HYDROGRAFIE

Betwist en bijna bevochten: Imia/Kardak tussen Griekenland en Turkije, Quemoy en Matsu bij Taiwan, de Spratly-eilanden. Met onooglijke stukjes land is de nationale eer gemoeid. Hydrografen spannen zich echter niet meer in om elke nieuwe rotspartij te registreren. Op de kaart staan zelfs nog circa twintig eilandjes waarvan niet eens zeker is of ze bestaan. Maar dat is weleens erger geweest.

MARK TRAA

In 1832 publiceerde de Amerikaan Morrell 'Een verslag van vier reizen naar de Zuidzee, 1822-1831'. Het was een slecht boek van een notoire opschepper. Britse hydrografen twijfelden aan alles wat Morrell schreef: dat hij tot bij Antarctica was gevaren, dat hij daar vergeefs had gezocht naar de Aurora-eilanden maar wel een reeks andere eilanden had ontdekt. Morrell zou zijn verslagen hebben doorspekt met passages uit een zojuist verschenen avonturenboek over een reis naar de Zuidpool.

Tijdens zijn tweede expeditie, in juli 1825, ontdekte Morrell naar eigen zeggen twee eilanden ten noordwesten van Hawaii. Eén ervan vernoemde hij naar zichzelf. Morrell Island zou de zeekaarten ruim een eeuw lang ontsieren. Nu weten we dat de kapitein zijn eilandje òf bewust verzon, òf dat zijn navigeerkwaliteiten zo belabberd waren dat hij het ver oostelijk gelegen eiland Cure had herontdekt. Thuis in New York werd Benjamin Morrell bestraft; niet vanwege zijn nepeilanden maar vanwege de magere opbrengst van zijn reis. Het duurde twee jaar eer hij een derde expeditie mocht uitrusten.

Sinds enige tijd weten we ook dat die keer ene John Keeler met Morrell meevoer. Keeler, waarschijnlijk een ver familielid van de kapitein en een geschoold navigator, hield een pijnlijk nauwkeurig logboek bij van de reis. In 1965 dook het op bij een handelaar in Connecticut. Vergelijking met Morrells aantekeningen brengt aan het licht dat de kapitein een zoektocht naar het eiland Saxenbourg uit zijn duim had gezogen.

Saxenbourg, halverwege tussen Brazilië en Afrika, zou in 1670 voor het eerst zijn gezien door navigator J. Lindeman uit Monnickendam. In 1804 en 1816 zouden passerende Amerikaanse schepen het eilandje hebben gesignaleerd.

Morrell schreef omstandig dat hij het gebied rond de veronderstelde locatie van Saxenbourg nauwgezet had uitgekamd, maar tot zijn spijt niets had kunnen vinden. Volgens Keelers logboek was er echter geen sprake van een reis naar Saxenbourg. Morrells schip voer er op grote afstand langsheen. Had de speurtocht wèl plaatsgevonden, dan was hij in elk geval vruchteloos: ook dit eilandje heeft nooit bestaan.

Tot het einde van de vorige eeuw stonden er op nautische kaarten meer dan tweehonderd eilanden die daar niet thuishoorden. Het merendeel werd door gebrekkige navigatie aangezien voor een eiland verderop. Andere bleken optisch bedrog. Weer andere bestonden slechts in de fantasie van eerzuchtige kapiteins die de oogst van hun expeditie aandikten, zoals Benjamin Morrell.

In bijna alle gevallen duurde het decennia, soms eeuwen, eer officiële hydrografische instanties ze van de kaart haalden. Commerciële kaartenmakers volgden op hun beurt met een fikse achterstand. Los Buenos Jardines, twee vermeende eilandjes tussen Japan en de Filippijnen, konden zo maar liefst 444 jaar lang een spookbestaan leiden.

In 1984 schreef de inmiddels overleden Amerikaanse hydrograaf Henry Stommel, verbonden aan het Woods Hole oceanographic institute in Massachusetts, een boek over dergelijke dubieuze eilanden: Lost islands.

Het tegenwoordig door Griekenland en Turkije betwiste eilandje in de Egeïsche zee (Imia volgens de Grieken, Kardak volgens de Turken), de door China bedreigde Taiwanese eilandjes Quemoy en Matsu en de door zes landen opgeëiste Spratly's in de Zuidchinese zee blijken niet de enige mini-eilandjes met een verhaal.

Maar eerst dit: wat is eigenlijk een eiland? Een eiland is land dat volledig door water is omgeven, dicteert desgevraagd een medewerker van het Internationaal hydrografisch bureau in Monaco. Een rots waarop nog net een zeemeeuw kan balanceren, is dat een eiland? Een 'juridisch eiland', weet de Monegaskische hydrograaf, moet ook bij hoogwater droog staan en er moet duurzaam menselijk leven op mogelijk zijn. Twee journalisten met een vlag op Imia/Kardak, telt dat? Als dat politiek zo uitkomt, is een rots makkelijk op te waarderen tot een eiland.

Saxenbourg was dus nep, en zo zijn er meer eilanden geweest die nooit op de kaart hadden mogen verschijnen. De vermelding van het eilandje Tree, ten zuidoosten van Japan, was uitsluitend gebaseerd op een enkel verslag van een walvisvaarder. Dat wreekte zich, want Tree bleek bij nader inzien niet te bestaan.

Nog een voorbeeld. In december 1921 maakte ene kapitein C. J. Nockells melding van een object in het diepe zuiden van de Stille Oceaan dat gelijkenis vertoonde met een fors, bergachtig eiland. Nockells vernoemde het vermeende eiland naar zijn schip. Sindsdien is Emerald nooit meer gesignaleerd, maar in 1974, anderhalve eeuw na zijn 'ontdekking', kwam het vlekje nog voor op sommige kaarten. Het kan haast niet anders of het moet een ijsberg zijn geweest.

Dat was een makkelijke. De Redfield rocks, een forse rotspartij op 1 100 kilometer ten westen van San Francisco, stelden hydrografen voor een aanzienlijk grotere opgave. Ene kapitein Reed zou ze in 1850 als eerste hebben gezien, staande op de brug van zijn brik 'Emma'. In december dat jaar beschrijft hij ze in de scheepskrant Shipping gazette als twee rotsen van tweehonderd tot driehonderd meter lang en vijftien tot honderd meter breed. Ze zouden vijf tot negen meter ònder water liggen.

Reeds waarnemingen worden bevestigd door koopvaarders en walvisjagers. Bij de havenmeester van Honolulu duikt in 1870 een rapport op van een schip dat op de door Reed aangegeven lokatie zijn anker zou hebben uitgeworpen tot negen meter diepte. Drie rotsen zouden boven water hebben uitgestoken. In totaal komen er zes onafhankelijke meldingen binnen van scheepslieden die beweren dat ze de Redfield rocks met eigen ogen hebben gezien.

Tussen 1870 en 1875 worden vier onderzoeksschepen naar de vermeende rotspartij gestuurd. Samen leggen ze 4 500 kilometer af in het gebied waar het soms zo spookt dat elke ondiepte door de woeste golven zichtbaar zou moeten worden. Reeds rotsen laten zich echter niet zien.

Als in 1880 het zoveelste supplement van de List of dangers, een lijst van voor de scheepvaart gevaarlijke objecten, door de Amerikaanse hydrografische dienst wordt bijgewerkt, lijkt het dan ook logisch dat de Redfield rocks worden weggegumd. Maar dat gebeurt niet. Er is reden tot twijfel, omdat een marineschip in 1874 plaatselijk een ondiepte van 690 meter, waar duizenden meters werden verwacht, heeft vastgesteld. De twijfel wordt versterkt als in 1888 opnieuw twee schepen rapporteren dat ze de rocks ruim een meter boven het wateroppervlak hebben zien uitsteken.

In 1902 vertrekken wederom twee Amerikaanse onderzoeksschepen. De ondiepste peiling die ze ter plekke verrichten is 4 720 meter. De officiële conclusie luidt dat de Redfield rocks nooit hebben bestaan en dat er zeker nooit een schip voor anker heeft kunnen gaan. Hoe zoveel doorgewinterde zeelieden zich in de luren hebben laten leggen, is een raadsel gebleven.

Er is ten minste één verschil tussen vliegende schotels en dubieuze eilanden: van de laatste is onomstotelijk aangetoond dat ze kunnen komen en gaan. Serieuzer dan het verzuipen van een compleet continent Atlantis is het verhaal van het eiland Tuanahe in de Stille Oceaan, dat rond 1844 met man en muis zou zijn vergaan. Vastgesteld is dat Oahu, een van de Hawaiï-eilanden, elke eeuw vijftien centimeter daalt. Onder de oppervlakte bevinden zich 'terrassen' van koraal die eens op zeespiegelniveau lagen.

Vulkanische eilanden verzinken doordat de oceaanbodem bezwijkt onder hun gewicht, of door bodemverschuivingen die na hun doorgaans heftige geboorte nog enige tijd voortduren. Of kapitein Charles Weatherby Gelett een dergelijk verschijnsel in augustus 1837 ergens in de Pacific meemaakte is niet meer vast te stellen, maar hij schreef destijds: “Tot onze verrassing troffen we op de bewuste plaats geen eiland aan maar grote hoeveelheden dode bomen, takken en bladeren die in het water dreven. Twee uur lang voeren we door de overblijfselen van een eiland dat door een schokbeweging onder water verloren was gegaan.”

Ruim vijftig jaar eerder had Geletts Deense collega Von Löwenorn even ten zuidwesten van IJsland precies het omgekeerde meegemaakt. De kapitein en zijn bemanning dachten dat de wereld of tenminste IJsland verging, toen de oceaan voor hun ogen leek te exploderen. In een mum van tijd spuwde een vulkaan een nieuw eiland op de kaart. Of eigenlijk niet op de kaart, want voordat een gealarmeerde Deense oorlogsbodem poolshoogte had kunnen nemen, was het eilandje alweer weggespoeld.

Er zijn ook recentere voorbeelden van nieuwe vulkanische eilanden. In de Straat van Sicilië bevindt zich een ondiepte, Grahams' Bank. In 1831 was het even een eiland van driehonderd meter lang en dertig meter hoog. In het korte leven van het eiland Graham wisten geologen ter plekke bodemmonsters te nemen. Dat gebeurde ook toen de vulkaan Fukuto-kuo-kanaba in januari 1986 bij Japan een eiland van een kilometer lang en vijftien meter hoog vormde. Tijdelijk weliswaar, want het prille stukje land bleek niet bestand tegen de beukende golven. Het vulkaaneiland Surtsey, ten zuidwesten van IJsland, bestaat sinds zijn 'geboorte' in 1963 nog steeds.

Het komt ook voor dat een stuk koraalrif vrij plotseling boven water opduikt. Dat kan een gevolg zijn van vulkanische activiteit verderop. Volgens de Amerikaanse geologen M. McNutt en H. W. Menard maakt de oceaanbodem bij zo'n eruptie een golvende beweging die het ene koraalrif verder de diepte in doet verdwijnen en het andere juist opwaarts stoot. Het is goed denkbaar dat een aantal van de dubieuze eilanden van vroeger inmiddels een teruggetrokken bestaan leidt als een seamount, een onderwaterberg.

Dat was de gedachte van een hydrograaf van de Amerikaanse marine, die in 1940 opperde dat de beide Los Buenos Jardines eilanden door een gril van de natuur de diepte in zijn gesleurd. In 1529 had de Spaanse kapitein Alavaro de Saavedra er naar eigen zeggen enkele dagen op doorgebracht en aangenaam gezelschap gevonden in de bewoners. In juli 1788 zocht een Brits schip met gevangenen op weg naar Australië tevergeefs naar de eilandjes om de bemanning te laten herstellen van scheurbuik.

In de daaropvolgende jaren nam de onduidelijkheid alleen maar toe. De ene walvisjager zei geen eiland te hebben gezien, de ander beweerde op Los Buenos Jardines te zijn geland. In 1923 en in 1926 konden een Amerikaans stoomschip en een Japans marinevaartuig niets vinden. Een onderzoeksschip verrichtte in 1933 echopeilingen en kwam toen met een resultaat: geen land in zicht, wèl een berg op de oceaanbodem. De berg had twee hoge pieken en de meest noordelijke lag erg dichtbij de plaats waar volgens de overlevering een van beide Jardines zou moeten liggen. Het zou nog tot 1973 duren eer de eilandjes van alle kaarten waren verdwenen.

Henry Stommel schrijft in Lost Islands dat hij ooit van een vriend hoorde dat kapiteins in vroeger tijden niet eens zo blij zouden zijn met een foutloze kaart. Wie zo onvoorzichtig was vast te lopen op een bestaand eiland, kon fluiten naar verzekeringsgeld. Wat was er makkelijker dan de schuld te geven aan een anonieme rots?

En zo dienden dubieuze eilandjes wel vaker dubieuze doelen. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het voor dat een bedrijf met de nodige moeite een licentie had verkregen om een eilandje te ontginnen, dat ter plaatse onvindbaar bleek. In maart 1859 werd in het dagblad New York Tribune een lijst gepubliceerd van 48 eilandjes waarop grote hoeveelheden guano (gedroogde zeevogelpoep) te vinden zouden zijn. Van zeker 21 eilandjes was het bestaan onzeker.

Guano, dat in de negentiende eeuw in de Verenigde Staten en Europa vanwege het hoge fosfaat- en ammoniakgehalte in trek raakte als landbouwmest, was de grote drijfveer achter de razendsnelle annexatie van talrijke eilandjes in de Stille Oceaan door Amerikaanse bedrijven. Jaarlijks werden honderden tonnen afgegraven op de meest onooglijke plekken.

In de beginperiode van de guanowinning kwam het bijna tot een gewapend conflict tussen de Verenigde Staten en Peru, met de Lobos-eilandjes voor de Peruaanse kust als inzet. In de veronderstelling dat deze vrijelijk te betreden waren, gingen de Amerikaanse guanogravers er aan de slag. Nadat Peru dreigde hen te arresteren en hun schepen in beslag te nemen, stuurde Washington enkele oorlogsbodems naar het gebied. De Amerikanen dropen af toen duidelijk werd dat de eilandjes inderdaad rechtmatig aan Peru toebehoorden.

In november 1875 beval het hoofd van de hydrografische dienst van de Britse marine, Sir Patrick Evans, tot een grote schoonmaak op de Admiraliteitskaart nummer 2683. In een klap werden 123 twijfelachtige eilandjes op deze kaart van de Stille Oceaan geschrapt. Drie moesten later in ere worden hersteld, omdat ze alsnog bleken te bestaan. Maar eilandjes als Ganges, Lot's wife, Jesus en L'Enfants perdu hielden definitief op te bestaan. Sommige spookeilanden, waaronder het frauduleuze Morrell Island, bleven echter gehandhaafd.

Sindsdien is de lijst van dubieuze eilanden alleen maar verder geslonken. Hoeveel er tegenwoordig zijn? Chris Carlton, medewerker van het Brits hydrografisch bureau in Taunton, Somerset, wil wel een educated guess doen: een stuk of twintig. Existence doubtful staat er achter hun naam of nummer op de kaart. Er is geen lijst van. Niemand, een handjevol 'islomanen' uitgezonderd, bekommert zich om eilandjes ver buiten vasteland en vaarroutes.

Aan het registreren van rotsen en onderwaterbergen waagt zich vandaag de dag geen enkele hydrograaf. Als Chris Carlton afdaalt in het archief, treft hij er meters dossiers aan van dubieuze objecten in de wereldzeeën. Soms wordt er wat van de lijst geschrapt als een meetschip toevallig in de buurt is en niets vindt op een plek waar volgens de kaart wel wat zou moeten zijn. Carlton kan zich niet herinneren wanneer er voor het laatst een nieuwe rots of eiland in de kast is bijgezet.

En wie denkt dat tegenwoordig met satellieten het ene na het andere eiland wordt ontdekt, komt bedrogen uit. Net als schepen en vliegtuigen werken kunstmanen vooral in dienst van de klant. Verreweg de meeste 'watergebruikers' zijn louter geïnteresseerd in plaatjes van kustgebieden en vaarroutes, waar je geen nieuwe eilanden meer verwacht.

Soms gebeurt het toch. Landsat Island, 25 bij 45 meter groot, werd in 1976 op een opname van de gelijknamige Amerikaanse observatiesatelliet ontdekt voor de kust van het Canadese Labrador.

Maar de meeste onbekende eilanden, voor zover aanwezig, liggen natuurlijk verder van het vaste land. Volgens een Nederlandse distributeur van satellietbeelden is nog geen kwart van het oceaanoppervlak vanuit de ruimte vastgelegd. Wat er wèl aan beelden voorhanden is, vertoont doorgaans te weinig detail om de aanwezigheid van elke rotspunt te verraden. De wereldvoorraad satellietbeelden is echter vele terabytes groot en slechts een fractie is tot dusver geanalyseerd - en dan nog vooral door mensen die nìet naar eilandjes zochten.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden