HUMANISTISCHE AANBEVELING: MEER GODSDIENSTONDERWIJS

Rekenschap, juni, ¿ 14. Evangelische Kommentare, juni, DM 11,75.

JAAP DE BERG

Daartoe behoefde hij zich slechts vastberaden te bedienen van “een sociale geneeskunde” en andere strikt wetenschappelijke middelen tot “verheffing van de maatschappij uit haar ellende en ziekten”. Aldus wijlen Anton Constandse in zijn 'Grondslagen van het atheïsme' (19261).

Van dit optimistische, goedgelovige humanisme is in Nederland vermoedelijk weinig meer over, te oordelen naar het jongste nummer van Rekenschap, kwartaalblad van de Humanistische Stichting Socrates. Het houdt zich bezig met een verschijnsel dat vroeger vooral voor christenen als een onoplosbaar probleem gold: het kwaad in de wereld.

Een van de bijdragen is afkomstig van prof. Rob Tielman, oud-voorzitter van het Humanistisch Verbond. Wat onder 'het kwaad' precies moet worden verstaan en hoe het zich in hoofdzaak manifesteert, acht hij kennelijk bij het publiek van 'Socrates' voldoende bekend. De bron ervan zoekt hij niet in 'de natuur', maar in 'de mens zelf'. Dat het kwaad op den duur via wetenschappelijke scholing - zie boven - overwonnen kan worden, wil er bij Tielman niet meer in. Nodig is veeleer onderwijs in levenbeschouwelijke vorming, in mogelijkheden tot zingeving, opdat jongeren “beter in staat zijn om te gaan met vragen van goed en kwaad”. Immers, “het kwaad plaatst ons voor de vraag naar de zin van het bestaan” en de school moet helpen, daar een antwoord op te vinden.

Op dit punt stelt Tielman de overheid ernstig in gebreke. Ze heeft nagelaten, bij de jongste verbouwing van het voortgezet onderwijs - motto: 'basisvorming' - een vaste plek te reserveren voor godsdienstige en levensbeschouwelijke vorming. De schrijver kan daar niet bij: een overheid die zegt de criminaliteit te willen bestrijden, zou 'de ethische vorming van toekomstige generaties' juist krachtig moeten bevorderen.

Het openbaar onderwijs zelf is van goede wil; het besteedt althans “steeds meer aandacht aan het binnenhalen van de levensbeschouwelijke pluriformiteit”. Maar ja, de broodnodige vakken vallen buiten de landelijke bekostigiging van openbare scholen en worden daarom op de meeste 'nog niet gegeven'.

Confessionele scholen krijgen er wèl geld voor, maar die doen er te weinig mee. Ze dringen “het godsdienstig onderwijs vaak op de achtergrond om leerlingen met een andere levensbeschouwelijke achtergrond niet af te schrikken”. Van zo'n opmerking zouden vroegere jaargangen van humanisten vermoedelijk collectief paf hebben gestaan: een hoogleraar van hun eigen denominatie die christenen verwijt dat ze hun achterlijke geloof niet voldoende onder de jeugd verbreiden - wat moet er van de wereld worden?

TIP: LEVENSBESCHOUWELIJKE THEEMUTS MET üüN POT NAT

Er staat méér in Rekenschap dat wijlen humanisten van de oude stempel ertoe zou kunnen bewegen - om een door hen vermoedelijk niet gesanctioneerde metafoor te gebruiken - zich in hun graf om te draaien. Zo kritiseert prof. Ilja Maso humanisten die klakkeloos alles afkraken wat 'riekt naar het paranormale of religieuze', reïncarnatie inbegrepen. Ook niet mis is de bijdrage van prof. Harry Kunneman. Hij maakt het Humanistisch Verbond attent op de noodzaak van een ingrijpende koerswijziging.

Kunneman constateert een afnemende maatschappelijke behoefte aan “een organisatie die in naam van een expliciet humanisme een centralistisch beheer probeert te voeren over klaarliggende standpunten”. Wat hem voor ogen staat, is een verbond dat - kort samengevat - niemand iets probeert op te dringen maar iedere belangstellende min of meer vrijblijvend in kennis stelt van mogelijkheden tot bestaansverheldering. Voor dit soort dienstverlening denkt hij aan 'centra voor bestaansvragen', waar de mensen niet zozeer humanistische antwoorden kunnen bekomen als wel “beter zicht krijgen op hun bestaansknopen en op de eigen hulpbronnen om daar creatief mee om te gaan.”

Kennelijk meent Kunneman dat ook in kerkelijke kring de neiging groeit om eerder met hulpbehoevenden mee te denken dan aan hen antwoorden op hun vragen voor te houden. Hij bepleit althans een 'geestelijke verzorging nieuwe stijl', waarin - als ik het goed begrijp - humanistische raadslieden, dominees, priesters, rabbijnen en wie weet imans zich louter presenteren als 'gesprekspartners op niveau' voor wie behoefte heeft aan 'bestaansoriëntatie'. Of “de cliënt onder dezelfde levensbeschouwelijke theemuts thuishoort”, doet er in principe niet toe.

Het lijkt de apotheose van wat de Duitse theoloog Heinz Zahrnt - vorige maand tachtig geworden - in Evangelische Kommentare omschrijft als het grootste secularisatieproces dat zich in de historie van het christendom heeft voltrokken. De waarheid overkomt de mensen niet meer, maar wordt, in een wereld zonder metafysische overkapping, naar believen door hen gekozen. Voor Zahrnt is dat overigens geen reden om, in Kunnemans spoor, pastores te adviseren zich om te scholen tot algemene specialisten in de methodologie van de zingeving. Hij blijft geloven in de werfkracht van de Bijbel, mits herschreven in de taal en dus in de gedachtenwereld van nu.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden