersenschuddingen. "De Tour is uitbuiting, Wij gaan bewerkstelligen dat dit antisportieve schandaal zo snel mogelijk ophoudt", schrijft l'Humanité nadat Lucien Buysse in Parijs als winnaar is gehuldigd. Desgrange is een 'sadist'.

Feest
Toch strijdt het rode blad een verloren strijd. In 1903 loopt de oplage van l'Auto tijdens de Tour op van 20.000 naar 65.000 exemplaren. In 1926 worden er eind juli dagelijks een half miljoen exemplaren gedrukt en dan zijn er nog zo'n tien andere Franse bladen met eigen reporters in de Ronde. Zo komt de Tour bij miljoenen lezers in huis. Miljoenen staan er ook langs de weg als de renners voorbijkomen. De Tour is feest. De editie van 1926 is de pas de 20ste, toch zit la grande randonnée al in de haarvaten van Frankrijk. Uitbuiting? Sadisme? "De zwaarte van de Tour is juist haar charme", schrijft Desgrange. "Bovendien is er nog nooit een dode gevallen."

Het publiek is gevallen voor het product van het verstandshuwelijk tussen een krant en een paar fabrikanten. Het huwelijk wordt uitgevoerd door renners en financieel mede mogelijk gemaakt door steden die betalen om als start- en of finishplaats te fungeren. Het is een ménage à quatre, een huwelijk dat in iets andere vorm nog altijd bestaat. Mannen die op hun fietsen enorme afstanden afleggen, spreken tot de verbeelding. Maar kranten, l'Auto voorop, hebben een grote rol in het succes van de Tour. Bij Desgrange zijn renners - ook de achterblijvers - dappere, koene strijders. Winnaars zijn kampioenen, kampioenen helden. In lyrische buien vergelijkt Desgrange de kampioenen met Griekse en Romeinse helden en soms haalt hij zelfs het kindeke Jezus en God zelve van stal. In de beginjaren, als l'Auto de enige krant in koers is, kan Desgrange schrijven wat hij wil. Hij maakt zijn wedstrijd sensationeler dan hij is en geeft haar mytische proporties. Sponsoren en renners spreken hem in deze niet tegen.

Maar toch, ondanks het succes kraakt het verstandshuwelijk geregeld. Desgrange wil een spectaculaire Tour, de sponsoren gaan voor de winst. Hoe die wordt behaald, zal ze worst zijn. In de Ronde van 1926, met 5745 kilometer de langste ooit, doen de renners het vaak kalmpjes aan. Desgrange baalt, maar past het parcours wel aan. Etappes van meer dan 400 kilometer komen daarna niet meer voor. In 1929 neemt de Tourchef een vergaand besluit. Als de Belgische geletruidrager Maurice De Waele ziek aan een bergetappe begint, maar nauwelijks wordt aangevallen, vermoedt Desgrange een complot tussen de rivaliserende fabrieksploegen. Voortaan laat hij de Tour verrijden door landenteams. Dat betekent dat l'Auto alle kosten van de deelnemers betaalt, inclusief de fietsen en banden. Desgrange bekostigt dat door een reclamekaravaan voor de renners uit te laten rijden en door extra geld te vragen aan de start- en finishplaatsen. De formule houdt lang stand. Jan Janssen is in 1968 de laatste die een landenploegen-Tour wint.

Net als de Tour van 1903 is die van 1930 een waagstuk. Weer pakt het goed uit. De reclamekaravaan trekt extra toeschouwers, bedrijven verdringen zich om een plekje in de Ronde en Desgrange prijst in l'Auto de watertjes van Perrier en de kaasjes van La vache qui rit aan. De Tour krijgt een nieuwe dimensie, want de Franse renners verdedigen nu de eer van Frankrijk. Dat past in de nationalistische tijdgeest en lokt nieuwe belangstellenden. In de zomer van 1933 ligt de oplage van l'Auto op 730.000 exemplaren. In 1939 zijn er voor het vervoer van journalisten honderd auto's nodig, tien keer zoveel als in 1926. Hoe populair de Tour is blijkt vooral in 1947. Na zeven Tourloze jaren loopt Frankrijk er massaal voor uit.

Er verandert meer bij de huwelijkspartners. Lang is de Tour het domein van de schrijvende pers. Tot de fotografen hun intrede doen. Dagbladen kunnen rond 1926 nog geen fraaie foto's van de wedstrijd publiceren, maar weekbladen, die een langere productietijd hebben, wel. Vooral met foto's van eenzame renners in het hooggebergte verbeelden én kietelen Le Miroir des Sports en later Paris Match de verbeelding. In 1928 debuteert de radio in de Tour en die wakkert in de jaren dertig het enthousiasme verder aan. Luisteraars krijgen het gevoel midden in de koers te zitten, ook al zien ze niets van de wedstrijd. Ze laten zich meeslepen in reportages die de mythevorming opvoeren. In de naoorlogse jaren is de Tour ongemeen populair. Winnaars als Bartali (1948), Coppi ('49 en '52), Kübler ('50), Koblet ('51) en Bobet ('53-'55) zijn meer dan helden. Het zijn goden. In die jaren krijgt ook Nederland Tourkoorts: Van Est dondert in 1951 met gele trui en al in een ravijn, Wagtmans is in 1956 dichtbij de zege.

Dan schuift een nieuw medium aan bij de huwelijksdis: televisie. Aanvankelijk staat er een camera bij de finish die de voorbijsuizende renners even vangt. Tijdens een bergetappe in 1959 zet de Franse tv voor het eerst een helikopter in. Nu kunnen renners langer worden gevolgd. "U ziet nu meer dan de kijkers langs de kant", roept de commentator tegen het tv-publiek. En zo is het. In de loop der jaren worden de reportages langer, het aantal camera's groeit, het aantal helikopters ook. De koers is in de huiskamer met eigen ogen te volgen.

Dat komt de mythevorming niet ten goede. De commentatoren blijven enthousiast, maar kijkers zien dat veel etappes saai zijn en veel Tours niet spannend. Dat renners het onderling op akkoordjes gooien, dat de heroïek vaak ver te zoeken is, dat Eddy Merckx in zijn hoogtijdagen vrijwel onverslaanbaar is (vijf Tourzeges) en dat twintig jaar later de bionische Miguel Indurain (ook vijf) heel dominant is.

Maar de Tour blijft lang, de bergen hoog en de renners rijden hard. De fascinatie verdwijnt niet, de coureurs blijven helden: de winnaars én de achterblijvers.

Katzwijm
Lang is de Tour het domein van Fransen, Belgen, wat Zwitsers, Luxemburgers en enkele Italiaanse broodrenners. Vanaf de jaren vijftig tellen de Nederlanders mee en na de zege van Federico Bahamontes in 1959 de Spanjaarden. Mede door de tv wordt wielrennen daarna langzaam mondiaal. Er komen Colombianen (in 1983), Australiërs en Russen. In 1996 gaat Denemarken plat als Bjarne Riis de Tour wint, Duitsland volgt als Jan Ullrich hem opvolgt en met Lance Armstrong vallen ook de Verenigde Staten in katzwijm. Voor sponsoren is de Tour interessanter dan ooit. De beelden gaan de hele wereld over: de Tourdirectie schat dat dit jaar 3,5 miljard mensen in 190 landen iets van de Tour zullen zien. Een investering van een miljoen of tien in een goede wielerploeg is dan, gemeten in tv-tijd, gauw terugverdiend. Voor de sponsoren is Tourwinst niet eens zo belangrijk, de verkoopcijfers van hun producten hoeven niet altijd omhoog. Met een wielerploeg koopt een sponsor een sportief imago, creëert hij een fijn gevoel. Rond 2000 rijdt bijna een derde van de renners met de naam van een bank of andere financiële instelling op de rug.

Het goddelijke is er dan wel af, maar de fascinatie is gebleven en het feestelijke ook. De Tour is een zomerfeest dat een stootje kan hebben. Veel banken zijn te groot om om te vallen, de Tour is dat ook. Dopingschandalen maken de naar een fijn imago hunkerende sponsoren zenuwachtig, de populariteit van de Tour tasten ze niet wezenlijk aan. Als dat toch dreigt, belooft de wielerwereld plechtig een 'schone' Tour. Dat gebeurt na de dood van Tommy Simpson in 1967, na de Festina-affaire in 1998 en nu, na alle commotie rond Lance Armstrong, weer. Wie graag feest, gelooft in die belofte - of vindt haar niet zo belangrijk.

Frankrijk blijft het centrum van het feest. In de jaren twintig maakt Henri Desgrange zich zorgen als knoestige Belgen als Lucien Buysse de ene Tour na de andere winnen. Dat komt de populariteit van zijn Ronde niet ten goede. Inmiddels is het 28 jaar geleden dat een Fransman de Tour won (Bernard Hinault, zijn vijfde). Maar de Tour blijft in Frankrijk. In de drie Tourweken gaan beelden van Frankrijk de wereld over; een betere Ster-spot is niet denkbaar. De bv Frankrijk is onderdeel van het verstandshuwelijk geworden. De Ronde behoort officieel zelfs tot het nationaal erfgoed.

En l'Humanité? Dat schopt na 1926 nog een paar jaar tegen de Tour aan. In 1935 heel hard als de Spanjaard Cepeda in een ravijn valt en als eerste Tourrenner het leven laat. Uiteindelijk bindt het rode blad in. Aan de Tour valt niet te tornen. Voor Camille Fégy is er postuum de troost dat l'Humanité nog bestaat, als enige van de bladen die in 1926 de Tour volgden. De krant is wel veel kleiner dan toen. Voor het product van de ménage geldt het omgekeerde.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden