Hulp uit het oosten van Europa waar we wél blij van worden

Wat hebben we staan lachen in de perskamer van Ajax als naamloze hardlopers, of ze nou van Kopenhagen waren of van Slavia Praag, met speels gemak door de overblijfselen waren gesneden van wat ooit de grootste club van Nederland was. Beetje kinderachtig misschien wel, maar ze hadden erom gevraagd bij Ajax, met hun hoogmoed, eigenwaan en onverbeterlijke argeloosheid.

Woensdag, in het laatste uur van de avond, drong gezang van supporters door tot in de perskamer, waar trainer Martin Jol terugblikte op de glorieus afgelopen wedstrijd tegen Dinamo Kiev. Nooit eerder zó gehoord, in de doorgaans sereen als een theater leegstromende Arena. De fans zongen Jol toe, toen die later zijn hoofd over de reling van het parkeerdek uitstrekte en zijn arm hief, bijna als een staatshoofd–zij het dan meer eentje uit de oostelijke regionen van ons continent. Op het veld had hij al iets gelukkig onverstaanbaars geroepen in een microfoon die hem, als de eerste de beste kermisstandhouder, in handen was gedrukt.

Dat vloekte dan allemaal weer heel erg met de grandeur die Ajax, van 18 maart 1900, zou moeten uitstralen en in wezen gaf de extatische vreugde op de tribunes toch vooral weer hoe klein Ajax in de loop van al die dorre jaren is geworden. Maar dit was, voor even, geen avond voor gezeur of kanttekeningen. Het gaat net te ver om te zeggen dat we, toen we Jol boven aanhoorden, daadwerkelijk beneden bij de supporters hadden moeten staan, maar in gedachten misschien dan toch wel, stiekem, een paar tellen.

Want het lachen was ons behoorlijk vergaan, na Ajax’ karikaturale voorgaande mislukkingen in de voorronden van de Champions League. Elk jaar moeten schrijven dat er wéér minder geld is en dat het daarom van kwaad tot erger gaat met het Nederlandse clubvoetbal–daar word je moe van. Niet dat er nu plotseling veel zal veranderen, we zijn niet gek, maar je fleurt er wel van op: twéé clubs weer eens in de Champions League. Ajax mag eraan toe zijn geweest, maar wíj echt niet minder.

Woensdag liep ik rond middernacht met een Belgische collega naar het parkeerterrein. Hij was ook blij dat Ajax zich had geplaatst. Dichterbij krijg je de Champions League niet, als Belg. Hij had nu een kilometer of tweehonderd voor de boeg, de nacht in naar Brussel, in een klein autootje ook nog eens. Maar hij zal het nog wel een paar keer doen–is toch het grote werk, hè, de Champions League.

De loting is prachtig. De winnaar van de Champions League komt in Nederland spelen, zomaar in de provincie tegen FC Twente, en voor Ajax kan het bijna niet beter: naar Madrid en Milaan, antieke hoofdsteden van het voetbal. In één daarvan, in het bombastische Milanese San Siro, zag ik het destijds óók jonge Ajax zijn huid in 2003 heel duur verkopen.

Zoiets beklijft, en dat wil bij mij althans maar niet lukken met die eindeloze brij van inwisselbare wedstrijdjes in, hoe ze ook met de naam ervan goochelen, het B-toernooi van Europa.

Mourinho naar Amsterdam, en Seedorf! Voor even mogen we ontsnappen aan de alledaagse praktijk van zorg dan wel cynisme over onze uitgeholde competitie–en die zogenaamde Georgische miljonair van Vitesse, die niet verder komt dan het huren van een paar reserves, kan weer worden teruggedrukt naar de marge van het nieuws.

Deze week kwam er hulp uit Oost-Europa waar we wél iets mee opschieten, en blij van worden. Namens mijn collega’s wil ik een hartgrondig woord van dank uitspreken aan de voetballers van Dinamo Kiev, voor het missen van die geweldige kansen in de eerste helft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden