Ich bin ein Fürstenfelder

Volgens Biller willen allochtone schrijvers aardig gevonden worden. Daarom doen ze alsof ze zélf ook heel Duits zijn

In zijn woedende schotschrift 'Laatste afrit Uckermark', dat in februari in weekblad Die Zeit verscheen, windt Maxim Biller zich op over collega-schrijver Saša Staniši¿. Die heeft zich na zijn fulminante roman 'Hoe de soldaat de grammofoon repareert' (2006) geheel aangepast aan de koele Duitse norm, meent Biller, en wijst op Staniši¿' jongste roman 'Vor dem Fest', die niet zoals zijn debuut op de Balkan speelt maar in een suffig dorp in de Uckermark.

Billers polemische uithaal is bestemd voor Duitse schrijvers met een niet-Duitse achtergrond en een niet-Duitse moedertaal. Schrijvers zoals hijzelf dus: Biller groeide tot zijn tiende op in Praag als kind van Russisch-Joodse ouders. Of zoals Staniši¿, die als veertienjarige met zijn ouders vanwege de oorlog in Bosnië naar Duitsland vluchtte. Beiden hebben zich de Duitse taal in hun tienerjaren eigengemaakt en zich tot machtige retorische talenten ontwikkeld.

Biller vindt dat allochtone schrijvers veel meer gebruik moeten maken van hun bijzondere schat aan ervaringen en hun geschenk van meertaligheid. Maar in plaats van zich als zelfbewuste intellectuelen te presenteren, verdringen ze hun pijnlijke ervaringen als onwelkome immigrant en gebruiken ze hun exotische achtergrond in hun boeken alleen als folkloristisch decor. Ze willen volgens Biller vooral aardig gevonden worden.

Staniši¿' eerste roman, 'Hoe de soldaat de grammofoon repareert', kan er volgens Biller nog mee door, omdat die grotendeels in het door de Balkan-oorlog geteisterde Višegrad speelt en de pijn van het etnische geweld voelbaar maakt. Inmiddels zou Staniši¿ zich tot over de grens van de zelfverloochening heen hebben aangepast door als neo-Duitser over oer-Duitsers in de diepe provincie te schrijven.

Biller schreef zijn polemische stuk toen Staniši¿' 'Vor dem Fest' (dat in het najaar in Nederlandse vertaling verschijnt) nog niet was uitgebracht. Pas een maand later konden publiek en kritiek kennisnemen van de roman. Het boek werd de hemel in geprezen en kreeg prompt de Prijs van de Leipziger Buchmesse. Biller leek gelijk te krijgen: autochtone lezers en critici zijn gek op migrantenschrijvers die zich aanpassen.

Het punt is alleen dat 'Vor dem Fest' een allesbehalve aangepast boek is. De roman kent dezelfde rijkdom aan figuren en stemmingen als Staniši¿' debuut, hij getuigt van dezelfde taalvirtuositeit en dezelfde lichtvoetige humor. Het verhaal had net zo goed in een Bosnisch dorp kunnen spelen en dat was, zegt de schrijver in een interview, oorspronkelijk ook de bedoeling. Tot een vriend hem erop wees dat er in de Uckermark net zulke dorpen zijn.

Vier jaar lang vertoefde Staniši¿ regelmatig op het Brandenburgse platteland, proefde er de sfeer en dook in de plaatselijke archieven. Het resultaat is het portret van een door hem 'Fürstenfelde' gedoopt dorp, een portret zoals geen Duitser dat ooit had kunnen schrijven. De blik van buiten, de hilarische vondsten, de onbevangen omgang met de Duitse taal en met het lokale dialect, om dat te kunnen moet je een allochtoon zijn.

In 'Vor dem Fest' is geen spoor te vinden van het door Biller verfoeide 'innerlijkheidsproza' dat sinds auteurs als Botho Strauss en Peter Handke de norm zou zijn waaraan allochtone schrijvers zich al te gewillig aanpassen. Ook Billers stelling dat de 'slaapverwekkende eenvormigheid' van de huidige Duitse literatuur komt doordat veel jonge schrijvers het Leipziger Literaturinsititut doorliepen, slaat de plank mis. Ook Staniši¿ komt daar vandaan.

Criticus Ijoma Mangold van weekblad Die Zeit, zoon van een Nigeriaanse vader, laat geen spaan heel van Billers zoveelste aanval op de "incestueuze homogeniteit van de hedendaagse Duitse literatuur". Mangold wijst op Billers eigen romans die precies dat doen wat hij veroordeelt: de pijntjes beschrijven van dertigers in de grote stad. Waar is hier "het volle leven met al zijn culturele tegenspraken'", zoals Biller dat van zijn medeallochtonen eist?

Culturele tegenstellingen zijn er volop in Staniši¿' Fürstenfelde.

Hij beschrijft ogenschijnlijk heel gewone dorpsbewoners, de meeste met hun wortels nog diep in de DDR. Met veel empatische ironie geeft hij ieder van hen hun eigen tragiek mee. In de nacht voorafgaand aan het Sint-Annafeest leiden die individuele lotgevallen tot onderlinge botsingen waaruit dramatische gebeurtenissen voortkomen.

Om maar een van de vele gebeurtenissen te noemen: in die nacht stuit de jonge Anna, die op het punt staat het dorp voorgoed te verlaten, op de oude heer Schramm, voormalig officier van het DDR-volksleger. Schramm twijfelt tussen zichzelf door de kop schieten of een pakje sigaretten uit de automaat halen. Als de automaat weigert schiet hij er een kogel doorheen. Anna helpt hem alsnog aan sigaretten te komen en redt zo zijn leven.

Fürstenfelde zit vol met zulke doodgewone idioten. De moddervette chef van het Heimatmuseum. De zwerver in trainingspak die iedere dag bij de bakker een puddingbroodje haalt. De neonazi die, als het erop aankomt, te lui is om uit zijn bed te komen. De voormalige Stasi-spion die almaar zwijgt maar wel de beste eieren van het dorp verkoopt. De bewoner die zijn garage tot de enige kroeg van het gehucht heeft omgebouwd.

De verteller van dat alles is niet de alwetende schrijver, ook niet een observerende ik, maar een wij dat de collectiviteit van de dorpsbewoners omvat, zowel die uit het heden als die uit het verre verleden. Een geweldige vondst. "We zijn bedroefd", luidt de eerste zin van de roman. "We hebben geen veerman meer. De veerman is dood. Twee meren en geen veerman. Naar de eilanden kom je nu alleen als je zelf een boot hebt. Of als je een boot bent."

Staniši¿ giet grootse dramatiek in piepkleine gebeurtenissen en laat die becommentariëren door een koor van dorpsbewoners dat aan Griekse tragedies doet denken. Wat heeft dat nog met de door Biller veronderstelde navelstaarderij van de hedendaagse Duitse literatuur te maken? Het is eerder Biller die de allochtone schrijvers ertoe oproept vooral hun eigen navel te bestuderen door de problematiek van hun eigen vreemdheid tot thema te maken.

Natuurlijk levert ook die methode mooie literatuur op. Dat bewijzen tal van Duitstalige allochtone schrijvers zoals Sherko Fatah en Melinda Nadj Abonji. Of heel onlangs Katja Petrowskaja, met haar veel besproken 'Vielleicht Esther'. De Oekraïense schrijfster volgt vanuit haar huidige woonplaats Berlijn het spoor terug naar haar Joodse familie in haar geboortestad Kiev en nog verder terug in Wenen en allerlei Poolse steden.

Toch moet Petrowskaja niets hebben van Billers eis tot allochtone authenticiteit. "Wat mij betreft argumenteert Biller als een loepzuivere racist", zegt de schrijfster in een interview in Die Welt. "Biller schept een racistisch genoegen in zijn rol van slachtoffer. Daar wil ik niets mee te maken hebben." In haar familie-epos speelt de Holocaust weliswaar een grote rol, "maar die hoort nu eenmaal tot onze geschiedenis, echter niet tot onze identiteit".

Met het verwijt van racisme doelt Petrowskaja vooral op Billers poging om schrijvers vast te pinnen op hun etnische achtergrond.

Andere critici van Biller in het nu al maanden durende debat zien het racisme vooral in diens onderscheid tussen de autochtone Duitse schrijvers, die van de literatuur een slaapverwekkende vertoning hebben gemaakt, en de allochtone Duitse schrijvers, die de literatuur uit haar doornroosjeslaap wakker zouden moeten kussen.

Meer nog dan door de schare verontwaardigde commentatoren wordt Biller weerlegd door het literaire werk van schrijvers als Staniši¿ en Petrowskaja. Zij maken hun allochtone identiteit niet tot inzet van hun verhalen maar gebruiken die louter als perspectief om van min of meer bekende geschiedenissen (die van een Oost-Duits dorp, die van een Joodse familie in het Europa van de twintigste eeuw) onvermoede en verrassende kanten te laten zien. Met eenzelfde luchthartigheid als Staniši¿ vertelt Petrowskaja de wonderlijke geschiedenis van haar familie, die door Europa trok om overal scholen voor doofstomme kinderen op te richten. Zelfs de familieleden die in het massagraf van Babi Jar bij Kiev eindigden, zijn bij haar niet alleen maar slachtoffer. Staniši¿ op zijn beurt rust Fürstenfelde uit met dezelfde wilde, sprookjesachtige magie die we kennen uit de spetterende vroege films van zijn landgenoot Emir Kusturica.

Schrijver-historicus Per Leo riep het Biller onlangs luid toe: "Hou eens op over 'literatuur' te kletsen, laten we het over boeken hebben!" Leo debuteerde zojuist met een verbazingwekkende roman over zijn nazi-opa, 'Flut und Boden'. Ook die roman is bepaalt geen proeve van wat Biller 'krachteloos innerlijkheidsproza' noemt. En dat van een autochtone Duitser!

Saša Staniši¿: Vor dem Fest. Luchterhand Literaturverlag, München; 320 blz. euro 19,99. De vertaling verschijnt deze herfst.

Katja Petrowskaja: Vielleicht Esther. Suhrkamp Verlag, Berlin; 285 blz. euro 19,95

Per Leo: Flut und Boden. Roman einer Familie. Klett-Cotta Verlag, Stuttgart; 352 blz. euro 21,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden