Hun tweede kans kan de veiligheid bedreigen

De politiek is op zoek naar een nieuwe balans tussen veiligheid voor de samenleving en menswaardige behandeling van tbs'ers. Deze week begint de Tweede Kamer met hoorzittingen over de werking van de terbeschikkingstelling.

door Ruud van Heese

In januari 2003 wordt een 80-jarige man uit Den Haag om het leven gebracht door een tbs'er die tijdens onbegeleid verlof is gevlucht. Een jaar later, in mei 2004, wordt een 13-jarig meisje uit Eibergen door een tbs'er op proefverlof ontvoerd en seksueel misbruikt. In juni 2005 ontsnapt een tbs'er aan zijn begeleiders. Terwijl heel Nederland naar hem uitkijkt, voor het eerst kwam een voortvluchtige met naam en foto op de televisie, vermoordt hij in Amsterdam een 73-jarige man. Dit zijn de ernstige incidenten die de aanleiding vormen voor het parlementaire onderzoek naar de tbs dat vandaag begint.

Tweemaal moest minister Donner (CDA) van justitie zich voor de incidenten in de Tweede Kamer verantwoorden. Beide keren leverde het hem een motie van wantrouwen op. Beide keren kreeg die onvoldoende steun.

Wel stelde de Kamer vast dat het tbs-stelsel onvoldoende in staat is om te voldoen aan de belangrijkste doelstelling ervan: het beveiligen van de samenleving. Het onderzoek waartoe de Kamer besloot en dat nu begint richt zich dan ook op de vraag hoe dat beter kan.

Tbs, waarbij de rechter gelast dat de betrokkene ter beschikking wordt gesteld van de regering, is een maatregel. Het is nadrukkelijk geen straf, waarin elementen zitten als vergelding en boetedoening.

In het kamerdebat, in maart 1925, over de zogenoemde psychopatenwetten waarmee de terbeschikkingstelling werd ingevoerd, legde minister Heemskerk (ARP, een voorloper van het CDA) het verschil zo uit: “Het principiële onderscheid is dit, dat de straf wordt opgelegd, omdat zij een leed is, en de dwangmaatregel wordt toegepast ondanks het feit dat hij in sommige gevallen een leed is.“

Met de vraag hoe om te gaan met misdadigers met een stoornis worstelt de politiek al lang. Het wetboek van strafrecht uit 1886 ging nog uit van een zwartwit-benadering. In de tekst werd rekening gehouden met wetsovertreders aan wie het gepleegde delict “wegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis“ niet kon worden toegerekend.

De rechter bepaalde met behulp van een psychiater of de dader toerekeningsvatbaar was. Zo ja, dan volgden schuldigverklaring en gevangenisstraf. Zo nee, dan kon de dader gedwongen worden opgenomen in een psychiatrische inrichting. Maar met de tussengroep, de verminderd toerekeningsvatbaren, wist de overheid zich geen raad.

Een staatscommissie wees al in 1902 op de behoefte aan “een maatregel waardoor de veroordeelde voor lange tijd uit de maatschappij verwijderd blijft.“ Het zou moeten gaan om iets heel anders dan om gewone celstraf, stelde de commissie. Bij die nieuwe maatregel zou niet alleen rekening moeten worden gehouden met de afwijkende psychische toestand van de betrokkene, ook zou moeten worden geprobeerd die te verbeteren.

Achtereenvolgende pogingen dit in een wet te regelen mislukten. Het zat rechters op een gegeven moment zo dwars dat ze in 1920 (in een vonnis tegen een wegens oplichting veroordeelde dienstbode) de wetgever openlijk in gebreke stelden. In het vonnis overwoog de rechtbank dat de vrouw eigenlijk ter beschikking van de regering zou moeten worden gesteld, maar dat die maatregel niet mogelijk was “door een zeer te betreuren en te laken verzuim van de wetgever, die nog steeds in gebreke blijft te zorgen voor een doelmatige strafrechtelijke behandeling van psychopaten.“

Heemskerk lukte het wel. Tijdens het kamerdebat over zijn psychopatenwetten wezen verscheidene woordvoerders op het ongewenste en onrechtvaardige van de bestaande situatie. Mevrouw Bakker-Nort (Vrijzinnig Democratische Bond): “De Nederlandse rechter is nu vaak genoodzaakt om tegenover psychopaten een onrechtvaardige maatregel toe te passen, en hem strenger te straffen dan in evenredigheid is met zijn schuld, of om, door rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid, de veiligheid van de maatschappij in gevaar te brengen.“

Het invoeren van de terbeschikkingstelling (op 1 november 1928) maakte een tussenoplossing mogelijk. Rechters konden voortaan een combinatievonnis opleggen. Als het delict iemand met een stoornis deels kon worden aangerekend, kreeg hij voor dat deel eerst gevangenisstraf, en daarna (voor het deel dat hem niet kon worden aangerekend) tbr, zoals tbs aanvankelijk heette.

Het gedwongen verblijf in een “asyl voor psychopathen“ duurde om te beginnen twee jaar. De rechter kon de tbr telkens met één of twee jaar verlengen. De maatregel kon zo uitmonden in levenslang.

In 1988 werd tbr vervangen door tbs. Dat was meer dan alleen een andere afkorting voor dezelfde maatregel. Anders dan tbr kan tbs alleen worden opgelegd bij een misdrijf waarop een maximumstraf staat van vier jaar of meer. De tbs-maatregel mag in principe niet langer duren dan vier jaar. Wel mag de tbs langer duren als de tbs'er een misdrijf heeft gepleegd waarbij anderen in gevaar zijn gekomen, of als verlenging nodig is vanwege het gevaar dat de tbs'er weer in de fout gaat. Tegen verlenging is beroep mogelijk, iets wat niet kon bij tbr.

Van het verbeteren van de psychische toestand van de tbs-gestelde, waaraan de staatscommissie honderd jaar geleden nog behartigenswaardige woorden had gewijd, kwam aanvankelijk niet veel terecht. Men liet het doorgaans bij opsluiten.

Na de oorlog veranderde dat. In de psychiatrie en de psychologie werden behandelmethoden ontwikkeld die ook in tbs-instellingen konden worden toegepast. De gedachte won veld dat behandeling kon bijdragen aan de bescherming van de samenleving. Door de oorzaak van het criminele gedrag weg te nemen, zou ook het criminele gedrag zelf verdwijnen.

Bij tbs gaat het om zware misdrijven. Van de tbs'ers heeft 98 procent een ernstig geweldsdelict begaan, bijna 30 procent heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan een seksueel vergrijp. Het percentage tbs'ers dat opnieuw in de fout gaat, ligt al jaren lang tussen de 15 en de 20. Wetenschappers werken hard aan verfijning van de methoden om te kunnen taxeren hoe groot het risico is dat een tbs'er recidiveert, maar absolute zekerheid daarover is nooit te geven.

De 1650 tbs-patiënten die Nederland telt zitten in speciale tbs-klinieken, maar ook op gesloten afdelingen van gewone psychiatrische ziekenhuizen zitten. Van hen worden bijna 660 beschouwd als blijvend delictgevaarlijk.

Voor die gevaarlijkste groep bieden behandelmethoden nog onvoldoende resultaat. Hun lot is een langdurig verblijf in gesloten inrichtingen, soms met de zwaarst mogelijke beveiliging. Hun kans om ooit weer buiten te komen hangt af van de ontwikkeling van eventuele nieuwe behandelmethoden, en van het feit dat ze ouder worden. Soms neemt alleen al door dat laatste het risico af dat iemand weer in de fout gaat.

Bij tbs'ers voor wie behandeling wel resultaten lijkt te kunnen opleveren is een belangrijk onderdeel van die therapie dat patiënten weer in de samenleving komen. Begeleid of onbegeleid moeten ze wennen aan een leven buiten de muren van de tbs-kliniek, en de sociale vaardigheden in praktijk brengen die ze daar in het kader van hun behandeling hebben geleerd.

Per jaar krijgen daartoe ruim 50000 keer tbs'ers de gelegenheid om, al dan niet onder begeleiding, op stap te gaan: familiebezoek, een boodschap doen, werken buiten de kliniek of doktersbezoek. Ruim 90 keer gebeurt het daarbij dat een tbs'er zijn begeleiders het nakijken geeft of zich niet op tijd terugmeldt. Daarmee loopt de samenleving risico's, zoals de incidenten die aanleiding zijn voor het parlementaire onderzoek duidelijk maken.

De maatschappelijke bereidheid om de risico's die de terugkeer van tbs'ers in de samenleving oplevert te accepteren lijkt af te nemen, en dat heeft zijn weerslag op de politiek. Zo heeft minister Donner vorig jaar de verlofregels voor tbs aangescherpt. En verscheidene politieke partijen hebben al eerder voorstellen op tafel gelegd voor aanpassing van het tbs-regime. Het verst daarin gaat de LPF, die pleit voor het afschaffen van het onbegeleid verlof voor tbs'ers, het beperken van het begeleid verlof, en het volledig schrappen van welk verlof dan ook voor tbs'ers met een seksuele stoornis.

Waar de parlementaire onderzoekscommissie, en vervolgens de Tweede Kamer, de grens wil trekken tussen beveiliging van de samenleving enerzijds en het recht op een tweede kans voor tbs'ers wil trekken, zal vlak voor de zomer blijken. Dan presenteren de Kamerleden die de onderzoekscommissie vormen, mede op basis van de hoorzittingen die deze week en volgende week worden gehouden, hun aanbevelingen.

Vervolgens gaat de Tweede Kamer daarover in debat met minister Donner. Die heeft zijn grens al getrokken: een tbs-stelsel waarin mensen geen tweede kans wordt geboden, maakt hij niet mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden