Huwelijksmoraal / Ik wás als pastoor niet zo'n bemoeial

De ontdekking van het eigen geweten als toetssteen voor goed en kwaad in de huwelijksmoraal was voor Nederlandse rooms-katholieke pastores een even grote opluchting als voor hun kudde. De eersten zijn te vaak afgeschilderd als bemoeials met de bedstee en het kindertal van hun gelovigen, maar ze voelden zich ook maar gestuurd of meden uit zichzelf het heikele thema.

Angelo Somers en Frans van Poppel, verbonden aan het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (Nidi) te Den Haag hebben ruim twintig (emeriti) priesters van tussen de 70 en 90 jaar uit het bisdom Breda uitvoerig aan de tand gevoeld over hun zielszorgpraktijk met betrekking tot huwelijk en voortplanting. In het kwartaalblad Mens en Maatschappij rapporteren zij.

De situatie is bekend: de eerste vijftig, zestig jaar van de vorige eeuw scoorden Nederlandse katholieken bijzonder hoog met hun aantal kinderen, niet alleen hoog voor Nederlandse begrippen, ook in verhouding tot katholieken in Duitsland, België en Frankrijk.

Een emeritus pastoor uit Breda vertelt dat hij als piepjonge kapelaan, eind jaren dertig, werd uitgeleend aan een Vlaams bisdom. Hij kreeg instructies van de bisschop daar: ,,Kapelaan, maakt u het onze goede gelovigen niet te moeilijk, zoals u dat in Nederland met al dat calvinistisch gedoe gewoon bent.'' Ofwel: niet gaan vissen waar de kleintjes blijven.

Het Nidi-onderzoek sluit niet uit dat de oude pastores in hun verhalen hun opvattingen van toen enigszins door de ogen van nu hebben bijgekleurd, maar er rijst wel een beeld dat rk geestelijken zeker al in de jaren vijftig, en niet tien jaar later, de leer van hun kerk over seksualiteit en huwelijk niet meer als een loden last op hun gelovigen probeerden te leggen. Het was in hun ogen al iets van de vorige generatie priesters.

In de jaren vijftig kwamen de gelovigen nog trouw, zeker jaarlijks, naar de biechtstoel. Tien tegen één gingen de beleden zonden over de kuisheid, daaronder begrepen de huwelijkskuisheid. De jonge priester wist daar ondanks alle taboe rondom seksualiteit verbazend veel van af. In het Latijn had hij heel precies moeten leren wat man en vrouw allemaal wel en vooral wat ze niet mochten in hun huwelijk. En daar kwamen ze zijn biechtstoel binnen, de een na de ander: ,,Ik heb het huwelijk misbruikt.'' ,,Ik heb gezondigd tegen de natuur.'' ,,Ik heb 't verkeerd gedaan.''

Coïtus interruptus, of met een nog ongezelliger woord uit de moraalhandboeken: huwelijksonanisme, dat was het grote gevaar. Maar de priesters, die nu oud tot zeer oud zijn, gaven zich bij voorkomende gelegenheden al niet meer over aan donderpreken en ze weigerden ook nooit de absolutie, zeggen ze. De jongeren onder hen herinneren zich de colleges moraaltheologie op het seminarie van de toen nog zeer jonge Hub. Ernst, de latere bisschop. In die lessen brak al iets door van wat typerend voor de bisschop zou blijken: moraal is niet primair een zaak van objectieve zonden maar van het persoonlijke geweten.

In 1963 maakte de Bossche bisschop W. Bekkers furore met zijn pleidooi op de televisie dat het de echtparen toekwam hun kindertal te bepalen en dat de katholieke kerk wel een ideaal voorhield, maar dat het nu eenmaal eigen was aan idealen dat ze niet voor iedereen in gelijke mate haalbaar zijn. Het optreden van Bekkers toen is nog altijd historisch, maar voor de Bredase emeriti waren de woorden niet nieuw. Zij zagen er een bevestiging in van hun eigen gedachten en van wat ze in feite allang praktiseerden.

Het was de tijd dat de rk kerk echtparen die er geen kinderen meer bij wilden of konden hebben de zogenaamde periodieke onthouding aanbeval - mits met toestemming van de biechtvader. Veertig jaar later wuiven de geestelijken van toen dit weg: zelden vroeg nog iemand advies, laat staan toestemming en die hele p.o. was volgens hen onpraktisch, moeilijk en risicovol.

Vanuit hun oude dag terugkijkend naar toen, de tijd van hun nog drukbeklante biechtstoelen, leggen zij uit hoe zachtaardig zij daar waren. ,,Je moest de mensen niet de kerk uitjagen en je moest ook helpen dat partners bij elkaar bleven, je moest hen met de leer van de kerk niet uit elkaar drijven. Als mensen kwamen biechten dan was het eigenlijk al goed.''

De onderzoekers hebben op dit punt zo te zien niet doorgevraagd. Als komen biechten al goed genoeg was dan kon wat eraan voorafging ook niet zo erg zijn, zelfs het huwelijksonanisme niet. Korte tijd later was de biecht verdwenen.

Het vergaan der huwelijkskuisheid - De invloed van priesters op geboorteregeling onder katholieken in Nederland in de periode 1935-1970. Mens en Maatschappij, december 2003. Uitgave van de Amsterdam University Press, AUP.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden