Column

Humanisten en gelovigen verschillen niet zo veel

Beeld van Charles Darwin. ©Thinkstock Beeld
Beeld van Charles Darwin. ©Thinkstock

Wat wil dat humanisme toch? Wat zagen mijn buitenkerkelijke ouders daar in? Als zaakwaarnemer van mijn moeder betaalde ik laatst weer haar lidmaatschap van het Humanistisch Verbond. In een brief bij de acceptgiro staat: 'Veel humanisten maken zich zorgen over de veelheid van ongenuanceerde meningen in de politiek en samenleving.' Dat is mooi, maar hoe genuanceerd zijn ze eigenlijk zelf?

Vorige maand hield NRC-columnist Bas Heijne voor het Humanistisch Verbond de Socrateslezing. Hij concludeert met een definitie van het huidige humanisme: 'Een optimistisch geloof dat de wereld wel degelijk te verbeteren valt, getemperd door een groot wantrouwen in de menselijke natuur.'

Maar die omschrijving kan evengoed op de kerk slaan. Zo streeft Kerk in Actie naar 'een wereld die voor iedereen leefbaar is'. Tegelijk beseffen vooral protestanten dat de mens eerder geneigd is tot het kwade, dan het goede. Is het humanisme soms een soort kerk-light waar op zondag in troosteloze zaaltjes wordt gemompeld over de vraag waarom het meest verheven dier op aarde roos op zijn kraag heeft?

Heijne voert in zijn lezing de negentiende-eeuwse predikant Thomas Gallaudet op. Die bracht een doofstomme man met een materialistische levensinstelling tot geloof. Gallaudet opende hem voor de spirituele dimensie van het bestaan, volgens de Wereldgezondheidsorganisatie een belangrijk aspect van gezondheid.

Heijne denkt echter - zonder hiervoor bewijs aan te dragen - dat hij het verhaal over de doofstomme 'grotendeels verzonnen heeft' en vindt zijn 'God-gewauwel' zelfgenoegzaam. Maar Gallaudet deed eenvoudig wat vele predikanten deden en nog steeds doen, en waar Heijne als humanist naar zegt te streven: de wereld verbeteren. Zijn hele leven was hij met de doofstomme medemens bewogen. Met veel persoonlijke opoffering leerde hij in het buitenland gebarentaal. In de VS stichtte hij de eerste school voor doven. Hierin werd hij gedreven door een christelijke inspiratie, in een tijd dat humanisten zelfgenoegzaam op doofstomme mensen neerkeken. Hoezo gewauwel?

Verder suggereert Heijne dat christenen massaal de evolutietheorie van Darwin afwezen. Een typisch NRC Handelsblad-cliché, maar is het waar?

Charles Darwins enige graad was in de theologie. Een prima wetenschappelijke training, zo blijkt uit zijn carrière. Hij was gecharmeerd van de leer dat de soorten zich volgens een goddelijk ontwerp ontwikkelen. Toen hij echter ontdekte dat dit gebeurt door een proces van evolutie, bleek God niet een over blauwdrukken gebogen architect met haren uit zijn neus te zijn. Dat godsbeeld was een menselijke uitvinding, om met Heijne te spreken. Wie of wat is God dan wel? Een belangrijke vraag voor de verdere ontwikkeling van de theologie. Maar dat ook die evolueert, is nooit bij Darwin opgekomen. Zijn theologie niet bijgehouden, vrees ik.

Want vele tijdgenoten - van de aartsbisschop van Canterbury in zijn beroemde Bampton Lectures tot de populaire Florence Nightingale - lieten zich in hun theologisch denken creatief door de evolutiegedachte inspireren. Heijne vindt hen 'krampachtig,' waaruit blijkt dat hij hen niet gelezen kan hebben. Toen Darwin in 1882 stierf, kreeg hij de eer van een begrafenis in de belangrijkste kerk van Engeland, de Westminster Abbey. De bisschop die preekte, hekelde 'de dwaze opvatting, door sommigen actief verbreid, dat er een noodzakelijk conflict zou zijn tussen kennis van de natuur en geloof in God'.

Ook in Amerika vond de overgrote meerderheid van theologen de evolutieleer niet strijdig met het geloof. 'Evolutie is de wijze waarop God werkt.' Pas later kwam het christelijke fundamentalisme op dat, naast zwarten, lipstick en Mickey Mouse-films, de evolutieleer in de ban deed.

Heijne eindigt zijn verhaal met Montaigne,'de grootste humanist aller tijden'. Die was burgemeester van Bordeaux, nota bene de geboortestad van mijn moeder. Geïnspireerd door Augustinus, was hij er door zelfonderzoek achter gekomen dat de beelden, ideeën en gevoelens in zijn innerlijk voortdurend veranderden. Montaigne zag hierin de bijbelse 'dwaasheid' bevestigd dat wijsheid alleen bij de armen en nederigen van hart te vinden is. 'Que sais-je?' - 'Wat weet ik eigenlijk?', was zijn motto.

Van zo'n open, genuanceerde houding merk ik in deze Socrateslezing weinig. De teneur is: gelovigen zijn achterlijk en wij humanisten lekker niet. En dat terwijl Heijne's omschrijving van het 'hedendaagse humanisme' al eeuwen van toepassing is op de kerk! Hef dat Humanistisch Verbond maar op, jongens, en kom gezellig bij de kerk. Het enige verschil is dat ze daar bidden. Om humaan te worden.

Met enige tegenzin citeert Heijne onderzoek waaruit blijkt dat 'het wereldbeeld van Gallaudet, vol verlangen naar metafysische zin en verlossing, "menselijker" is dan dat van de historici die ons de radicale Verlichting tot voorbeeld stellen'.

Samengevat: een beetje mens is, anders dan de dieren, religieus. Kijk maar naar de 'grootste humanist aller tijden'. Montaigne was (oeps, Heijne vergeet dit te vertellen) een christen.

Ja ma, echt waar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden