I en II Koningen (Salomo)

De belangrijkste daad van koning Salomo was de bouw van de tempel. Maar uit alles blijkt dat 'de tempel die de lezer zojuist nog in volle glorie zag verrijzen, op het papier van het boek Koningen, al onderhevig is aan veroudering, al wordt gesloopt'. Nicolaas Matsier vermoedt hier de hand van de godheid 'die altijd al grote moeite heeft gehad met het type gebouwen waarin zijn concurrenten uit het Nabije Oosten gehuisvest plegen te worden, en met wat er zoal in zulke gebouwen pleegt te gebeuren'. 'Hij is immers de enige god die wil dat er een tekst in ere wordt gehouden. Wat moet een tekst eigenlijk in een tempel?'

Ongedeeld heeft Israël slechts drie koningen gekend. De eerste twee daarvan, Saul en David, zijn hoofdrolspelers in het boek Samuel; nummer drie -Salomo, zoon van David- treedt aan in het boek Koningen. Daarin wordt Salomo, de laatste koning dus van geheel Israël, gevolgd door een complete stoet van koningen die na het uiteenvallen van het rijk in twee stukken geheerst hebben over hetzij het zuiden hetzij het noorden. Deze periode, die zo'n vier eeuwen geduurd heeft, eindigt met de val van Jeruzalem in 586 voor Christus.

Vergeleken bij Saul en David is de toch niet weinig beroemde koning Salomo een bijna nondescript karakter. Wat hij wel heeft, dat is statuur. Hij zou een gezicht kunnen zijn op een munt. Zijn in hoofdzaak symbolische gestalte doet de lezer beseffen hoe zeer Saul en David, literair gesproken, mannen van vlees en bloed waren.

Het is in de nadagen van David, die zichzelf niet goed meer warm weet te krijgen, een beetje aftands is geworden, en niet erg goed lijkt te hebben opgelet terwijl de paleisintriges vaste vormen aannemen. Want wie gaat hem opvolgen? Tot verontrusting van Davids vrouw Bathseba, de moeder van Salomo, is daar opeens Adonia. Deze Adonia, die zich verzekerd heeft van militaire en religieuze hulp uit voorheen de entourage van David, zit al bijna op de troon als Bathseba het tij nog weet te keren. Met de steun van een andere priester, een andere generaal, en vooral huisprofeet Nathan krijgt zij haar zoon op de troon, na de ongetwijfeld knap vergeetachtig geworden David 'herinnerd' te hebben aan een belofte die deze -voorzover de lezer bekend- nooit gedaan heeft.

Heel even lijkt Salomo nog een heuse persoon te kunnen worden -een die als Realpolitiker veel weg heeft van zijn vader David. De maatregelen die de latere vredesvorst ter consolidatie van zijn positie neemt liegen er niet om. Vier tegenstanders ruimt Salomo uit de weg, van wie twee op aanwijzing van David. Bejaard en wel (en met behoud van schone handen) benut die de gelegenheid om nog even een paar appeltjes te schillen.

Onder deze 'eerste regeringsdaden' -zoals de afrekeningen van Salomo in de titel boven de pericoop (I Koningen 2) wijselijk worden aangeduid- is de moord op Joab. Die vindt plaats 'in de tent des HEREN', waar Davids oude en beproefde krijgsmakker asiel heeft gezocht door de horens van het altaar vast te grijpen. Het is een lang uitgestelde bloedwraak die thuishoort in de traditie van het testament van de stervende mafiabaas, zoals commentator Robert Alter aanstipt.

Pas hierna komt de van koning Salomo zo bekende gestalte tot stand: die van de vorst die zo ongelooflijk wijs en ook zo onvoorstelbaar rijk is. Zijn gestalte wordt heel groot, zijn personage een staketsel. Salomo krijgt iets van een paspop. Hij wordt de drager van een bovenzinnelijke gedachte, om niet te zeggen een droom. Omringd door niets dan regalia en voorzien van niets dan ideale eigenschappen wordt hij de geheel doorzichtige hoofdpersoon van een vorstenspiegel. Alles aan en rondom Salomo is, om het in termen van kledingmaten te zeggen, extralarge. De titels boven de pericopen geven dat ook voortreffelijk aan. Daar staat: 'Salomo's bede om wijsheid'. En: 'Salomo's wijze rechtspraak'. En: 'Salomo's grootheid'. Chapeau, Salomo!

Salomo, het moet gezegd, heeft iets gaapverwekkends.

Nadat hij door zijn moeder en zijn vader op de troon is gezet krijgt Salomo -om een en ander van hogerhand nog wat extra kracht bij te zetten- een heel mooie droom, waarin hij bevorderd wordt tot religieuze sprookjesheld. God komt speciaal bij hem langs om te vragen wat hij hebben wil -zeg het maar! En, jawel, Salomo geeft het voorbeeldige antwoord waartoe de droom hem in staat stelt. De ideale bestuurder en jurist die hij nu al bijna is vraagt om 'een opmerkzaam hart'. En zoals dat in sprookjes gaat: ook al die banale dingen waar je niet om gevraagd hebt, krijg je dan evenzogoed toch -het lange leven en de grote rijkdom.

Volgt het verhaal dat ook meteen een daverende demonstratie is van wat de wijsheid van deze koninklijke rechter wel niet vermag. Het spreekwoordelijk geworden salomonsoordeel vindt plaats in I Koningen 3:16-28. Het wordt uitgesproken ter beslechting van een twist tussen twee vrouwen, wonend in hetzelfde huis, die allebei recent bevallen zijn. Maar het kind van de ene vrouw is gestorven, doordat zij erop gelegen heeft. Vervolgens staat zij stilletjes op om haar dode baby te verruilen voor de levende. Bijgevolg wordt de vrouw van wie de baby nog kerngezond was 's morgens vroeg wakker naast een om zo te zeggen ondergeschoven dode baby.

Moeilijke casus. De dode baby is opeens van niemand meer en de levende wordt door allebei de moeders opgeëist. Van wie is het kind? Salomo mag het zeggen. Mij vielen twee details op die ik me van vroeger niet kon herinneren -waarschijnlijk is de grote naverteller 'voor onze kleinen', W.G. van de Hulst, daar weer eens debet aan. De twee vrouwen zijn namelijk hoeren en hun baby's zonen. Ik maak me sterk dat het menselijke probleem hiermee, althans in de oudtestamentische context, een ietwat schematisch en misschien ook lichtelijk komisch karakter heeft verkregen. 't Wordt immers een welhaast onmogelijke opgave, met zoveel onbekenden in de vergelijking. De vraag naar de ware moeder krijgt -tegen de achtergrond van die andere, al even onbeantwoordbaar lijkende, vraag: namelijk wie de vader is- iets bijna schouderophalends.

Hoe dan ook, de uiterst chique rechter klaart de klus met behulp van een op zijn verzoek gebracht zwaard. We komen er niet uit, zegt hij, we snijden het kind doormidden. Ieder de helft dan maar! Wie weet hebben de helpers van Salomo nog even een klein toneelstukje opgevoerd, met een enkel schetsend gebaar, of een vragende blik naar de koninklijke rechter. Want ja, doormidden, dat is makkelijk gezegd. Maar hoe moet dat: overdwars of in de lengte? Hoe wilt u het hebben, edelachtbare?

Misschien was zulk theater ook helemaal niet nodig voor de ware moeder; die zich, met het zwaard in zicht, alleen nog maar om het welzijn van haar baby bekommert. Geeft u haar het kind dan maar, zegt zij, 'maar doodt het in geen geval'. En nu valt de andere moeder door de mand: zij blijft namelijk eisen dat het kind doorgesneden wordt. Lezers die wel eens in Franeker komen, kan ik in dit verband een bezoek aan het museum aldaar aanbevelen. Daar bevindt zich een even ontroerend als bezopen werkstuk (ik meen omstreeks 1920 vervaardigd) waardoor het Oordeel van Salomo op mechanische wijze tot leven gebracht wordt. 't Is een soort van ijzeren carrousel dat, trillend en piepend van naiveté, onder meer te zien geeft hoe het zwaardje van Salomo, vlak voor het moment suprême, dreigend de lucht in gaat.

Maar Salomo is natuurlijk bovenal een monumentaal bouwer geweest -van de tempel; van zijn eigen paleis; van de muur rond Jeruzalem. Als hij de tempel niet gebouwd had, zou hem niet zo'n prominente plaats toebedeeld zijn in het boek Koningen. De bouwactiviteiten worden beschreven in I Koningen 5-8 en de nadruk ligt op de kennelijke grootsheid en kostbaarheid van de verrijzende bouwwerken. Maar hoe de tempel er, bij alle technische gegevens die er verstrekt worden, uit mag hebben gezien, blijft voor de lezer van het boek Koningen nogal de vraag. Een bezoek aan het Bijbels Museum in Amsterdam, waar een aantal modellen te zien is, versterkt althans deze bezoeker in de indruk dat de diverse reconstructies -uit de achttiende, de negentiende, de twintigste eeuw- zeker ook de eeuw van de reconstructeur weerspiegelen.

Nu kunnen de inrichting en het uiterlijk van de tempel me ook weer niet zo heel erg veel schelen, eerlijk gezegd. Maar in het verhaal over de inwijding van de tempel, te vinden in I Koningen 8, staan een paar mooie dingen. Misschien is het goed om er even met nadruk op te wijzen dat deze inwijding een eind maakt aan de lange reis, aan de omzwervingen en aan de wederwaardigheden van de zogenoemde ark des verbonds. Op het moment waarop priesters deze ark binnendragen in de splinternieuwe tempel van Salomo krijgt deze nomadische noodvoorziening, deze bescheiden reistempel, definitief onderdak in een stenen gebouw, in een stedelijke omgeving.

Goed, daar wordt de ark dus naar binnen gedragen. Ik citeer: 'Er was niets in de ark dan alleen de twee stenen tafelen die Mozes op Horeb erin gelegd had, de tafelen van het verbond dat de HERE met de Israëlieten gesloten had, bij hun uittocht uit het land Egypte.' Vergis ik me -of klinkt hier al meteen iets door van een enorme argwaan tegen de pracht en de praal van het gebouw dat Salomo heeft laten verrijzen om deze ark te herbergen, die zelf immers niets anders bevat en hoeft te bevatten dan de tien geboden?

En dan staat er: 'Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des HEREN, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis des HEREN vervuld.' Nu heeft God zijn opwachting al eens eerder gemaakt als wolk, dat is waar. Maar zit er in de activiteit van deze wolk niet ook iets van een zekere obstructie? Is deze wolk er niet een beetje op uit, ook, om al die pontificale priesters eens even flink buitenspel te zetten? Het lijkt me niet onmogelijk.

'Toen zeide Salomo: De HERE heeft gezegd in donkerheid te willen wonen.'

Dit zijn de eerste woorden die er uit Salomo's mond komen bij gelegenheid van de plechtige ingebruikneming van de tempel. Zij behelzen de reactie van Salomo, de bouwer van de als buitengewoon zichtbaar bedoelde tempel, op wat op dit moment voor ieders ogen gebeurt. Misschien is wat hij voelt ook wel degelijk een tik op de vingers van de kant van deze godheid, die zacht gezegd altijd al grote moeite heeft gehad, en zal blijven houden, met het type gebouwen waarin zijn concurrenten uit het Nabije Oosten gehuisvest plegen te worden, en met wat er zoal in zulke gebouwen pleegt te gebeuren. Hij is immers de enige god die wil dat er een tekst in ere wordt gehouden. Wat moet een tekst eigenlijk in een tempel?

In I Koningen 8:22-62 zien en horen wij Salomo een zeer lang gebed uitspreken. Het is een gebed dat die lengte ook nodig heeft, gegeven wat er allemaal in omgaat. Het is een gebed dat onder veel meer ook over zichzelf gaat. Zo stelt de koninklijke bouwheer van de tempel zichzelf en zijn toehoorders de voortreffelijke vraag: 'Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb.'

Het mooie van het gebed van Salomo, en ik heb me dat pas langzaam gerealiseerd, is dat de tempel als plaats van gebed geleidelijk aan steeds sterker gerelativeerd wordt. Salomo voorziet bijvoorbeeld dat zijn militairen, ten strijde getrokken, niet in de buurt van de tempel zullen zijn, en hij verzoekt God alvast om naar hen te luisteren als zij 'bidden tot de HERE in de richting van de stad die Gij verkoren hebt' -Jeruzalem dus. En even later verzoekt Salomo God om, op nog veel groter afstand van de tempel en van Jeruzalem, te willen luisteren naar degenen die als gevangenen zijn weggevoerd en tot Hem smeken in het land van wie hen weggevoerd hebben. En ook dezen, weet Salomo al, zullen 'bidden in de richting van het land dat Gij hun vaderen gegeven hebt, van de stad die Gij verkoren hebt, en van dit huis dat ik voor uw naam gebouwd heb'. Waarbij het steeds herhaalde verzoek dit is: of God 'in de hemel, de vaste plaats uwer woning' naar al die gebeden luisteren wil.

Met andere woorden: de tempel die de lezer zojuist nog in volle glorie zag verrijzen, op het papier van het boek Koningen, is al onderhevig aan veroudering, moet al worden achtergelaten, wordt al gesloopt -terwijl Salomo nog bezig is met de inauguratie. Het zal duidelijk zijn dat de hele geschiedenis van de ballingschap al mee resoneert in dit gebed van Salomo. Het moet een priesterlijke balling geweest zijn, dat kan niet anders, die hier als buikspreker fungeert voor de koning die de bouwheer van de tempel was.

Nadat het gebed van Salomo verklonken is, wordt er geofferd. Tweeëntwintigduizend stuks rundvee en honderdtwintigduizend stuks kleinvee moeten eraan geloven. Zou er, in deze krankzinnige aantallen, indien ze niet louter symbolisch zijn, misschien ook een soort cumulatie gezien kunnen worden, van de talloze, al eeuwenlang niet meer naar behoren gebrachte, offers? Dat zou je best kunnen denken: een onmachtige inhaalmanoeuvre van een priesterlijk schrijver.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden