ideeën over de grens

Alleen een Grüfri struikelt over Nafri's

Was de aanhouding van honderden jonge Noord-Afrikaanse mannen in Keulen proportioneel, of een typisch geval van etnisch profileren? Dat Duitse debat is al brisant, maar ook ernstig vervuild door het taalgebruik van de politie. In een tweet sprak de dienst van 'Nafri's'. "Een volstrekt onaanvaardbare en denigrerende aanduiding van een hele groep", fulmineerde de voorzitter van de Groenen, Simone Peter. Dat kwam haar weer op hoon te staan. Bild lanceerde voor haar de term, en hashtag, 'Grüfri': GRÜn-Fundamentalistisch-Realitätsfremde Intensivschwätzerin' (Groen-fundamentalistisch-realiteitsvreemde intensiefkletskop).


Ook uit eigen partij kreeg de voorzitter kritiek. De Groene burgemeester van Tübingen, Boris Palmer, dicht Peter een diepgewortelde anti-autoritaire partijreflex toe, een algemene hekel aan agenten. "Als honderden vrouwen betast worden en een vrachtwagen een moorddadige rit over een Kerstmarkt maakt, dan willen bijna alle mensen niet vóór de staat, maar dóór de staat beschermd worden." Anders dan rechts, hebben De Groenen geen ideeën over hoe te voldoen aan die behoefte, meent hij. Al was dat politieoptreden misschien niet helemaal ok, Peters timing was beroerd.


Amerikaanse presidenten worden zelden herinnerd om hun niet-ingrijpen bij slachtingen in het buitenland. President George W. Bush bleef passief in Darfur, Bill Clinton in Rwanda, George H.W. Bush weifelde in Bosnië, enzovoort. Maar wie heeft het daar nog over? Gaat Barack Obama de geschiedenis in als de president die toekeek hoe in Syrië honderdduizenden doden vielen, steden verwoest werden, en miljoenen moesten vluchten? Een smet op zijn blazoen zal het zeker blijven, schrijft historicus David Greenberg in Foreign Policy. Zo niet om de slachtingen, dan wel om de foute inschatting dat 'Syrië' geen grote Amerikaanse belangen raakt. Obama heeft de veiligheid in de wereld een slechte dienst bewezen 'als correctie op de al te agressieve buitenlandse politiek van (voorganger) Bush', vindt hij.


Monumenten van Iwan de Verschrikkelijke tot Stalin staan in Rusland nog recht overeind. Hoe komt dat toch? Dat krijg je, betoogt Ivan Davydov van het Moskouse Carnegie Center, doordat Russen al eeuwenlang met de paplepel ingegoten krijgen dat de staat sterk moet zijn, en dat ze voor dat hogere doel offers moeten brengen. "De geschiedenis van het volk behoort aan de tsaar", zo begon de negentiende eeuwse Nikolaj Karamzin de eerste grote geschiedschrijving van het land. Davydov noemt een paar helden die wat hem betreft betere papieren hebben voor verering.


Maar meer kans op succes - dat wil zeggen een kijk op de geschiedenis die mensen centraal stelt en ook oog heeft voor de schaduwkanten - heeft een initiatief dat de laatste jaren 'van onderop' is ontstaan. Op Overwinningsdag plachten de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog te paraderen. Maar door hun langzame uitsterven verzandden die parades. Dat bracht burgers op het idee om te paraderen met portretten van familieleden die in de oorlog gevallen zijn. Niet tot ieders vreugde. 'In plaats van Ruslands militaire kracht, de ongebroken geest van het volk te vieren', schreef de nationalistische politicus Nikolaj Starikov, wordt de 'dag van eenheid en overwinning' straks een rouwdag. Dat schrikbeeld van Starikov lijkt Davydov juist een prima idee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden