Iedere uitgedeelde zelfmoordpil bedreigt onze cultuur

Volgens een commissie van de Samen op Weg Kerken staat nergens in de Bijbel dat zelfmoord wordt goed- of afgekeurd. Laat de Bijbel een oordeel over zelfmoord 'dus' in het midden?

Zelfmoord kom je in de Schrift inderdaad maar op heel weinig plaatsen tegen. Ik ben om te beginnen naar die plaatsen op zoek gegaan en heb ze gelezen met mijn eigen bril: als iemand die erop vertrouwt dat de Schriften, ook wat betreft zelfdoding, niet geschreven zijn om de postmoderne moraal te legitimeren en om het vraagstuk te verengen tot een probleem tussen hulpverlener en patiënt. Die eigen bril is me ook opgezet gedurende mijn sociologie-opleiding. Ik kan daardoor in suëide geen exclusief onderwerp zien voor zielkundigen, want met suëide daal je tegelijkertijd in de gevaarlijke diepte van het diepste sociale vraagstuk. En als nabestaande 'moest' ik tenslotte ook wel. Mijn zus stapte een paar jaar geleden voor de trein. Je voelt je daardoor een soort 'ervaringsdeskundige', die tegen wil en dank af en toe moet tegenspreken. Maar eerst slaan we het Oude Boek open.

Neem Saul. De egocentrische en wellicht manische tempelbouwer stortte zich in zijn zwaard, omdat hij gezichtsverlies vreesde na door de Filistijnen te zijn belegerd. Hij dorst het eerst niet eens te doen en vroeg daarom zijn wapendrager de daad te voltrekken. “Trek je zwaard en doorsteek mij; anders gaan die onbesnedenen mij doorboren”. We lezen, nota bene, dus niet, dat Saul zo ontroostbaar was, omdat hij inmiddels ook zijn zonen op het slagveld had verloren. Een ander schokkend detail: toen Saul zich eenmaal had doorboord, had het leven voor de trouwe wapendrager ook geen zin meer. Die stortte zich net zo in het zwaard. Is dit niet een staaltje van huiveringwekkende imitatie die, ook in de Bijbel, zelfmoord als een niet vrijblijvende, want relationele daad neerzet? (1 Samuel 31 1:13)

In het boek Rechters vinden we het verhaal over de massamoordenaar Abimelek. Het einde van deze psychopaat gaat als volgt: als hij na de zoveelste wandaad een toren vol onschuldige mannen en vrouwen in brand wil steken, werpt een vrouw een molensteen naar beneden en verbrijzelt zijn schedelpan. Hij heeft volgens de Bijbel toch nog net genoeg adem om, alweer, zijn wapendrager om hulp bij euthanasie te vragen. Abimelek wordt tot in het einde gedreven door een waanzinnige ijdelheid. “Trek je zwaard en steek me dood; anders zeggen ze nog dat een vrouw mij gedood heeft.” (Rechters 9,54).

De zelfmoord van de weerzinwekkend immorele Achitofel, de 'raadsheer' van David, die met zijn zoon Absolom tegen diens vader samenzweerde, loopt kalmer af. Achitofel gaf Absolom het fraaie advies om op het dak van het paleis in het openbaar met de vrouwen van zijn vader te paren. Toen hij met Absolom de afgrond in ging, maakte hij eerst zijn zaken netjes in orde en verhing zich. De Bijbel zegt er nog bij dat hij werd begraven in het graf van zijn vader. Achitofels 'verzorgde' einde vormt daarmee een uitzondering op het soort einde dat we van een zelfmoordenaar in de Bijbel 'gewend' zijn, namelijk bruut en hemeltergend. (2 Samuel 17, 23).

Heel expliciet is de Bijbel over de moorddadige komplotteur Zimri, die Ela, de dronken koning van Israël, vermoordt en op zijn troon gaat zitten. Als Zimri op een goede dag door zijn eigen volk wordt belegerd, steekt hij zijn paleis in brand en komt in de vlammen om. “Dit gebeurt vanwege zijn zonden, omdat hij gedaan had wat Jahweh mishaagt”. (1 Koningen 16, 8-22).

De bekendste zelfmoordenaar in de Bijbel is uiteraard Judas, die zich verhing toen hij wroeging kreeg over de uitlevering van Jezus voor dertig zilverlingen.

De schaarse verhalen over zelfmoord die in de Bijbel terecht zijn gekomen, gaan niet over het liberaal-humanistische gedachtengoed met betrekking tot de rechten van de suïcidale patiënt en zijn euthanasist. De 'patiënten' in de Bijbel zijn dan wel de prooi van de waanzin, maar die waanzin wordt niet beschreven in excuserende termen. Het zijn nogal specifieke verhalen over misse, machtswellustige kerels met te grote ego's. Hun levens en hun daden leidden als vanzelf naar hun nederlaag, die ze aan het eind ook nog eens zelf van het merkteken van de hopeloosheid voorzien. De Bijbel laat die verhalen inderdaad volstrekt voor zichzelf spreken. En dat is meer dan genoeg. Ben je niet lezende blind als je het oordeel er niet in meeleest? Doe je dat niet, dan kun je zelfs beweren dat de Bijbel 'neutraal' schrijft over hulp bij zelfdoding. Maar medici en pastorale hulpverleners lijken mij toch geen wapendragers.

Of het in de Bijbel meeklinkende negatieve oordeel over zich zelf vernietigende mannenlevens ook van toepassing is op de categorieën zelfdoders met een zwaar psychiatrisch verleden in de juridische en medische discussies van vandaag, is natuurlijk een andere vraag. Maar de suggestie als zou de Bijbel ten aanzien van onze laat-twintigste-eeuwse discussie instemmen door te zwijgen, raakt kan noch wal. Het ontbreken van de letter, maakt hier de ketter. Want behalve de letter, is er ook nog de geest van de traditie. Naar mijn oordeel raakt die traditie de kern van de menselijkheid op een dieper plan dan het individualistische 'klantgerichte' denken van een groep hedendaagse medici en juristen.

Is het een 'traditionele' leemte in de protestantse exegese, dat ze zo weinig stem wil gunnen aan de traditie? Waar het om het Eerste Testament gaat, mag het bekend zijn dat het Jodendom zelfdoding principieel ziet als moord. Nechamah Mayer Hirsch vertelt in Het Huis van de levenden, een boekje over Joodse gebruiken bij de dood, dat naaste familie vanuit de joodse tradite in geval van zelfmoord zelfs de gehele verzorging van de dode bewust uit handen geeft. “Hiermee laat het Jodendom zien dat ze de zelfgekozen levensbeëindiging weerzinwekkend vindt”. Het was ook niet alleen een katholieke gewoonte, maar naar zijn oorsprong een joodse traditie, om zelfmoordenaars op een apart stukje van de begraafplaats te begraven. Ik kan me in die vorm niet meer vinden, maar dat de uitvaart van iemand die zichzelf het leven beneemt een gans andere hoort te zijn, omdat zelfmoord nabestaanden confronteert met de diepste kloof die zich tussen mensenkinderen kan openbaren, spreekt mij sterk aan.

Ik volg de traditie ook in zijn onderscheid. Zelfdoding als gevolg van krankzinnigheid en van oorlogstrauma's worden in het Jodendom de persoon niet aangerekend. Ook de katholieke Nieuwe Katechismus spreekt over bijzondere situaties, zoals iemand die geen namen prijs wil geven aan zijn beulen. En waar het gaat om een toestand van volkomen overspannenheid schrijft dit geloofsboek: “Over de schuld kunnen wij niet oordelen.”

De joodse en de christelijke traditie mogen mijns inziens zich nooit bij voorrang en exclusief fixeren op de vraag hoe in een geval van suïcide van een geestelijk ontwrichte mens, de rechten van de individuele medische hulpverlener en de individuele patiënt zijn. Doe je dat toch, dan dreigt de meningsvorming over suïcide op zijn kop te worden gezet. De joods-christelijke ethiek over leven en dood is, als het erop aan komt, niet erg soft. Het leven is immers geen consumptieartikel. De ethiek hoort weliswaar zacht te zijn voor de lijdende mens, maar ook hard waar het leven verdedigd moet worden. Doet ze dat niet, dan laat ze in weerwil van alle goede bedoelingen de mens vallen in zijn eigen diepte; ze legitimeert het zelfdodende gedrag tegenover de levenden door er zelf in te participeren. Hier gaan er hekken van de dam. Ik kan alleen een christelijke moraal volgen die zacht blijft voor de mensen, maar die de dood als therapie ten principale uitsluit. “Laat de doden de doden begraven”, zegt Jezus in een discussie over wie er in het leven voorrang hebben. In de joodse traditie staan de achtergeblevenen met hun zelfverwijten en hun verslagenheid op de allereerste plaats. Zij mogen het grootste beroep doen op medeleven en mededogen. Wellicht als een instinctief verzet tegen het duistere, zuigende, tot navolging uitnodigende (mimetische) karakter dat zelfmoord aankleeft; in inrichtingen en in reeds getroffen families, vaker bij mannen dan bij vrouwen, frequenter op bepaalde leeftijden en in bepaalde periodes, meer in sommige dorpen, stadswijken en bepaalde kerkgenootschappen. Maar de liberaal-humanistische denkwijze is zó geïndividualiseerd dat ze nauwelijks nog oog heeft, hoe zeer zelfmoord een inter-persoonlijk, sociaal fenomeen is.

Mij intrigeert die vraag wat de Nederlandse samenleving, inclusief de protestantse kerken, met het arrest van de Hoge Raad over euthanasie voor 'ongeneeslijk' depressieven in wezen tot uitdrukking brengt. Een stap naar een hogere trede van humaniteit? Het schijnt zo, en het ethisch leiderschap van deze natie wil ik die nobele intentie ook niet op voorhand ontzeggen.

Maar een maatschappelijk debat dat zozeer gedomineerd wordt door juristen, medici en nu ook nog door haastig meedravende pastorale hulpverleners, geeft mij te denken. Juist ook als nabestaande. Hier dreigt de meest extreme hopeloosheid langzamerhand de norm te maken. Terwijl de suïcide in sociale, relationele zin telkens weer naar de hemel roept om bevestiging van de norm dat we moeten leven: God grijp haar ziel, want dit weerspreekt alles waarvoor ik leef . . .

Het professionalistische reductionisme echter schakelt de nabestaanden uit: wat er van suïcide in de kern overblijft is de relatie tussen de dokter en zijn patiënt, nabestaanden vormen daarin hooguit nog een probleem apart. Want waar kan een nabestaande op zijn beurt het door de samenleving ondersteunde recht claimen op een moreel veto, zelfs al is een geliefde persoon hem of haar al ontglipt? Een morele diskwalificatie van de daad is in het geval van een geliefd persoon bijna altijd van levensbelang voor de nabestaande en strijdt niet met de liefde en het respect voor de zelfmoordenaar als persoon. Omdat het altijd moeilijk blijft iemand die zichzelf heeft gedood of vermoord, ooit nog los te zien van die wandaad, is het geen abnormale eis aan de cultuur, om de zaken terwille van hen die willen leven zo zuiver en scherp mogelijk te blijven stellen.

Tot op de dag van vandaag besef ik, dat als een aantal dingen in het leven van mijn zus anders waren gelopen, in haar directe omgeving en tussen haar, haar familie, haar vrienden, en we met elkaar tot veranderingen en besluiten hadden kunnen komen, en we samen onze nek hadden durven uitsteken, wij haar misschien toch langer hadden kunnen behouden. Op zo'n berouwvolle gedachte rust volgens de moderne ethiek echter een taboe. Heel opvallend was, behalve in een gesprek dat ik met een katholieke geestelijke had, dat die schuld bijna door niemand aanvaard werd. Het was, net als mijn woede, hooguit een te respecteren, want voorbijgaande emotie. Ik begrijp dat nu wel, omdat zo'n schuldvraag niet exclusief mijzelf betrof, maar ook de goegemeente die ik er diep in mijn hart graag in had willen betrekken. Maar dan loop je snel tegen een muur van reacties die het verleden willen gladstrijken en vergeten. “Je zult haar daad moeten respecteren.” “Heb je haar eigenlijk wel begrepen?” “Het was haar keus.” “Ze heeft nu eindelijk rust, moet je maar denken.” Ja, ik moest het een enkele keer zelfs “moedig” vinden. Ik moest me, dat vooral, niet schuldig voelen! Ondertussen vlogen deze adviezen me als verwijten om de oren . . .

Als 'opstandige' nabestaande waarvan de grondvesten hebben staan trillen voel ik me nog altijd kwetsbaar. Ach, de mensen zijn wel aardig en vol begrip als je zegt dat het je na jaren nog wel bezighoudt. Maar hoe bepalend mag jouw ervaring zijn? Wat koop jij voor deze enge, non-stop discussie?

Die discussie lijkt vandaag volkomen openhartig te zijn. Eindelijk wordt zelfdoding met respect bespreekbaar! De werkelijkheid is dat jij geen moment rust krijgt. Ik heb me daarom wel eens afgevraagd, of het oude taboe op zelfmoord in onze cultuur alleen maar negatieve kanten heeft gehad . . . Bovendien, de mate van openheid is in werkelijkheid helemaal niet zo groot. Iedere nieuwe vrijheid eist immers toch weer zijn eigen nieuwe taboe. Het hoort toch niet meer, om iedere suïcide te brandmerken als een hemeltergende, persoonlijke en maatschappelijke catastrofe; een kwaad waartegen, ongeacht de extreme randgevallen, hard gevochten moet blijven worden . . . tot het leven erop volgt. Niet als een zaak van een dokter en een patiënt, maar als een zaak van allen voor één.

De grondlegger van de sociologische denkwijze, Emile Durkheim, heeft in zijn maatschappelijke analyses het begrip anomie centraal gesteld. Historici kenden het begrip al eerder. Ze gaven er een periode mee aan die gekenmerkt werd door grote twijfel en onzekerheid over alles. Theologen gebruikten het begrip al in de zeventiende eeuw voor een leven zonder wetten, in het bijzonder goddelijke wetten. Het is de grote verdienste geweest van Durkheim dat hij het verschijnsel zelfmoord optilde boven de daad van het enkele individu en diens eenzaamheid. Hij toonde aan dat iedere zelfmoord een door en door relationeel fenomeen is, dat iets zegt over de mate van integratie van (delen van) de samenleving, waarin een suïcidaal individu verkeert: te zwak of te sterk. Hij gaf daarmee ook het begin van een verklaring, waarom zelfmoord soms opmerkelijk kan verschillen per periode, natie, religie en levensbeschouwing of maatschappelijke groep. Het hoeft geen betoog dat de sociologische visie daarmee dus anticipeert op een sociale, relationele strategie, om veel meer te ondernemen aan de voorwaarden waaronder suïcide kan toenemen of stand kan houden.

De afkeer van de sociologie en maatschappelijke kritische theologie aan het einde van de twintigste eeuw hebben ons tot tevredenheid van sommigen terug gebracht bij de aandacht voor het individuele. Of is dat maar schijn? Wat is het individu daar eigenlijk wijzer van geworden? Zijn vervreemding, zijn eenzaamheid en richtingloosheid moeten voortaan worden gerespecteerd. Klaar ben je.

Anomie, zo leerde Durkheim, is niet zomaar een sociaal probleem, het is het sociaal probleem bij uitstek. En zo is het ook met zelfmoord.

Met de individualisering van zijn problemen, lijkt er meer aandacht voor de zeggenschap van de mens over het eigen leven te ontstaan; maar een mens die we met medische en pastorale instemming al zijn kaarten laten weggeven aan de krachten van de duisternis, verliest alles, ook zijn autonomie. En op de koop toe worden zijn nabestaanden geschokt in hun meest elementaire waarden. Zo dreigt onze cultuur met iedere uitgedeelde zelfmoordpil aan zin, inhoud en vitaliteit te verliezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden