Hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten

Vandaag wordt in het Amsterdamse stadhuis een tentoonstelling geopend van de negen ontwerpen voor een monument ter herdenking van de slavernij. De maquettes zijn ook te zien op www.slavernijmonument.nl. Historicus Alex van Stipriaan Luïscius denkt dat 'de oorverdovende stilte' over de slavernij in de Nederlandse geschiedenis nu eindelijk is doorbroken. Dat komt doordat de nazaten van de slaven 'voor het eerst duidelijk aanwezig zijn in Nederland zelf en hun plaats in de Nederlandse geschiedenis opeisen'. Maar we zijn nog lang niet losgekomen van ons slavernijverleden. Het historisch taboe heeft zelfs traumatische kantjes.

Vaak is de vraag gesteld hoe het toch komt dat de slavernij in de Amerika's zo lang heeft kunnen voortbestaan. Was er dan helemaal geen verzet tegen dit systeem? Schaarden alle blanken zich aaneen achter de slavenhouders en schikten alle slaven zich in hun onderworpen lot? Nee, zo simpel is het niet. Van blanke zijde hebben er altijd wel enkele stemmen van protest geklonken, met name vanaf eind achttiende eeuw, maar een massaal aanzwellend koor werd het vrijwel nooit. Daarentegen heeft het zwarte protest, of liever het zwarte verzet, zich gemanifesteerd vanaf het eerste moment dat Afrikanen als slaven in de Nieuwe Wereld werden geïmporteerd, en dat veelvormig verzet werd in de loop der tijd alleen maar krachtiger en is een cruciale factor geweest in de uiteindelijke afschaffing van het systeem. Dit is de achtergrond voor de vraag die hierna aan bod zal komen, namelijk hoe in de loop der tijd in Nederland is aangekeken tegen de slavernij in haar (West-Indische) koloniën.

Tot het tweede kwart van de zeventiende eeuw waren Nederlanders nauwelijks betrokken bij de handel in, of productie met Afrikaanse slaven. Hugo de Groot trapte dan ook niemand op de ziel toen hij in 1625 schreef dat geen mens van nature een slaaf was, maar dat men alleen na het begaan van een misdaad, of als krijgsgevangene tot slaaf gemaakt kon worden; en daar had hij verder geen enkele etnische connotatie bij. Alleen verloor deze tamelijk algemeen aanvaarde opvatting, die op het Romeinse recht was gebaseerd, snel aanhang in het zeventiende-eeuwse Nederland, als gevolg van de enorme economische expansie in het Atlantisch gebied. Want aangelokt door de grote winsten die de Portugezen maakten, gingen ook Nederlanders in toenemende mate deelnemen aan de handel in en productie met slaven uit Afrika. Vanaf dat moment werd 'Afrikaan' of 'neger' vrijwel synoniem met 'slaaf'. Die veranderde visie werd gerechtvaardigd met een beroep op de bijbel en verkondigd door predikanten die stelden dat Afrikanen waren voorbestemd tot slavernij. Zij zouden namelijk de afstammelingen zijn van Cham, die na zijn vader Noach te hebben bespot, werd vervloekt en met zijn nageslacht tot eeuwige dienstbaarheid werd veroordeeld.

Hiermee was de slavernij van Afrikanen buiten Nederland gelegitimeerd. Sterker nog: slavernij werd door sommigen zelfs in het voordeel van Afrikanen geacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de - vaak aangehaalde - woorden van de Coevordense predikant Picardt. Die stelde in 1660 dat Afrikanen zozeer aan slavernij gewend waren dat zij zich in vrijheid toch niet zouden weten te gedragen. Alleen wanneer men hen met de zweep 'telckens sonder genade bastoneert' was er nog wat van deze heidenen te verwachten en dus concludeerde Picardt 'dat hare welvaert bestaet in slavernye'. Eind zeventiende eeuw waren dit in Nederland algemeen aanvaarde denkbeelden geworden, slechts een enkeling liet wel eens een ander geluid horen, maar die werd dan ook al snel buitenspel gezet, zoals bijvoorbeeld dominee Kals. Pas tegen het einde van de achttiende eeuw kwam daar wat verandering in en werd afschaffing van de slavernij zelfs een onderwerp dat hardop besproken kon worden. Dat bleek bijvoorbeeld in 1779 toen een plantage-eigenaar uit Suriname bij terugkeer in Nederland met enige verbazing de aanwezigheid constateerde van 'voorstanders der afschaffing van den slaafschen dienst in onse Colonien'. Ook verschenen er in die tijd enkele boeken waarin de gruwelen van de slavernij werden gehekeld, zoals de roman 'Reinhart' (1792) van Elisabeth Maria Post over een idealistische jongeman in Berbice, de Nederlandse buurkolonie van Suriname, en het dagboek van John Gabriel Stedman over zijn vijfjarig verblijf als militair in Suriname (1796). In deze boeken werd niet expliciet gepleit voor afschaffing van de slavernij, maar wel werden de gruwelen van het systeem breed uitgemeten en pleitten de auteurs voor een humane behandeling van slaven, die ook als mensen gezien moesten worden. Dat kan zelfs letterlijk genomen worden, want in de koloniën waren slaven bij wet niet meer dan roerende goederen. In Nederland zelf bestond bij wet geen slavernij, wat overigens wel eens complicaties gaf als een plantage-eigenaar zijn huisslaven meenam naar het moederland.

Die enigszins veranderde houding was duidelijk de invloed van de Franse Verlichting. Zo had Voltaire in zijn roman 'Candide' expliciet gesproken over de hardheid van de Surinaamse slavernij en meer in het algemeen drongen hier de verlichte ideeën door ten aanzien van de principiële gelijkheid van alle mensen. Zo vertaalde bijvoorbeeld de bekende schrijfster Betje Wolf een boek van Frossard 'La cause des esclaves nègres' (1790). Er was duidelijk sprake van een kentering, al moeten we er ons ook weer geen al te grote voorstelling van maken. Onderzoeker Bert Paasman schatte eens dat in minder dan vijf procent van alle theologische, juridische, politieke en literaire geschriften uit die tijd wezenlijk kritische kanttekeningen werden gemaakt bij het verschijnsel slavernij.

In het buitenland werd de discussie tussen voor- en tegenstanders van de slavernij veel heftiger gevoerd. Logischerwijs schafte Frankrijk de slavernij af tijdens de Revolutie. Maar toen bleek dat het land de inkomsten uit de slavernij niet kon missen, werd het systeem weer met spoed in de koloniën ingevoerd. Uiteindelijk werd pas bij de volgende revolutie in 1848 de slavernij door Frankrijk écht afgeschaft. Intussen hadden overigens de slaven in Frankrijks belangrijkste kolonie zichzelf al bevrijd, namelijk in Saint Domingue (Haïti), onder leiding van de beroemde Toussaint Louverture. In Engeland kreeg het abolitionisme wel een definitieve stem in de politiek, terwijl tegelijkertijd de politieke macht van de planterslobby afnam, met als gevolg dat eerst in 1808 de slavenhandel met Afrika werd verboden, en uiteindelijk in 1834 de slavernij in het hele Britse rijk werd afgeschaft.

In Nederland gebeurde niets. De verlichte denkbeelden van sommigen werden met veel van wat herinnerde aan de revolutionaire ideeën uit de Patriotse tijd aan de kant gezet. Nederland had het veel te druk met het hervinden van zijn positie binnen Europa en met het zich handhaven als koloniale macht, om zich nog bezig te houden met zoiets als het slavernijvraagstuk.

Tot in de jaren veertig van de negentiende eeuw was afschaffing van de slavernij in Nederland dan ook totaal geen issue. Pas tien jaar na de Britse abolitie-wet begonnen hier toch ook weer voorzichtige geluiden te klinken die pleitten voor afschaffing van de slavernij, of zoals het ook genoemd werd en wordt: de Emancipatie. Deze Nederlandse abolitionisten waren te vinden onder liberale politici, in de wetenschap en in de protestants-christelijke hoek van het Réveil, een sociaal-piëtistische beweging met kopstukken als Bilderdijk en Groen van Prinsterer. Vanuit die beweging werd zelfs een Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij opgericht, maar die werd op indirecte wijze door de kroon verboden. Er werd namelijk geen koninklijke goedkeuring gegeven aan de statuten van deze Maatschappij.

Pas nadat ook in het Franse koloniale rijk de slavernij in 1848 definitief was afgeschaft, kon de enige Nederlandse abolitionisten-vereniging alsnog worden opgericht. Op haar hoogtepunt, eind jaren 1850, telde de vereniging een kleine 700 leden verspreid over het hele land. Negen van hen waren lid van de Tweede Kamer, dus er was zelfs een kleine politieke lobby ontstaan. Een boek dat daar zeker toe heeft bijgedragen en in Nederland enigszins de rol heeft gespeeld van Harriet Beecher-Stowe's 'De hut van Oom Tom', was dominee Van Hoëvels 'Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet' (1853).

Toch duurde het nog tot 1 juli 1863 voor de Emancipatie van de slaven werkelijkheid werd. En dat was het gevolg van de jarenlang slepende debatten in het parlement over de kosten van de afschaffing. Let wel: het ging dus over de vraag hoe en hoeveel de slaveneigenaren financieel gecompenseerd moesten worden voor de onteigening van hun slavenbezit. Het ging dus n¡et over enigerlei vorm van genoegdoening aan de slaven, want die kregen per slot hun vrijheid, zo was de redenering.

Overigens was toen de kortstondige belangstelling in Nederland voor het slavernijvraagstuk al weer verdwenen, want, zo schreef een van de abolitionisten nogal cynisch, het werd voor de burgerij 'zoo vervelend bij herhaling te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en d n hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten (terwijl) men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut'.

Zodra de Emancipatie-wet door het Nederlandse parlement was aangenomen, dus nog voor de slaven werkelijk in vrijheid waren gesteld, hieven de abolitionisten hun Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij alweer op. Een massale aanhang hadden ze nooit gekregen en een brede maatschappelijke discussie was er nooit gevoerd, zoals in Groot Brittannië, maar het doel was toch bereikt. Voor de weinige geïnteresseerden ging deze kleine groep Nederlandse abolitionisten daarom wel de geschiedenis in als degenen aan wier ijveren de slaven-emancipatie te danken was. Het enige wat de vereniging vervolgens nog deed was een advies geven aan hun danig geslonken achterban om voortaan steun te verlenen aan kersteningscampagnes onder de ex-slaven in de West. En daarmee kon deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis 'met gepaste blijdschap' definitief worden omgeslagen.

Het meest opmerkelijke aan deze geschiedenis van de Emancipatie is dat ook in latere beschrijvingen en analyses degenen om wie het allemaal te doen was geweest, namelijk de slaven, grotendeels buiten beeld bleven. De afschaffing was iets dat de slaven was overkomen, daar hadden zij zelf blijkbaar weinig aan bijgedragen. Eind jaren twintig werd die visie door een Nederlands historicus als volgt verwoord: 'Trotsch mag men zijn - behoudens de ieder geboden menschelijke bescheidenheid - op wat men zelf gedaan heeft, op wat men tot stand bracht, om de gemeenschap vooruit te brengen, eigen geluk en dat der mede-menschen te bevorderen. En dit aanvaardende, zal de Afro-Amerikaan, die nadenkt en de hand in eigen boezem steekt, moeten zeggen: Voor mijn land en volk heb ik zoo goed als niets gedaan; wat daar is, is, hoe gebrekkig dan ook, gewrocht door blanken'.

Het is eigenlijk pas vrij recent dat een aantal historici het aanhoudend, veelvormig en toenemend slavenverzet in Caribische plantagekolonies en de veranderingen die dit teweeg bracht, zijn gaan zien als een proces waarbij de slaven zichzelf emancipeerden. Nu pas begint enigszins duidelijk te worden hoezeer hierdoor het systeem ook van binnenuit werd ondergraven en hoezeer daardoor de druk om tot afschaffing over te gaan werd vergroot. Nu pas begint duidelijk te worden hoezeer dus de wettelijke afschaffing evenzeer een formele bevestiging was van een proces van zelfbevrijding van de slaven dat al heel lang aan de gang was. In de geschiedenisboekjes is daar echter nog weinig van terug te vinden. Ik heb enige tijd geleden een kleine steekproef gehouden in zes van de meest gebruikte geschiedenismethoden voor het voortgezet onderwijs, allemaal verschenen in de jaren negentig. Daaruit bleek dat in drie van die

series substantieel aandacht wordt gegeven aan de slavernij, het verzet en de emancipatie in Suriname en de Antillen. In twee methodes komt het niet of nauwelijks voor en in de laatste wordt alleen uitgebreid geschreven over de geschiedenis van de slavernij in de Verenigde Staten. Oftewel, anno nu wordt in de helft van de onderwijsmethoden nog de suggestie gewekt alsof Nederland niets van doen heeft gehad met slavernij, dat was iets van andere landen, zoals de VS, een ver-van-mijn-bed'-show dus. Er lijkt dus sinds 1863 een oorverdovende stilte te heersen over het slavernijhoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis, met een sterk vertekend historisch bewustzijn als gevolg. Want niet alleen wordt het historisch trauma van de erfgenamen van de slavernij ontkend, evenals het aandeel dat onze voorouders daarin hebben gehad, ook de impact die de slavernij op de Nederlandse samenleving heeft gehad en nog steeds heeft, wordt verdoezeld.

De Verlichting zorgde ervoor dat vrijheid tot een universeel principe werd verheven en dat religie werd vervangen door ratio en wetenschap. Dat was deels de basis om uiteindelijk overal de slavernij af te schaffen, ook al was in Néderland het abolitionisme religieus geïnspireerd. Maar tegelijkertijd vormde dat nieuwe, verlichte wereldbeeld óók de basis voor een nieuwe ideologie, namelijk die van het modern racisme. Weliswaar werd nu iedereen gerekend tot het ene grote mensenras dat zich steeds verder ontwikkelde op de weg van de evolutie, maar daarbinnen werd op wetenschappelijke gronden een hiërarchie aangebracht, met 'beschaving' als onderscheidend criterium. En in die redenering was het blanke ras, dat heerste over de hele wereld, kennelijk het verst gevorderd in die beschaving. Even logisch was het, volgens die zienswijze, dat het ras dat zich tot slaaf had laten maken nog het meest primitief was. Terwijl dus gelijkheid tot principe werd verheven, werd tegelijkertijd, op grond van de ervaringen met slavernij en kolonialisme, ongelijkheid het criterium waarmee werd gewerkt. In praktijk leidde dat minimaal tot een verstikkend soort paternalisme en veel meer nog tot gelegitimeerd eenzijdige exploitatie, buitensluiting en structurele vernedering, en denken in termen van superieur en inferieur. Dat is een vorm van culturele schizofrenie die tot de erfenis van de slavernij kan worden gerekend. Inmiddels is dat wetenschappelijk onderbouwde racisme door de meeste wetenschappers alweer lang verlaten, maar met de mentale erfenis van dit soort denken zijn wij nog sterk doordrenkt.

Maar waar kwam toch die stilte in de geschiedenis vandaan over de slavernij? De sporen van het eigen slavernijverleden waren namelijk n¡et uitgewist. In de archieven stonden al die tijd vele honderden strekkende meters documenten over de Nederlandse slavernij en in de bibliotheken hebben zich al die tijd grote aantallen boeken en geschriften bevonden uit de tijd van de slavernij die dat verleden ondubbelzinnig aantonen. Sterker nog, al sinds de jaren 1940-1950 zijn historici in toenemende mate over slavenhandel en slavernij gaan publiceren. Weliswaar niet altijd in een toonzetting die wij nu nog zouden gebruiken, maar ze stopten het in ieder geval niet massaal meer weg. In 1974, toch ook al weer een kwart eeuw geleden, verscheen een 35 pagina's tellend literatuuroverzicht van boeken en artikelen over de slavenhandel en slavernij in Suriname en de Antillen. Toch bleef deze kennis maar tot een kleine groep beperkt en werd ze geen onderdeel van het nationaal historisch bewustzijn.

Vervolg op pagina 50

Hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten

Vervolg van pagina 49

In Nederlandse schoolboekjes, musea, romans, films etcetera. drong deze wetenschap tot voor kort niet of nauwelijks door. Dat is niet een bewuste strategie geweest van geheimzinnige politici of andere beleidsmakers die op een gegeven moment samen besloten hebben er het zwijgen toe te doen. Was het maar waar, zou je bijna denken, want dan konden we proberen de schuldigen aan te wijzen en dan kon de rest van de samenleving verontwaardigd maar opgelucht verdergaan en haar handen in onschuld wassen. Waarschijnlijk is het een veel onbewuster mechanisme geweest: een historisch taboe, ontstaan uit instinctieve angst.

Zo was het voor de koloniale verhoudingen beter te denken in termen van ouder-kind-relaties waarbinnen samen aan een harmonieuze toekomst gewerkt diende te worden, dan stil te blijven staan bij de voormalige meester-slaaf-relaties die alleen maar agressie en rancune konden opwekken. 'Vergeet het verleden, want wij hebben het beste met jullie voor', leek het devies. In Nederlands-Indië kreeg dat zelfs een naam: de Ethische Politiek.

Tegelijkertijd bevond Nederland zich in de tweede helft van de 19de eeuw, net als veel andere Europese staten, middenin een proces van natievorming. Het nationaal zelfbeeld dat sinds die tijd ontstond, bood geen plaats aan de minder mooie gebeurtenissen uit de geschiedenis, maar benadrukte vooral die zaken 'waarin een klein landje groot kan zijn'. Het is het typerende vooruitgangsoptimisme van Europa in de negentiende eeuw. Suriname en de Antillen behoorden toen al lang tot de marge van het koninkrijk der Nederlanden en alleen Nederlands-Indië kreeg een tamelijk prominente plaats in dat nationaal historisch besef. Over die kolonie kon nog in 1941 een veel aangehaald boek verschijnen onder de titel 'Daar werd wat groots verricht' (W. van Helsdingen), enige jaren later vervolgd met 'Hecht verbonden in lief en leed' (1946).

Ook hierin werd gezwegen over de 'voorzichtig geschat' 100 000 tot 120 000 doden die tussen 1885 en 1910 vielen bij de zogenaamde pacificatie van de Indische buitengewesten, zoals Atjeh. Zoiets past eenvoudig niet in een nationaal zelfbeeld waarop een samenleving trots wil zijn. Benedict Anderson, die een standaardwerk schreef over natievorming en nationalisme, stelt dan ook dat een samenleving die zich als nationale gemeenschap aan het ontwikkelen is per definitie lijdt aan geheugenverlies.

Dat nu dan toch de stilte wordt doorbroken, is vooral het gevolg van de omstandigheid dat de nazaten van de slaven niet meer ver weg wonen, maar voor het eerst duidelijk aanwezig zijn in Nederland zelf en hun plaats in die Nederlandse geschiedenis opeisen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de vereniging van een groot aantal Afro-Nederlandse organisaties in het Landelijk Platform Nederlands Slavernijverleden dat met succes in gesprek is met de regering over het oprichten van een slavernijgedenkteken en onderzoeksinstituut in Amsterdam.

Goed, kunnen we zeggen, de Nederlandse natie leed of lijdt aan geheugenverlies en dat is vreselijk voor degenen die het slachtoffer zijn geworden van die vergeten geschiedenis, maar daar hebben we nu als samenleving toch geen last meer van. Laten we de slavernij en slavenhandel in onze schoolboekjes opnemen, want die horen inderdaad óók tot de Nederlandse geschiedenis, maar dan moeten we er verder over ophouden, want dan is het taboe toch definitief doorbroken. Die geschiedenis is inmiddels al zó lang geleden, daarover hoeven wij ons nu toch niet meer schuldig te voelen. Laat staan dat we erdoor belast zouden zijn. Wat hebben we eraan om almaar terug te kijken naar de ellende die onze voorouders lang geleden aangericht hebben; de slavernij is gelukkig al lang afgeschaft en nu moeten we samen, wit en zwart, naar de toekomst kijken. Dit soort reacties is tegenwoordig vaak te horen en lijkt misschien begrijpelijk en rationeel. We moeten inderdaad ook naar de toekomst kijken, maar dan moet het taboe ook echt doorbroken zijn en zo ver lijkt het toch nog niet.

Ik wil daar nu enkele actuele voorbeelden van geven uit een krant die meestal met het predikaat kwaliteitskrant wordt aangeduid en die liever bekend staat als taboedoorbrekend dan als taboebevestigend. Ik zal het niet hebben over openlijk racisme, dat deels voortkomt uit beelden en ideologieën die al tijdens de slavernij zijn ontstaan en die je in deze samenleving nog steeds kunt tegenkomen. Dat wordt door deze krant en zijn lezers hartgrondig afgewezen en bestreden. Nee, het gaat mij om dingen die je soms pas na tweede lezing opvallen, maar die er op duiden dat het taboe wijder verspreid is, of dieper geworteld, dan we geneigd zijn te denken, en dat het misschien zelfs traumatische kantjes heeft.

Bijna een jaar geleden verscheen een waarschijnlijk prikkelend bedoeld stuk van een Volkskrantredacteur waarin hij de oprichting van een slavernijmonument een 'leeg en zinloos initiatief' noemde. Er moet, schreef hij, natuurlijk aandacht komen voor de Nederlandse slavernijgeschiedenis, en de gepleegde wreedheden mogen niet verdoezeld worden, maar je moet het allemaal wel begrijpen in de context van die tijd. Je zou de Nederlandse slavernij dus moeten vergelijken met de arbeidsomstandigheden van toen in Europa en met die van andere slavenhoudende naties; en er mag zeker niet vergeten worden dat Afrikanen óók actief zijn geweest in de slavenhandel. Dus: het was allemaal wel erg, maar niet erger dan elders, en Nederlanders zijn zeker niet de enigen geweest die aan deze praktijken hebben deelgenomen.

Dat klinkt genuanceerd, maar het is bij uitstek de manier waarop het historisch taboe anno nu werkt. Erkennen dat er in het verleden vreselijke dingen zijn gebeurd, maar het vervolgens wegrelativeren. Natuurlijk is het voor een goed begrip noodzakelijk om dingen in hun context te bekijken, maar daarmee wordt niet per definitie de geschiedenis meer recht gedaan. Integendeel zelfs, er zit een duidelijke impliciete boodschap in deze opstelling, die heen en weer slingert tussen enerzijds een soort neokoloniaal 'nou niet meer zeuren, want het viel verhoudingsgewijs wel mee' en anderzijds het kinderlijke excuus van iemand die zich probeert vrij te pleiten: 'ja maar ik was het niet alléén, hoor'. Als je eigen kind dat zegt nadat hij iets heeft uitgehaald, zul je als ouder altijd reageren met: 'Dat zal best kind, maar we gaan het nu eerst even over jou hebben', en je zegt niet: 'Oh, waren de anderen óók stout? Nou, dan kon jij het ook niet helpen hoor'. Nee, je probeert er achter te komen wat er is gebeurd en je wijst je kind op zijn eigen verantwoordelijkheid en op de gevolgen van zijn daden. En pas daarna heb je het over wat de anderen deden.

Er zit ook nog een andere, onzichtbaarder en wellicht ook traumatischer kant aan het historisch taboe, die misschien wel de ultieme erfenis is van de slavernij: de ondefinieerbare, maar latente angst voor Het Zwarte Gevaar. Of anders gezegd: angst voor de primitieve instincten die aan de zwarte mens worden toegeschreven, met name zijn onberekenbare agressie. Dat primitiviteitslabel heeft ook een andere kant, namelijk die van de erotische aantrekkingskracht, maar dat valt hierbuiten.

Twee voorbeelden uit diezelfde Volkskrant, maar je kunt ze in alle media tegenkomen. Een van de argumenten in het stuk tegen de oprichting van een slavernijmonument was het volgende: 'Morele schulden behoren gewoon niet over drie of meer generaties getransporteerd te worden. Daar komt alleen maar ellende van. Voor je het weet, staan we bij de Surinaamse variant van de Slag op het Merelveld (1389), waar sommige Serviërs nu nog zoveel verontwaardiging uit putten.' Ten aanzien van herdenkingsmonumenten voor het leed dat joden, zigeuners of Indische Nederlanders is aangedaan, heb ik een dergelijk argument nooit gehoord, maar als het om Afro-Surinamers gaat, wordt via de verwijzing naar Serviërs opeens een verband gelegd met etnische haat, moord en doodslag.

Nog een heel ander voorbeeld. Een jaar geleden werd de Amsterdamse kunstenaar Peter Klashorst enige tijd vastgehouden op een politiebureau in Senegal. De Volkskrant berichtte: 'Klashorst is donderdag van een primitieve politiecel, die hij deelde met vijftien Afrikaanse gevangenen en een enkele rat, overgebracht naar een huis van bewaring. Zijn nieuwe cel deelt hij met drie andere niet-Afrikanen. Hij mag nu bezoek ontvangen, kan zichzelf wassen en verschonen en mag er volgens zijn zaakwaarnemer tekenen. Naar Senegalese begrippen gaat hij van de goot naar het Hilton.'

De feitelijke informatie van dit stuk was precies hetzelfde gebleven als er in plaats van Afrikanen en niet-Afrikanen was gesproken over 'mensen', 'personen', of 'medegevangenen'. Maar kennelijk moest het contrast tussen 'de goot' en 'het Hilton' extra worden aangezet door Afrikanen te laten contrasteren met niet-Afrikanen. De impliciete boodschap die zodoende blijft hangen laat weinig aan de verbeelding over.

Natuurlijk wordt dat beeld van de primitieve, en dus gevaarlijk onberekenbare zwarte mens óók voortdurend bevestigd door de journaalbeelden over Rwanda, Congo, Sierra Leone et cetera, maar tegelijkertijd vallen die beelden in de vruchtbare bodem van een samenleving die met dit soort associaties doordrenkt is sinds de tijd van de slavernij, en dringen 'gewone' beelden van Afrika nauwelijks door. Velen zullen het ontkennen of instinctief wegstoppen, maar mijns inziens zijn we nog helemaal niet losgekomen van ons slavernijverleden, waardoor het historisch taboe inderdaad zelfs traumatische kantjes lijkt te hebben.

Wat moeten we daar nu mee, hoe doorbreken we taboe en trauma? Volgens een veel aangehaalde onderzoekster van trauma's, Judith Herman Lewis, in haar boek 'Trauma and recovery' (1992), is een van de belangrijkste mechanismen om een trauma te boven te komen, het onder ogen durven zien en erover blijven praten om het niet de kans te geven terug te komen. Voor een (historisch) taboe geldt hetzelfde, lijkt mij. Laat het zien, durf het bespreekbaar te maken en ga als zwarte en witte nazaten van die geschiedenis praten met elkaar! Dat betekent ook d£rven luisteren naar de ander en dat doet in dit geval per definitie pijn, aan weerskanten en het gesprek verloopt per definitie n¡et harmonieus. Maar zachte heelmeesters maken stinkende wonden en deze wond ligt voor velen al veel te lang open.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden