Hurry, Hurry

07.00

Op andere dagen kan ze rustig tot tien uur in pyjama rondlopen. “Eigenlijk zou ik 's ochtends natuurlijk veel meer kunnen doen, maar het is ook wel lekker om rustig te beginnen.” De kinderen worden aangekleed door Inge en haar man en na het ontbijt vertrekt Oebele met zoonlief op de fiets naar school. “Andere moeders vinden het een enorme luxe dat mijn man hem wegbrengt. Wees dankbaar, zeggen ze dan. Ik vind het vrij normaal, maar dankbaar ben ik heus wel”, zegt Inge.

Ongeveer honderdvijftig kilometer westelijker wordt er ook ontbeten. “Pappa, mag ik een boterham?”, vraagt Annabelle Poelert (6). Het is net half acht geweest en bij Annabelle thuis, in de Archipelbuurt in Den Haag, zitten ze in de keuken met z'n vieren aan het ontbijt: haar broer Sander (12), haar moeder Iris Poelert-Lutz (44, socioloog) en haar vader Jan Poelert (ook 44, econometrist). Uit de woonkamer komt het geluid van Radio Vier. Haar vader reikt een bruine boterham aan uit het mandje naast hem en Annabel bestrooit die met melkhagelslag. Iris eet een beschuit met aardbeien. Sander is al klaar en verdwijnt naar boven om zijn tanden te poetsen. “Zijn er nog appels?”, vraagt vader Jan als hij van tafel opstaat. “Jawel, moet je maar even kijken”, zegt Iris.

Het is de eerste schooldag na de Tulpvakantie, die de Poelertjes doorbrachten in Engeland. Nu trekken Jan en Sander om tien voor acht tegelijk hun jassen aan en verdwijnen ze samen door de keukendeur naar de schuur, waar de fietsen staan. Ze rijden een eindje op: Sander moet naar zijn gymnasium (Haganum), Jan naar zijn ministerie (VWS) in Rijswijk.

Iris brengt dadelijk Annabelle naar school, maar dat heeft nog wel even. Annabelle zit op de Haagse School Vereniging (HSV), van alle prestigieuze basisscholen in Den Haag misschien wel de allersjiekste - maar vanuit huize Poelert is het ook: de buurtschool. “Ik ga m'n tanden poetsen”, fluistert Annabelle beleefd tegen haar moeder, terwijl die ondertussen over haar werk vertelt ün de afwasmachine inruimt met de ontbijtspullen.

08.00

De een gaat naar het werk, de ander niet. Inge Glimmerveen verruilde vijf jaar geleden haar baan als maatschappelijk werker voor een eenjarige opleiding 'preventiewerk'. Sinds die tijd werkt ze niet meer, maar is ze voltijds huisvrouw. “Dat woord gebruik ik eigenlijk nooit, er kleeft toch een smet aan, maar ik ben het natuurlijk wel. Ik zeg meestal dat ik veel voor m'n kinderen zorg.”

De eerste jaren knaagde het wel aan Inge, dat ze niet werkte. “Ik had veel discussies met m'n man: waarom ben jij er dan niet? Hij heeft wel een jaar ouderschapsverlof opgenomen, maar hij werd niet vervangen en dat betekende dat-ie hetzelfde werk in minder tijd moest doen. Je hebt dan wel dat recht, maar zie maar eens de medewerking te krijgen.”

Nu, na vijf jaar, kijkt Inge anders tegen het thuis-zijn aan. “Ik heb nu een evenwicht bereikt, dat toch best prettig is. Financieel is het niet nodig dat ik werk. Sterker nog, ik heb nu een piepklein baantje van drie uur in de week dat ik thuis kan doen, maar als ik meer zou gaan werken, wordt dat niet gestimuleerd door de belastingen.”

Maar geld is niet het enige. Dat blijkt bij de deur van de peuterspeelzaal, waar Inge de tijd kan nemen om Noor te laten wennen. “Ik moet er niet aan denken dat ik direct naar m'n werk zou moeten hollen. Hurry, hurry, dat is met kinderen vaak moeilijk. Noor heeft soms toch wat meer aandacht nodig. Ik zou soms pijn in m'n buik hebben en bezorgd zijn dat m'n kind iets was overkomen. Mannen kunnen dat toch makkelijker loslaten.” Inge mist het werk niet sterk. “Ik wilde toch een andere richting op. Ik miste in het begin wel heel sterk mijn collega's, die tweede plek naast thuis.”

Iris Poelert is interimmanager bij het ministerie van VROM. Dat is ze sinds anderhalf jaar. Officieel beslaat die baan vier dagen per week. In werkelijkheid is het soms aanzienlijk meer en bepaald geen 9 tot 5-functie. Tien jaar lang werkte Iris bij de Rijksdienst voor de Beeldende Kunst, maar die verhuisde naar Amsterdam en Poelert wilde geen forens worden. Dat huis, school en werk binnen een straal van twee kilometer liggen, is cruciaal, zal Iris later op de dag een paar maal zeggen. “Dit werk vind ik wel z leuk. De eerste tijd ging ik als verliefd naar m'n werk. Helemaal het einde. Helemaal iets voor mij. Ik heb altijd al een ontzettende hekel gehad om me tot een ding te bekeren. Dit is breed, afwisselend en op zekere afstand. Dat is precies wat ik wil. In termen van ambities zou ik dus liever secretaris-generaal zijn dan directeur. Ik wil over de schutting kijken.”

Boven pakt Annabelle in een moeite haar muziekboeken, want na school moet ze door naar harples. De oppas, Ria (60), komt haar straks uit school halen en dan wandelen ze samen door de stad naar de harpjuf. Normaal komt Ria op maandag- en donderdagmiddag, de dagen dat Iris tegen 18.30 uur thuis is. Dan kookt Ria ook. Normaal is Iris op woensdag thuis, maar vandaag niet: de interimmanagers moeten vanmiddag met de hoogste omes van VROM vergaderen. Op dins- en vrijdagen haalt Iris Annabelle zelf om half drie uit school.

Iets na acht uur geeft Annabelle haar moeder in de keuken een haarborstel aan. Iris borstelt Annabelles haar en doet er een elastiekje in. Dat is vandaag praktisch, want ze moet vanmorgen met de klas gaan zwemmen. Dat de school dat zwemmen nog regelt, is reuze makkelijk, vertelt Iris. Dan hoef je als ouders niet die ellenlange sessies van en naar zo'n zwembad... “Annabelle, heb je je zwemspullen eigenlijk al?”, onderbreekt ze zichzelf. “Ja, maar had jij nog een droge onderbroek in m'n tas gestopt?”, vraagt Annabelle. Ja, ook die zit in de tas. Nu nog een rijstwafel voor na het zwemmen. Iris vergeet nog iets - maar dat zal ze pas later vandaag ontdekken.

Ze trekken hun jassen aan en Iris haalt haar fiets uit de schuur. Eerst Annabelle achterop, haar de zwemtas in handen geven, dan de draagbare computer en haar eigen schoudertas schikken, dan hup zelf op de fiets. Iris rijdt, tegen het eenrichtingsverkeer van de Javastraat in, naar de Nassaulaan. Daar staat de school, onder bloeiende kastanjes.

In groep 3, de klas van Annabelle, vraagt Iris aan de juf of die misschien een extra plastic tasje heeft, want natte zwemspullen en muziekboeken in een tas, dat is bij nader inzien niks gedaan. De juf wijst Iris er nog even op dat zij eind mei aan de beurt is om met de kinderen naar het zwembad te gaan. Annabelle is intussen al druk met haar klasgenoten, die ze tien dagen niet gezien heeft.

Weer op de fiets, op weg naar VROM, vertelt Iris over het dilemma dat ze Annabelle enerzijds het goede voorbeeld moet geven, maar anderzijds geen zin heeft in omrijden - en dus toch maar tegen het eenrichtingverkeer in fietst. Dat Annabelle tot voor kort elke ochtend heeft gezegd: 'Maar dat mag toch niet?', maar dat ze dat de laatste tijd niet meer zegt. De gemeente zou het fietspad door de Javastraat echt tweerichtingverkeer moeten maken, dat zou schelen.

09.00

Op kantoor begint voor Iris een dag met veel vergaderingen. Dat betekent ook: een dag in een andere versie van de Nederlandse taal dan die Iris tot nu toe sprak. Van negen tot tien zit ze bij een bijeenkomst van het leiderschapsontwikkelingsproject, waar de deelnemers net een oefening schaduwen achter de rug hebben. Daarover praten ze nu na. “Weet je wat zo opmerkelijk was?”, vertelt Iris, “degene die mij schaduwde, bleek verschillende actoren te kennen die in mijn veld actief zijn!”

Om kwart over tien, Iris staat tussen twee vergaderingen in bij een koffiecorner op een cappuccino te wachten, piept haar GSM. “Dag pap!”, zegt ze. “Nee, eergisteren al. Jawel, jawel, heerlijk. Zeg, vind je het goed als ik je vanavond terugbel?”

Vergadering twee van deze ochtend gaat over Iris' eigenlijke werk. Een interimmanager (volgens het jaarverslag van VROM 'een solist die moet kunnen pionieren') werkt nu eens een paar maanden hieraan, dan weer een paar maanden daaraan. Op het moment is Iris' project: de vraag hoe het na 2000, als het geld (nu: een interdepartementale pot van 30 miljoen) op is, verder moet met de natuur- en milieu-educatie. Ter tafel ligt een 'concept-communicatieplan', geschreven door een andere VROM-ambtenaar. Straks om twaalf uur komt die langs om te horen wat interimmanager Iris en haar ('inhoudelijke') collega van dat stuk vinden.

Die collega is aan het mopperen. “Er staat helemaal niet hoe we het moeten aanpakken! Er had moeten staan wie, wat, wanneer, hoe, gaat doen! Dat staat er niet in!” In hun onderlinge rolverdeling is hij blijkbaar de gepassioneerde en Iris de zakelijke. “Het is dus te globaal?”, vraagt ze. “Ja!”, zegt de collega. Tegen de tijd dat de maker van het stuk ook meevergadert, klinkt de kritiek anders. “Het huidige stuk is wat al te globaal”, zegt Iris. “Misschien ligt dat eraan dat we verschillende verwachtingen hebben van wat een communicatieplan is. Misschien ook dat het concreter had kunnen zijn als weer een andere collega bijtijds klaar was geweest met zijn omgevingsanalyse, waarop dan had kunnen worden voortgebouwd. Zullen we afspreken dat we voor 18 mei met de herziene versie rond zijn, en 'm in de komende week nader afstemmen?” “Dat spreken we af.”

In Zwolle verloopt het overleg anders. “Versta je me niet, heb je soms bananen in je oren?”, is de tekst die Inge krijgt toegeworpen van een drukke Noor. “Zeg rustig aan, hü!” Inge heeft inmiddels tijd om Noor aandacht te geven. Soms twijfelt Inge wel of ze haar kinderen niet te veel aandacht geeft. “Meestal heb ik wel een vrij zeker idee dat ik het niet slecht doe met de kinderen. Maar ook voor hen is het goed om te merken dat mama soms iets anders te doen heeft. Ik loop dan even naar boven en ga daar bijvoorbeeld stofzuigen. Het is wel leuk: iedere dag is anders voor mij.”

“Ik wil ouders die beiden veel werken niet tekort doen”, zegt Inge, “maar ik denk voor mijzelf dat het heel lastig was geworden op het kinderdagverblijf. Jelle is daar de eerste twee jaar geweest en toen werkte ik nog, maar ik merkte dat ik het prettigste op m'n werk zat op de ene dag dat Oebele thuis was met de kinderen. Dan weet je zeker dat je niet gestoord wordt. Ik denk dat dat ook het grootste probleem is, mannen die zoveel werken en de eis dat je in een leidinggevende functie niet in deeltijd kunt werken. Dat is nog wel meer het probleem dan het gebrek aan kinderopvang, waar zoveel over gepraat wordt.”

13.00

Eigenlijk is interimmanager een duur woord voor mensen die je voor een bepaalde tijd een klus laat klaren, zegt Iris in de kantine, boven twee boterhammen met kaas en een bakje rauwkost. Die klus kan zijn: op een winkel passen. Het kan ook zijn: iets moeilijks veranderen, iets met een hoog afbreukrisico. Dat betekent: het risico om op je bek te gaan. Bij een vorig project - een reorganisatie bij een onderdeel van VROM - liep het inwendig soms hoog op. Toen heeft ze 's avonds thuis weleens zitten huilen, hoor. Ja, thuis praat ze veel over haar werk. Met Jan natuurlijk, die in alles een on-ge-lo-fe-lij-ke steun is. Jan boent ook gerust een vloer, hij dekt 's morgens altijd de tafel - er zijn toch veel mannen die dat nooit zouden doen. En hij is nooit, nooit jaloers.

Dat scheelt ook een slok op een borrel. Maar ook met de kinderen praat ze over haar werk. “Als ik op woensdag, officieel m'n vrije dag, thuis zit te werken, dan hebben m'n kinderen er recht op om te weten wat ik aan het doen ben. Dat is goed uit te leggen. Ik heb het idee dat ik de kinderen daarmee ook iets extra's geef. M'n werk en thuis, dat zijn dus geen verschillende werelden.”

14.45

Tijd voor Inge om Jelle op te halen bij de Montessorischool Zwolle. Noor mag op de fiets en onder begeleiding de wijk door, af en toe van de straat gehouden door haar moeder. Niet voor niets heeft Inge zich aangemeld als 'verkeersouder' om de veiligheid rond school en op weg van huis naar school te vergroten. “Dat zijn de extra dingen waarvoor ik tijd heb.” Als Noor volgend jaar ook naar school gaat, kan Inge misschien wat meer gaan werken. “Er is wel werk, maar men wil bijna altijd dat je dan minstens twintig uur werkt. En in dat geval moet ik weer veel extra regelen: kinderdagverblijf, oppas. Mijn man kan eventueel wel een dag minder gaan werken, maar een halve werkweek vindt-ie weer te kort. Dan maar helemaal thuis, zegt hij. En ik zie het niet zitten om full-time te gaan werken en het hele inkomen te moeten verzorgen. Dan moet je toch carriüre maken, nog meer en harder werken. Dat zie ik niet zitten naast de opvoeding.”

“Ik ben er niet trots op als ik veel meer uren maak dan waarvoor ik word betaald”, zegt Iris. “Je hoort dat managers wel eens zeggen: dat ze vijftig, zestig, zeventig uur maken. De Boer (de minister van VROM, red.) had het tijdens de 8 maart-viering over ambtenaren die haar, bijna smekend, vertellen dat je ze ook 's avonds, ook in het weekend, kunt bellen. Die ontlenen daar blijkbaar status aan. Ik zou er trotser op zijn als ik zo goed leiding gaf, dat het blijft bij de uren waarvoor ik word betaald.”

“Nee, ik zou niet gelukkig zijn als ik niet zou werken. Dan zou ik veel minder efficient zijn, veel minder scherp. Ik zou dan ook helemaal in m'n kinderen opgaan - meer dan goed voor ze is. Mijn eigen moeder werkte ook altijd, en nog. Biologische ouders zijn ook niet per se het beste, vind ik. Ik claim niet het alleenrecht op m'n kinderen. Ze hebben ook een belangrijke band met Ria en met hun grootouders.”

17.00

Inge en de kinderen zitten al aan het avondeten. “Op die manier ligt Noor op tijd in bed. Ze slaapt overdag niet meer, als ze later gaat, dan kan ik dat de volgende dag goed merken.” Inge kookt bijna altijd. Als Oebele thuiskomt, zit de rest van de familie al aan het toetje. Daarna gaan de kinderen naar bed - in de regel doen de ouders dat samen. Ook de etensspullen ruimen ze samen op.

Tegen 18.30 uur is Iris thuis. De hele club van interrimmanagers heeft bij de secretaris-generaal en zijn plaatsvervanger verslag gedaan van de stand van zaken met hun werk. En daarna zat ze nog geruime tijd te prutsen met haar schootcomputer, die maar niet wilde wat zij wilde: de elektronische post ophalen.

Maar thuis staat er geen maaltijd klaar. Want Iris vergat 's morgens een briefje voor Ria neer te leggen, dus die dacht dat ze niet hoefde te koken. Dus moet Iris alsnog koken. Het wordt de Schotse zalm die ze uit Engeland hadden meegebracht, met macaroni, sla en een toetje die ze nog even bij Albert Heijn halen.

19.00

Als het goed gaat, heeft Inge vanaf nu de tijd voor zichzelf. “Ik probeer zoveel mogelijk daarvoor al op te ruimen, tussen het werk met de kinderen door. Want zo heb je tenminste nog iets aan je avond.” Op tijd naar bed is haar grootste wens. “Eigenlijk moeten we er om half elf in liggen: Noor komt ons 's nachts nog wel eens wakkermaken en aan zes uur slaap heb je niet genoeg, zeker niet als het iedere nacht zo weinig is. Maar ja, we zijn avondmensen en het wordt al snel tegen de twaalf uur.”

“Nee, ik noem dit bestaan niet 'slopend', zegt Iris tegen half tien. Het risico is er, dat wel. Maar ik wil het wel zo proberen te sturen dat ik 'in m'n comfortzone blijf', zoals ze dat op m'n werk noemen. Een gebied om je heen bestaat uit de kwalitatieve dingen van het leven. Kinderen. Familie. Goeie vrienden. De dingen die je met elkaar deelt - niet noodzakelijk alleen leuke dingen. Als je 'er niet bent' als er verdriet is en ziekte, dan ben je ook geen goeie manager.”

24.00

Bij Poelert is alles om half twaalf al in diepe rust, maar Iris noemt dat 'laat'. Ook zij heeft haar slaap hard nodig.

Inge kan haar hoofd op het kussen vlijen. Bijvoorbeeld om nog even terug te denken aan 's middags, toen ze Noor vroeg “Wil je een tekening maken?”, om zelf even rustig te kunnen praten. “Alleen als jij de hele dag thuisblijft.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden