Hunkerend naar inhoud

Aanvankelijk had hij niet de kans om zijn intellectuele talenten ten volle te benutten en ervan te genieten. Maar Han Kleinloog nam revanche.

Een hoogbegaafde metselaar, een briljante melkboer, een huishoudster met een wiskundeknobbel. In de tijd, waarin nog niet alle slimme kinderen de kans kregen om verder te leren, was dit de gewoonste zaak van de wereld. Zo gewoon, dat er niet over gesproken werd. Begaafdheid was iets voor de rijken. Studeren was er niet bij voor de gewone man in de eerste helft van de twintigste eeuw, dus gingen getalenteerde, intelligente kinderen in de zaak van hun ouders werken of kwamen zij al jong in dienst bij een bedrijf.

Johannes (Han) Kleinloog werd in 1916 in de Amsterdamse Vrolikstraat geboren als oudste zoon van een metselaar. Na de lagere school op het Iepenplein ging hij naar de ambachtsschool. Daar viel hij op toen hij als strafwerk een kritisch betoog hield over de Volkerenbond. Nog voordat hij de ambachtsschool af kon maken, werd hij ’als slaaf verkocht aan een baas’, zoals hij het zelf formuleerde. Als metselaarsleerling hongerde hij echter naar geestelijke ontwikkeling en inhoud.

Al voor de oorlog bezocht hij de Amsterdamse Gesprekskring, toen ook wel ’Het zaaltje’ genoemd, waar wekelijks een lezing over verschillende (veelal filosofische) onderwerpen werd gehouden. Han Kleinloog hield het meest van wereldvreemde, abstracte thema’s als: Is het mysterie voor zichzelf ook een mysterie? Daar kon hij gekscherend en relativerend over vertellen, maar een feit was dat de filosofie hem gegrepen had. Met behulp van woordenboeken leerde hij zichzelf ’s avonds Duits en Engels en hij smulde ervan om Hegel, Schopenhauer, Locke in hun eigen taal te kunnen lezen. De Kritieken van Kant las hij later in zijn leven integraal in het Duits en zijn dochter Hetty, die in 1958 geboren was, kreeg als kind al informatie over ’das Ding an Sich’.

Tijdens de oorlogsjaren trouwde hij in 1942 met Riek Mulder, een dochter van een schaakvriend, die hij in Het Zaaltje had leren kennen. Omdat hij niet in Duitsland tewerk gesteld wilde worden, dook hij onder in het huis van zijn schoonvader in de Holendrechtstraat. Later vertelde Han keer op keer over de jodenvervolging, de hongerwinter, de Duitse terreur en het gevoel van machteloosheid. Hij liet wel eens een foto zien van zichzelf en drie schoolvrienden voor de oorlog, die onwetend lachend naast hun fiets naar de camera keken: „Ze hebben alle drie de oorlog niet overleefd.”

Na de oorlog lag er een kans om een nieuw leven te beginnen, weg van het metselbedrijf, studeren misschien. Maar zijn vader was op een kwade dag te begerig toen hij het kostbare hout van een hanenbalk af mocht zagen. Hij ging aan de verkeerde kant van de balk zitten zagen en viel met balk en al na beneden. Twee gebroken benen waren het gevolg en voor Han Kleinloog zat er, als oudste zoon, niet veel anders op dan zijn vaders metselbedrijf waar te nemen. Toen de benen van zijn vader genezen waren, was het moment om het roer om te gooien gepasseerd. Han heeft het zijn leven lang betreurd dat hij als oudste zoon de kans heeft gemist om te studeren, terwijl zijn geest hunkerde naar inhoud.

Later is Kleinloog met zijn broers voor zichzelf begonnen. Dan kwam hij na een dag hard werken stoffig thuis, ’knapte een uiltje’ op de bank en dook daarna weer in de boeken. Sartre, het existentialisme, Kierkegaart, een onverzadigbare honger naar kennis. Bij de Amsterdamse Gesprekskring werd hij inmiddels zelf gevraagd om af en toe een lezing te houden. Hij sprak dan over Spinoza of over ’De filosofie in ons dagelijkse leven’. In alle bescheidenheid, hij liet zich nooit voorstaan op zijn kennis. Over het leven zei hij: „Het begint te wennen dat je er nooit aan went.”

Hij was vriendelijk en bescheiden, maar ook een gesloten einzelgünger. Toch hield zijn huwelijk met Riek Mulder 22 jaar stand. In 1964 gingen zij door verschil in temperament en verwachtingen van het leven uit elkaar. Kleinloog is daarna nooit meer hertrouwd. Hij had zijn boeken, zijn filosofen, zijn klassieke muziek, een paar goede vrienden en zijn dochter. Hoewel hij mede door zijn grote gevoel voor humor een graag geziene gast was, had hij niet veel behoefte aan mensen. Enkelen had hij in zijn hart gesloten en dat was genoeg.

Toen zijn dochter veertien jaar was, kwam ze bij hem wonen. Hij woonde in die tijd in de President Steynstraat in de Amsterdamse Transvaalbuurt. Haar herinneringen zijn goed: veel prettig zwijgen in elkaars gezelschap, lezen, plaatjes draaien. Het leven van een puber was hem vreemd, maar hij zag de colonne langharige vrienden en vriendinnen beschouwend aan. Ooit gaf Hetty een feest. Om naar de keuken of de wc te gaan moesten de feestgangers langs Han, die rustig met zijn pijp in een stoel een boekje zat te lezen. Het was een feest waarin veel goede gesprekken werden gevoerd, slechte wijn werd gedronken en veel relaties verbroken werden. De een na de ander passeerde Han in tranen. Toen Hetty langsliep informeerde Kleinloog vriendelijk: „Triest feest, hè Hetty?” „Welnee, pa, dit is juist goed!” „Oh, nou, fijn dan, kind.”

Het was voor hem geen straf om met metselen te stoppen. Met zestig jaar doekte hij het familiebedrijfje op, de concurrentie van zwartwerkers was te groot geworden. Vanaf dat moment heeft hij ongebreideld kunnen genieten van het park, zijn boeken, muziek, het schaakcafé en later van zijn twee kleinkinderen.

Een goede vriend nam hem wel eens mee naar het nationaal park De Hoge Veluwe en naar het Kröller Müller Museum. Daar kon hij in kinderlijke verwondering naar de karpers kijken en van kunst genieten.

Op hoge leeftijd was hij bijna blind en lezen was onmogelijk geworden. Bovendien hoorde hij slecht. Als zijn dochter hem vroeg of hij zich verveelde, antwoordde hij „Absoluut niet, ik heb genoeg aan mijn eigen gedachten.” En: „Ik ben met mezelf in goed gezelschap, dat is prettig, hoor.”

De laatste maanden voor zijn dood kwam hij niet meer buiten. Hij had een grote tumor in zijn nek, die hij ’een afdrijver’ noemde, en ’griep’. Levensmoe was hij allerminst: „Als je 16 bent wil je niet dood, als je 92 bent ook niet, hoor.” Over de dood zei hij : „Je komt op een plaats waar je fiets nooit gestolen wordt.”

Han Kleinloog, de erudiete metselaar, is op 92-jarige leeftijd in zijn huisje in de Jordaan, in gezelschap van zijn dochter overleden. Na zijn dood werden in zijn bureau filosofische aantekeningen gevonden en kladbrieven aan zijn dochter. Op 14 augustus 1986 schreef hij haar: ’Gedurende je afwezigheid heb ik mij maar weer eens verdiept in de filosofie – om mijn kennis van datgene wat je onmogelijk weten kan te vergroten. Dat klinkt nogal paradoxaal hè. Nou dat is het ook! Niettemin brengt het je tot bewustzijn dat alles maar niet zo gewoon is, maar dat wij in feite lopen te dromen op betoverde grond.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden