Hulporganisaties: Hongersnood in Soedan is de schuld van één enkele overloper

TURALEI (AP) - Apot Majok graaft met haar handen door de bodem van de droge rivierbedding, op zoek naar zaadjes om pap van te maken voor haar kinderen. Sommige zaadjes zijn zo giftig dat ze lang moeten worden gekookt, maar dat kan Majok niet deren. Met een schamel aantal graszaadjes staat ze op. “Ik ga iets anders zoeken, anders ga ik dood.”

Majok en de andere mensen van de bevolkingsgroep Dinka in de zuidwestelijke Soedanese provincie Bahr el Ghazal hebben geen keus. De hongerdood dreigt voor meer dan een miljoen inwoners van de uitgestrekte savanne. Een natuurramp is het zeker niet, de honger is vooral het gevolg van gevechten tussen de rebellen en het regeringsleger. Hierdoor zijn veel Dinka's van huis en haard verdreven. Hun vee zijn ze kwijt en het is onmogelijk om in hun eigen voedsel te voorzien.

Volgens de Dinka's is dit de zwaarste periode sinds de burgeroorlog in 1983 begon. “Dit is een ramp die volledig is te wijten aan menselijk handelen”, zegt Dan Effie van de Noorse Volkshulp, een van de weinige hulporganisaties die al die tijd in Zuid-Soedan zijn gebleven.

De organisaties leggen de schuld van de huidige ellende vooral bij één enkele man: Kerubino Kwanying Bol. Hij was voorheen een van de leiders van de rebellenbeweging SPLA, maar sloot zich twee jaar geleden aan bij de regering. Die bevorderde Kerubino meteen tot generaal-majoor van het Soedanese leger, waarmee hij in oktober vorig jaar de provincie Bahr el Ghazal aanviel.

“Ze hebben onze jonge mannen vermoord, onze vrouwen verkracht, onze huizen en scholen platgebrand en ons vee gestolen”, zegt Dominic Matiok, een SPLA-bestuurder in Turalei, 850 kilometer ten zuiden van Soedans hoofdstad Khartoem. “Vanwege de onveiligheid konden we geen landbouw bedrijven. Nu zijn we afhankelijk van zaden en wortels.”

Na al deze gevechten sloot Kerubino zich begin dit jaar weer bij het SPLA aan, om redenen die nooit duidelijk zijn geworden. Samen met honderden 'overgelopen' en weer teruggekeerde strijders belegerde hij in januari de plaatsen Wau, Aweil en Gogrial, die in handen van de regering zijn. Opnieuw sloeg de bevolking op de vlucht.

In februari schortte de Soedanese regering alle vluchten met hulpgoederen naar het gebied op, officieel omdat het te gevaarlijk zou zijn om vliegtuigen te laten landen op de smalle landingsbanen. De hulporganisaties beweren nu dat door toedoen van Kerubino's troepen 350 000 mensen onmiddellijke voedselhulp behoeven. De regering heeft het verbod op de vluchten eerder deze maand opgeheven, maar niet overal en de hulporganisaties zeggen dat de maatregel te laat komt. Zo'n 350 000 mensen hebben onmiddellijk voedselhulp nodig.

“Over zes weken begint de regentijd”, zegt Effie. “Deze mensen hebben geen zaden, geen voedselvoorraden of landbouwwerktuigen. De wegen zullen onbegaanbaar en de landingsbanen onbruikbaar worden.” Als de regering voedselhulp blijft hinderen, zullen in augustus 1,6 miljoen mensen met de hongerdood worden bedreigd.

De burgeroorlog en bijbehorende hongersnoden in het zuiden van Soedan hebben sinds 1983 aan naar schatting 1,3 miljoen mensen het leven gekost. De SPLA-rebellen strijden voor meer autonomie in het zuiden, waar de bevolking christelijke en animistische godsdiensten aanhangen. De fundamentalistische moslimregering in Soedan probeert het hele land juist te islamiseren. (AP)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden