Humanitaire ramp / De grootste killer: diarree

Door de jarenlange ondervoeding, de schaarste van water en het ontbreken van medische zorg is de Iraakse bevolking een patiënt geworden die uiterst kwetsbaar is voor een gewapende strijd. Een week zonder hulp kan net.

De kolonnes staan klaar. De voorraden zijn aangevuld. De magazijnen puilen uit. Op het moment dat de eerste delen van Irak door Amerikaanse en Britse troepen zijn ingenomen, volgt de invasie van hulpverleners. Vooral het Internationale Rode Kruis en de zusterorganisatie de Rode Halve Maan zullen alles op alles zetten vooral snel ter plekke te zijn. De Iraakse bevolking zal na de strijd niet lang zelfstandig in de eerste levensbehoeften kunnen voorzien.

De vraag wat deze oorlog zal betekenen voor de humanitaire situatie in Irak, kan alleen beantwoord worden als eerst naar het huidige levens- en welzijnspeil van de bevolking wordt gekeken. Een weldoorvoed, gezond en goed behuisd volk zal een oorlog immers beter doorstaan dan een arme, ondervoede en deels op drift geslagen bevolking. En van de Irakezen kan enigszins eufemistisch worden gezegd dat zij met name de afgelopen twaalf jaar, sinds de eerste Golfoorlog, 'een jasje hebben uitgedaan'.

In de luchtoorlog van 34 dagen in 1991, waarna het Iraakse leger uit Koeweit werd verdreven, vernietigden geallieerde vliegtuigen in totaal 700 doelen. Voor een groot deel waren dat militaire installaties, maar ook voorzieningen die voor de bevolking van groot belang waren gingen eraan. Elektriciteitscentrales, waterzuiveringsinstallaties en verbindingen werden vernietigd, waardoor 'de ziektes van de armoede' enorm opkwamen. Cholera stak de kop op, en tyfus. Volgens de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch overleden naar schatting 110000 Iraakse burgers ná beëindiging van de oorlog in 1991 aan de gezondheidseffecten van diezelfde oorlog.

De situatie van de Iraakse bevolking werd er in de jaren daarna alleen maar slechter op, want na de oorlog kwamen de VN-sancties. Door die sancties was het bijvoorbeeld onmogelijk waterzuiveringsinstallaties te repareren, belangrijke chemicaliën daarvoor mochten niet worden ingevoerd. In 1996 kreeg de Iraakse overheid dan wel de mogelijkheid olie voor voedsel te 'ruilen', maar volgens de Unicef had de bevolking daar slechts ten dele wat aan. Het kinderfonds van de Verenigde Naties becijferde in 1999 dat de babysterfte was gestegen van 47 per 1000 geboortes in de periode 1984-1989 tot 108 per duizend in de periode 1994-1999. Dat gold ook voor de sterfte van kinderen tot vijf jaar: 56 per 1000 kinderen in 1984-1989 tot 131 in 1994-1999.

Aan het voedsel-voor-olie-programma kleefde trouwens ook een fors nadeel. Een groot deel van de bevolking, meer dan zestig procent, werd volstrekt afhankelijk van de overheid die de uitvoering van het programma (de distributie van de eerste levensbehoeften) in eigen hand hield. Die overheid kwam haar beloftes trouwens vaak niet na. Buitenlandse hulporganisaties hebben de afgelopen jaren getracht die gaten op te vullen.

De volstrekte afhankelijkheid van de bevolking is de afgelopen jaren nog eens versterkt door de grote vluchtelingenstromen en deportaties die na de eerste Golfoorlog op gang zijn gekomen, en die in lijn liggen met de binnenlandse gedwongen verhuizingen uit de jaren zeventig. Bevolkingsgroepen die zich verzetten tegen het bewind van Saddam, of hem niet volop steunden, werden gedwongen te vertrekken naar gebieden van minder economische waarde en waar zij minder gevaar voor het centraal gezag vormden. Andere groepen sloegen eigenhandig op de vlucht na een dreigende houding van het leger.

In Zuid-Irak alleen al leven 300000 gedeporteerden, onderwie 100000 sji'ieten, de Ma'adan, uit de zuidoostelijke moeraslanden. In het begin van de jaren negentig sloot de overheid met dammen in de Tigris en de Eufraat hun watertoevoer af. Daarmee verdroogden hun vis- en jachtgronden en zij verloren daarmee hun middelen van bestaan. De moerassen zouden een toevluchtsoord voor politieke opponenten zijn, en niet onbelangrijk: er zou olie in de grond zitten. Het verzet van deze sjiitische moslims tegen de door vooral soennieten geleide regering na de eerste Golfoorlog was uiteindelijk de aanleiding hen definitief te verdrijven.

In het noorden leven naar schatting 600000 tot 800000 ontheemden. Hier gaat het vooral om Koerden, Turkmenen, en Assyriërs die sinds het midden van de jaren zeventig uit de oliecentra Kirkoek, Toez Khormatoe en Khanikin zijn verdreven in het kader van de door Saddam ingezette 'arabisering'. De eerste Golfoorlog, en de opstand van Koerden die daar in het noorden op volgde, maakte hun verhuizing definitief. Zowel in het zuiden als in het noorden moeten deze ontheemden zich beschermd voelen door de instelling van no-fly-zones.

Nog eens een tot twee miljoen Irakezen hebben hun heil buiten hun vaderland gezocht. Slechts 300000 zijn formeel geregistreerd als vluchteling of zitten in een asielprocedure. In Nederland wonen op het ogenblik zo'n 26000 Irakezen. (telling eind 2001)

Bij de voorspelling van de humanitaire situatie in Irak tijdens en na de huidige Golfoorlog moeten de hierboven beschreven ontwikkelingen niet los van elkaar worden gezien, maar bijelkaar opgeteld. Pas dan wordt de enorme kwetsbaarheid van grote delen van de Iraakse bevolking duidelijk -en dan hoeft de blootstelling aan oorlogsgeweld én het eventueel gebruik van biologische of chemische wapens niet eens te worden meegerekend. De medische zorg en voedsel- en watervoorziening zijn ver onder de maat, terwijl een meerderheid van de bevolking volstrekt afhankelijk is van de rantsoenen van de overheid en hulporganisaties. Daardoor hebben de veelal binnenlandse vluchtelingen zich de laatste jaren in veel gevallen rond de steden verzameld, die immers distributiepunten vormen. Zo is een kunstmatig gevormde urbane samenleving van hulpbehoevenden ontstaan.

Uit angst voor de op handen zijnde gevechten is op dit moment volgens de hulporganisaties weer een tegengestelde beweging zichtbaar. De steden lopen leeg, de Irakezen zijn het buitengebied ingetrokken, en daardoor verstoken van water en voedsel. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de situatie in het zuiden van Irak veel nijpender is dan bij de Koerden in het noorden. De Koerden bouwden de afgelopen jaren hun dorpen weer op en hebben in het najaar van 2002 een zeer goede oogst gehad. Ook is de bevolking in het noorden beter bereikbaar voor hulpverleners.

Volgens de VN zal de huidige Golfoorlog tenminste 900000 vluchtelingen in beweging brengen. Hulporganisaties Save the Children, Care International en Christian Aid gaan uit van drie miljoen vluchtelingen, waarvan er twee miljoen naar het buitenland zullen vluchten.

De Irakezen die de grens over vluchten, komen terecht in opvangkampen waar voedsel en water voor bepaalde tijd aanwezig is; de burgers die in Irak blijven zullen het waarschijnlijk veel zwaarder krijgen. De grootste zorg van het Rode Kruis em de Rode Halve Maan is de beschikbaarheid van drinkwater in Irak tijdens en na de oorlog. 'In tijden van crisis is diarree de grootste killer', zei Sten Swedlund, hoofd van de Rode Kruis-delegatie, vorige week bij zijn bezoek aan Bagdad. Uitdroging kan een gevolg zijn, typhus of cholera ook.

Na de vorige Golfoorlog heeft zijn organisatie er alles aan gedaan om de waterzuivering te herstellen en drinkwater onder de zwakke groepen van de bevolking te distribueren. Maar die verdeling wordt door een oorlog onderbroken, waardoor vooral jonge kinderen en ouderen gevaar lopen. Zodra de elektriciteitstoevoer stokt, wordt ook de zuivering en sterilisatie van water stilgelegd. Burgers hebben dan wel putten geslagen en tanks geïnstalleeerd, maar het water waarover zij beschikken is doorgaans niet zuiver. De rivieren de Eufraat en de Tigris waaruit het meeste drinkwater wordt geput, zijn immers ook nog steeds de grootste afvoerval. Slechts vijf miljoen Irakezen, waarvan vier miljoen inwoners van Bagdad, hebben direct toegang tot het waterleidingnet. Maar slechts tien procent van de zuiveringsinstallaties heeft een noodgenerator die de aandrijving kan overnemen als de elektriciteit uitvalt.

Voedsel is een tweede probleem. Er zijn extra noodrantsoenen uitgedeeld, maar veel burgers hebben die al weer verruild voor andere goederen waar een groot tekort aan was. De vluchtelingen in Irak kunnen een week zonder hulp, maar daarna begint de honger. Het Rode Kruis en de Rode Halve Maan hebben daarom in Irak zes regionale opslagplaatsen met extra voorraden hulpgoederen aangelegd als tenten, medicijnen, dekens en keukensets. Hiermee kunnen 75000 mensen worden geholpen. In de grensgebieden rond Irak staan 30 zogenaamde emergency response units klaar met veldhospitaals, water- en sanitairvoorzieningen. Deze kunnen 1 miljoen mensen gedurende een maand medisch bijstaan.

De buurlanden van Irak kunnen met assistentie van de twee hulporganisaties grote groepen vluchtelingen aan. Iran kan zonodig 100000 mensen opvangen, Syrië heeft getekend voor 25000 vluchtelingen, Turkije voor 800000, en Jordaanse hulpverleners bereiden zich voor op de komst van 25000 vluchtelingen. Het is echter nog onduidelijk of de regeringen van deze landen zullen besluiten de grenzen open te gooien voor grote groepen vluchtelingen. Turkije bijvoorbeeld vangt vluchtelingen liever op Iraks grondgebied op, het vreest om politieke redenen een stroom van Koerden in het oosten van Turkije.

De opvang in de buurlanden bestaat op dit moment uit noodhulp, en is van beperkte duur, ongeveer een maand. Mocht de oorlog langer duren, dan is volstrekt onduidelijk van welke middelen de opvang betaald moet worden. Irak is een witte vlek op de kaart van de hulpverlening, slechts enkele organisaties hebben banden met het land. Het Wereldvoedselprogramma van de VN heeft tot dusver maar 7 miljoen euro binnen van de 23 miljoen die voor de crisis nodig is.

De Amerikaanse ambassadeur bij de VN, John Negroponte, heeft afgelopen woensdag om snelle steun van de Veiligheidsraad gevraagd teneinde gedurende de vijandelijkheden voortzetting van de humanitaire hulp aan Irak te garanderen. Eerder zeiden diplomatieke bronnen al dat de Verenigde Staten en Groot-Brittannië werken aan een plan om ongeveer veertig miljard dollar uit de verkoop van Iraakse olie te bestemmen voor humanitaire hulp tijdens de vijandelijkheden. Het geld uit de olie zou worden gestort op een speciale VN-rekening, waar Washington en Londen geen toegang toe krijgen. Het is de bedoeling het geld direct door te sluizen naar de instanties voor humanitaire zorg.

Gebruik van Iraks eigen olieinkomsten voor hulpverlening aan de eigen bevolking, zou geen vreemde zet zijn, mede gezien de duur van het conflict. Want iemand die denkt dat na de oorlog de crisis voorbij is en direct kan worden begonnen met de wederopbouw, heeft het mis. Pas dan zal de discussie over de binnenlandse deportaties van bevolkingsgroepen voluit gevoerd worden.

Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch noemt het voorbeeld van de oliestad Kirkoek, waar 120000 Irakezen afkomstig uit etnische minderheidsgroepen in het kader van de 'arabisering' gedwongen waren de vertrekken. Nieuwe families wonen nu in hun huizen. Wat zal er na de oorlog gebeuren, als opeens de verdreven bewoners weer op hun stoep staan?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden