HUN OGEN ZIJN VERTEERD DOOR TRANEN

De Klaagliederen zijn tot en met 23 december nog te zien in verschillende steden. Dr. H. Leene is hoogleraar Oude Testament. Het is 587 voor Christus. Jeruzalem is gevallen. De stad is vernietigd. Honger teistert de over-levenden. Als een onteerde weduwe ondergaat zij haar straf en gaat ze gebukt onder het juk van vreemde mogendheden. “Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.” Toneelgroep Amsterdam speelt de Klaagliederen van 'Jeremia'.

De Klaagliederen (Hebreeuws: qinot) zijn vijf gedichten, ontstaan te Jeruzalem na de verwoesting van die stad door de Babyloniërs in 587 voor Christus. Tot aan het begin van de 18de eeuw werd Jeremia als de auteur beschouwd, de profeet die zelf deze verwoesting meemaakte. Vandaar dat - naar het voorbeeld van het griekse Oude Testament - in onze bijbelvertalingen Klaagliederen nog steeds volgt op Jeremia.

Tegenwoordig zoekt men de anonieme auteur(s) meestal binnen de zangersgilden die waren verbonden aan de Jeruzalemse tempel. Niet lang nadat deze tempel in de as was gelegd, grepen zij met trillende hand de pen. In de Klaagliederen voel je van nabij de ontwrichting van een stedelijke samenleving, tot in haar religieuze grndvesten.

Maar het zijn zeker geen spontane uitingen. Al hun literaire vaardigheden hebben de dichters gebruikt om de ramp in taal te verwerken. Zo lijkt de ik-figuur in het centrale gedicht, klaaglied III, te zijn gemodelleerd naar de figuur van de lijdende rechtvaardige uit de zogenaamde 'klaag-psalmen van de enkeling'. Die individuele klaagpsalmen behoorden sinds lang tot de liturgische traditie van de tempel. Meldde een geslagen mens zich in het heiligdom, dan lag daar een 'ik-tekst' voor hem gereed. Het was een tekst waarin men zijn eigen ellendige situatie al bij voorbaat in woorden vond uitgedrukt, woorden die tegelijkertijd een voorschot namen op het eigen godsvertrouwen.

Zo was de Jeruzalemse traditie op het 'mannen' van persoonlijke rampen zoals ziekte, achtervolging en onrecht, beter berekend dan op de verwerking van een collectieve ramp. De Klaaglied-dichters gebruiken deze traditie door in klaaglied III de collectieve ramp te spiegelen in de ervaring van een enkele vrome: 'Ik ben de man die ellende heeft gezien door de roede Zijner verbolgenheid.'

Deze ik-figuur verhaalt alle ellende die hij heeft meegemaakt, maar hij blijkt ook in staat om ondanks alles vertrouwen uit te spreken in God, en om als een bedachtzame wijze de anderen tot de orde te roepen. Hij doet dit bijna ambtelijk, in de stereotiepe bewoordingen die de tempelliturgie voor dat doel in voorraad had.

Ik merk vast op dat in de Amsterdamse toneelvoorstelling deze ik-figuur terecht een centrale rol kreeg toebedeeld. De andere hoofdfiguur, zowel in het bijbelboek als op het toneel, was de dochter van Sion. Als een rouwende weduwe belichaamt zij de verwoeste stad zelf.

Jeruzalem is een moeder geworden die haar kinderen niet langer voedsel en veiligheid biedt. Het beeld van de stad als vrouw is des te pijnlijker omdat het de stad moet voorstellen als de geliefde van de HEER; dezelfde die nu al zijn verbolgenheid over haar heeft uitgestort. Ook deze vrouw spreekt haar teksten in de ik-vorm; zie klaaglied I, vanaf vers 9. Zij bedient zich, evenals de anderen die haar beklagen, van de gangbare vorm van de Israëlitische rouwklacht.

Aan deze rouwklacht dankt het boek zijn naam. Ook het metrum is eraan ontleend, het zogenaamde qinah-metrum: de meeste dichtregels hebben in het Hebreeuws 3+2 accenten. Daarmee werd in gestileerde vorm het bewenen van de dode nagebootst: een lange uithaal eerst, en een kortere snik daarna.

Zo zit het boek dicht op de ervaring, maar er kwamen allerlei genre-patronen en literaire conventies aan te pas. Het scherpst zien we dit in de acrostische strofen-indeling. Elk van de liederen I t/m IV heeft de vorm van een zogenaamd alfabetisch acrostichon. Dat wil zeggen dat elke strofe begint met een van de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet. Wie een Statenbijbel bezit, kan dat nog zien. Daar is namelijk voor iedere strofe de Hebreeuwse beginletter weergegeven: Alef, Beth, Gimel, enzovoort. Bij het centrale 3de lied beginnen alle regels van de eerste strofe met een alef, enzovoort. Klaaglied V is niet acrostisch, maar daar klopt het aantal strofen nog altijd met het getal van de 22 letters. Dit slotlied is geschreven in de wij-vorm en draagt zo het karakter van een gemeenschappelijk gebed.

Sommige moderne uitleggers hebben zich aan deze acrostische vorm geërgerd. Ze vonden dat zoveel maniërisme afbreuk deed aan de emotie. Maar enige orde in de emotie kan geen kwaad, moeten die Hebreeuwse dichters juist gedacht hebben; al was het maar de simpele orde van het ABC.

Dr. Hans Renkema, van wie onlangs een commentaar op het boek Klaagliederen verscheen (en die door de toneelmakers is geraadpleegd als deskundige), ziet de bedoeling vooral in de mogelijkheid tot onderlinge verwijzing. Doordat het ene gedicht strofe-gewijs kan 'responderen' op het andere, wordt het boek belegd met een heel netwerk van associatieve dwarsverbindingen. Zo respondeert bijvoorbeeld 'Hij heeft mij woest gemaakt' in strofe D van klaaglied III op 'al hare poorten zijn woest' in de parallelle strofe in klaaglied I: de innerlijke puinhoop bij de vrome beantwoordt precies aan de uiterlijke verwoesting van de stad.

Het boek Klaagliederen is niet een dramatische tekst in de letterkundige betekenis van dat woord. Je kunt het dramatisch noemen in de zin van 'aangrijpend', maar het mist een voortgaande dramatische handeling. Alleen die twee sprekers in de ik-vorm, de vrouw Sion en de lijdende rechtvaardige, springen als afzonderlijke personages uit het koor van klagende stemmen naar voren.

Later is, in dezelfde tempelzangers-traditie, om deze beide gestalten nog een ander groot dichtwerk gecomponeerd, dat ons eveneens in de Bijbel bewaard bleef: het boek van de Tweede Jesaja. Een boek vol troost en toekomstperspectief, dat je kunt beschouwen als een profetisch antwoord op de Klaagliederen. Dit boek heeft wel een echte dramatische handeling, en ik zie uit naar een regisseur die zich daaraan waagt; maar dit terzijde. In elk geval bieden deze beide personages ook in Klaagliederen al een aanknopingspunt voor dramatisering en zo brachten Kitty Courbois en Joop Admiraal hen dan ook tot leven.

Het gemis aan dialogen in de tekst werd daarbij voor mijn gevoel ruimschoots gecompenseerd door het optimaal benutten van dat responderende karakter van de liederen. Ook in de schouwburg lokte de ene klacht letterlijk de andere uit, ze verwezen naar elkaar als vraag en antwoord en het was vooral op dit punt dat de voorstelling diepe indruk op mij maakte.

Het ontbreken van een voortgaande handeling bleef natuurlijk een probleem, al werd het enigszins ondervangen door de toevoeging van een proloog, die ons in tijd verplaatste naar de vooravond van de ramp. Geflankeerd door een gevleugelde en een ongevleugelde engel, citeerde de acteur Michael Matthews in het Engels een woord dat in Jeremia 5 aan God in de mond wordt gelegd: 'Ga door de straten van Jeruzalem en zie of er iemand is, die recht doet ...'. Zo ontstond er toch iets van een vroeger en later, een tijdsverloop voor en na de catastrofe. In de epiloog, nadat de klachten eenmaal zijn weggeëbd, schrijdt dezelfde acteur nog een keer nadenkend over het toneel. Inmiddels heeft het publiek bedacht dat hij de HEER zelf moet voorstellen; en hij maakt dan een vreemde grimas naar de zaal. Wil hij ons als personage op de valreep duidelijk maken dat God in dit hele drama niet anders aanwezig kon zijn dan zoals wij hem ons durfden verbeelden? Een God die in zijn verschrikkelijke toorn mensen voor hun daden aansprakelijk stelt, maar die misschien toch ook hun dagen vernieuwen kan?

Die goddelijke toorn en die glimp van verwachting zijn in Klaagliederen zeker belangrijke thema's, maar als het kern-thema beschouw ik ze niet. Als ik in één zin zou moeten zeggen waar dit bijbelboek over gaat, dan zou mijn antwoord zijn: over het onder controle brengen van de wanhoop.

Besmettelijke ziekte en oorlogsgeweld. Honger. Moeders die niets te eten hebben voor hun kinderen. De meest primitieve overlevingsinstincten, opkomend tijdens een slopend beleg. Geen vroegere bondgenoot die een hand uitsteekt. En dan: de inname en verwoesting van wat ooit de onaantastbaarste en mooiste stad ter wereld leek te zijn. De meewarige blik van de omgeving: hoe heeft dit haar kunnen gebeuren? Het onbeschaamd binnendringen van vreemden in Jezulalems intiemste en allerheiligste ruimte, de tempel. Het gevoel als samenleving compleet te hebben gefaald voor het oog van God. De deportatie van de toonaangevende kringen door de bezetter. De smadelijke arrestatie van de koning uit Davids dynastie “van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijne schaduw leven onder de heidenen”. De gebleken holheid van geruststellende profetenwoorden. Vrouwen en meisjes verkracht, niets koninklijks meer in de gebogen gang van jongemannen, “de kroon onzes hoofds is afgevallen”. Dit alles eerlijk onder ogen te zien en onder woorden te brengen, vergt het niet het uiterste aan moed en discipline? Is er een taal te vinden, zijn er vormen voorhanden, waarin men, verbijsterd als men is, toch bij zijn positieven blijft?

Echte troost bieden zulke vormen niet, want hoe zou iemand zich aan de eigen haren uit de sloot trekken. Met traditie en retorische technieken alleen droogt men geen tranen. De ergste ontreddering kan er mee worden bezworen en dat is al genade. Precies dit element kwam in de voorstelling sterk tot uitdrukking en ik denk dat ik het vooral daarom zo'n integere voorstelling vond.

In het begin dacht ik nog: wat moet dat worden, met die Statenvertaling en met Rembrandt, bij wiens bijbelse schilderijen de kostuumontwerper Rien Bekkers wel zeer grondig in de leer was gegaan. Er bleek tussen alle brocaatjurken maar één speler in eigentijdse kledij: bedrukt t-shirt en slobberpak. Maar deze tijdgenoot (Wim Hulst) kon dan ook vrijwel geen woord uitbrengen. Nauwelijks verstaanbaar mompelde hij flarden van de meest onthutsende strofen, zoals 'De handen van barmhartige vrouwen hebben hun kinderen gekookt'.

Later drong het tot me door dat we de omweg over de 17de eeuw hard nodig hadden om zulke teksten nog te kunnen aanhoren en ze zelfs als kalmerend te ervaren. Een van de meest opvallende contrasten was dat tussen het gehakkel van die tijdgenoot aan het begin en, even later, de sobere voordracht van klaaglied III door Joop Admiraal, een lijdende rechtvaardige met Rembrandtieke tulband. Hij sprak afgemeten, alsof hem dit was opgedragen - en precies zo hoorde het ook volgens mij. Pas nadat hij met zijn sobere woorden de lijnen had uitgezet, ontstond er bij de anderen ruimte voor meer emotionele expressie, ontstond er ook ruimte voor de hartverscheurende verwijten van vrouwe Sion. Ik legde een verband met wat er even later in het decor gebeurde: Saenredamse zuilen die plotseling uiteenvielen in tranen. Een visuele respons op wat er was gezegd: 'Met waterbeken stroomt mijn oog, vanwege de breuk van de dochter mijns volks. Mijn oog vliet en kan niet ophouden ... '.

Natuurlijk, deze teksten zijn via die gouden eeuw deel geworden van onze culturele erfenis, en waarom zou men daarvan niet gebruik maken bij het opnieuw zoeken naar hun werking en betekenis? Rembrandts verkleedkist leverde bovendien schitterende taferelen op van vergane glorie. Maar vooral ging het in heel de voorstelling - zoals ik het althans begreep - om de vraag: hoe vinden we ergens in onze bagage woorden en vormen die althans enige orde scheppen in de wanhoop, net genoeg orde en belijning om het gemoed te durven luchten en niet in starre sprakeloosheid te vervallen?

Troost, dat is nog weer iets anders. Aan het begin van de voorstelling ligt er rechts een engel op het toneel. De eigentijdse stamelaar ziet hem daar liggen en kijkt dan even omhoog alsof hij zich afvraagt: waar komt die vandaan? Vlak voor het eind zijn er nog maar drie figuren op de speelvloer achtergebleven: de gevallen engel, de stamelaar en vrouwe Sion. Totaal gebroken ligt zij daar. Is er dan werkelijk niemand die haar troost?

De stamelaar tikt haar aan, helpt haar overeind en voert haar liefdevol uit ons gezichtsveld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden