Hulp bij zelfdoding / ’Ik hecht erg aan zelfbeschikking’

Filosoof en suïcideconsulent Ton Vink, die wordt verdacht van hulp bij zelfdoding, hoort maandag van de rechter of hij veroordeeld wordt. „Het leven is van de mens zelf, en niet van God”, vindt Vink. „Iedereen mag over zijn eigen leven beschikken, maar wel helder en zorgvuldig.”

De dood van haar dochter Vivian in 1992 was voor Mimi de Kleine (54) uit Amsterdam altijd een groot verdriet gebleven. Daarnaast kampte ze met fysieke problemen die haar in de toekomst zouden kunnen belemmeren om haar werk nog te doen. En ze had verdriet om de wrede manier waarop mensen met dieren omgaan.

Op woensdag 9 juni 2004 maakte De Kleine in het bijzijn van twee vriendinnen een eind aan haar leven. Daarvóór had ze haar huisdieren – ze zorgde voor zwerfdieren – met een spuitje van de dierenarts al op ’de bus naar de hemel’ gezet. En op 27 april 2004 gaf ze een afscheidsfeest, waarbij iemand haar doopte met water uit een theepot. Na het feest bedankte De Kleine haar vrienden ten afscheid. Ze schreef: ’Zó geweldig, dat ik misschien wel zou willen blijven!?’

In de maanden voor haar dood had De Kleine intensief contact met filosoof en suïcideconsulent Ton Vink. Per brief gaf ze hem een opgave van de medicijnen die zij voor haar levensbeëindiging wilde gebruiken. Zij vroeg hem welke dosis daarvan dodelijk zou zijn. Vink gaf dat nauwkeurig aan. „Op grond van beschikbare informatie”, zegt hij.

De Kleine wilde zelf een nóg hogere dosis gebruiken; ze had haar lichaam ter beschikking van de wetenschap gesteld en wilde daarom zekerder zijn van een spoedig overlijden. Vink schreef haar ’volgens afspraak’ terug: „Hierbij zie je dat ik doseringen heb genomen die beduidend hoger liggen dan de werkgroep (van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding, WOZZ; red.) die zich hiermee bezighoudt, voorschrijft. Dit om je gevoel van zekerheid te vergroten.”

Omdat De Kleine geen natuurlijke dood was gestorven, werd de politie ingelicht. De twee vriendinnen werden afzonderlijk verhoord door ’keurige rechercheurs’, vertelt Ton Vink (53) in zijn studeerkamer, thuis in Velp. Nee, de vriendinnen hadden geen actieve rol in De Kleine’s levensbeëindiging gespeeld, nog geen glaasje water aangereikt. Daarover had Vink hun geïnformeerd. Wel was daar de correspondentie tussen De Kleine en haar suïcideconsulent. Ze hadden samen besloten dat die gerust openbaar mocht worden, zoals De Kleine er ook mee instemde dat haar naam bekend zou worden.

„Het lag in de rede dat de politie ook bij mij zou komen”, zegt Vink. „In mijn naïviteit vroeg ik nog: komt u naar mij of moet ik naar het bureau komen?

Ik kon een afspraak maken om langs te komen. Van het verhoor hebben ze een net verslagje gemaakt, taalkundig ook in orde, dat vind ik wel belangrijk. Vervolgens hoorde ik een jaar niets, tot ik een brief kreeg: het Openbaar Ministerie ging over tot vervolging. ’Nú nog?’, dacht ik.”

Vlak voor Kerst vorig jaar moest Vink voor de rechter verschijnen, op verdenking van overtreding van artikel 294 lid 2 (zie inzet) van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie eiste acht maanden gevangenisstraf waarvan vijf voorwaardelijk, voor hulp bij zelfdoding. De uitspraak is aanstaande maandag.

Nee, zegt Vink, hij heeft zijn koffertje nog niet gepakt voor drie maanden cel. „Er is weinig reden om te denken dat de uitspraak dramatisch uit zal pakken.”

Volgens Vink probeert de officier van justitie aan te sluiten bij eerdere veroordelingen. „Maar dan had die het beter anders kunnen aanpakken. Nu draagt mijn zaak weinig bij aan de ontwikkeling van jurisprudentie.”

De rechters hadden zich daarentegen volgens Vink ’uitstekend voorbereid’ op de zaak. „Met hen kon ik op niveau van gedachten wisselen.”

Belangrijker dan veroordeling of vrijspraak is volgens Vink de motivatie van het vonnis. „Het luistert allemaal nauw. Heb ik Mimi de Kleine algemene informatie verschaft, of een instructie? Het eerste mag, het tweede is strafbaar en doe ik ook nooit. Vermoedelijk volgt er hoger beroep, zodat alle partijen meer duidelijkheid krijgen. Maar dat ik op vrijspraak hoop zal niemand verbazen.”

Vink is ’sinds een jaar of zeven, acht’ suïcideconsulent. Hij werkt onder meer samen met stichting De Einder, die zich richt op ’begeleiding van mensen met een doodswens’. „De dood en het levenseinde horen bij het leven”, zegt hij. „Een filosoof thematiseert dat. De dood is de horizon van ons bestaan. Heidegger zei al: de mens is een ’Sein zum Tode’. Wat we doen krijgt betekenis door onze sterfelijkheid.”

„Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de maatschappelijke discussie over levensbeëindiging”, zegt Vink. „Zoiets groeit.” Daarbij laat hij zich bijvoorbeeld inspireren door het postuum verschenen essay ’Of Suicide’ (zie inzet) van de Schotse filosoof David Hume. Volgens Hume is er niets op zelfdoding tegen, omdat de mens zélf (en niet God) over zijn leven beschikt. Vink: „Ik hecht heel sterk aan zelfbeschikking. Dat niemand anders dan jijzelf uiteindelijk bepaalt wat goed voor je is.”

Maar, zegt hij erbij, dat betekent niet dat je álles maar kunt maken. „Dan krijg je brokken in je omgeving. Daarom vind ik: als je over je eigen leven wilt beschikken moet je dat zo helder en zorgvuldig mogelijk doen – in de afweging en in de uitvoering.”

In die ’afweging’ kan hij als filosoof een rol spelen, meent Vink. „Ik vind niet dat je je leven moet beëindigen. Maar als je het doet, moet je het zorgvuldig doen. Mijn taak is om alle mogelijke consequenties van de daad, ook voor de omgeving, helder te krijgen. Natuurlijk kan ik niemand dwingen om verwaterde familiecontacten weer eens aan te halen. Maar ik kan wel zeggen dat een zelfdoding mogelijk verdriet en grote schuldgevoelens zullen veroorzaken bij die zus die je al zeven jaar niet gesproken hebt.”

Voor de ’uitvoering’ drukt Vink zijn cliënten op het hart het vooral ’netjes’ te houden. Hij haalt een boekje tevoorschijn van de WOZZ. Volgens de achterflap is ’zorgvuldige zelfdoding’ een humane levensbeëindiging: ’overlijden via een tussenfase van diepe slaap of coma, waarbij het lichaam ongeschonden blijft’. „Daarover is goede informatie nodig”, zegt Vink. „Van genoeg paracetamol sterf je misschien ook, maar dat wordt een nare dood.”

Hume is een uitgesproken voorstander van zelfbeschikking. Maar er zijn ook filosofen die zich daar expliciet tégen hebben uitgesproken. Zo zei Kant: „Zelfmoord is vaak slechts het gevolg van een bevlieging. Want dezelfde persoon die zich in de heftigheid van het affect de hals afsnijdt, laat hem even later weer geduldig dichtnaaien.”

Inderdaad, knikt Vink. „Maar de kracht van Hume vind ik de humor waarmee hij zijn ideeën bracht. Hume was atheïst, maar had christenen onder zijn vrienden. Die vroegen zich af hoe hij rustig kon sterven, zonder geloof in God en een leven na de dood. Dat onbegrip fascineert me. Hume ging niet tekeer tegen zijn vrienden, maar schreef met ironie over ze. Humor, dat mis ik in het huidige debat. We zijn tweehonderdvijftig jaar verder, maar ik heb nog dezelfde moeilijkheden als Hume in de achttiende eeuw.”

Is de ’goede informatie’ die Vink zegt te verschaffen niet een extra stimulans voor zelfdoding? Nee, denkt hij. „Misschien geldt wel het omgekeerde, en gaat van mijn informatie een preventieve werking uit. Veel mensen zien nog maar even van levensbeëindiging af. Ze zijn gerustgesteld: áls ik het wil dan weet ik nu hoe het kan.”

De filosoof spreekt consequent van ’levensbeëindiging’ en niet van ’zelfmoord’. Dat is een levensbeschouwelijke kwestie, zegt hij. „Moord is het nemen van een leven dat jou niet toebehoort. Maar mijn leven behoort mij wel toe, dus kan ik mijzelf niet vermoorden. Maar ik gun iedereen het recht om te zeggen: ’Mijn leven behoort toe aan God, dat mag ik niet nemen’. Zoiets respecteer ik. Maar je moet dat niet opdringen: ’Ik geloof dat mijn leven God toebehoort, dus mag jij niet over het jouwe beschikken’.” Vink is evenwel nog nooit echt in conflict gekomen met tegenstanders van zijn praktijk, zegt hij. „Kritiek krijg je als je onzorgvuldig handelt. Daar heb ik geen herinnering aan.”

Iemand ’zorgvuldig begeleiden’ tot aan de zelfgekozen dood – wat doet dat met een mens? „Ik krijg soms een rouwkaart. Of een telefoontje dat het komend weekend gaat gebeuren. Dat is op een bepaalde manier wel enerverend. En als het goed verlopen is ben ik wel blij. Nu ja, opgelucht. Ik bén natuurlijk niet verantwoordelijk, maar vóel het me wel. Mensen zetten zelf die stap, maar ik haal daar echt niet mijn schouders over op.”

Soms is hij aanwezig op het moment van sterven. „Je mag morele steun geven. Er zitten, als mens voor een ander mens. Maar de innerlijke strijd is al gestreden. Wel voel ik me verplicht om nog een keer te vragen: weet je het écht zeker? Je moet erop wijzen, vind ik, dat uitstel nog mogelijk is. Als consulent moet je beslist geen katalysator worden.”

En wat als Vink wél veroordeeld wordt? „Dat zou echt een stap terug betekenen. De mogelijkheid om goede informatie te ontvangen wordt dan beperkter. En dan zullen we meer nare zelfdodingen krijgen. Terwijl de mensen die hun leven hebben beëindigd nadat ze mij hadden geconsulteerd vredig zijn gestorven. Geen getraumatiseerde treinmachinisten, geen geliefde die aan een touw hangt.”

Belangrijker dan de zaak tegen hem, zegt Vink nog maar eens, vindt hij de discussie over zelfdoding. „Mensen worden ouder, zijn langer zelfstandig. De vraag naar goede informatie over levensbeëindiging zal alleen maar toenemen. Daar maak ik mij sterk voor, binnen de grenzen van de wet. Ja, ook bij Mimi de Kleine ben ik binnen die grenzen gebleven. Ik denk dat ik dat staande kan houden. Je hoeft mij niet aan te duiden als T. V. uit V. Ik ben geen crimineel. Ik sta hiervoor en ben niet van plan ondergronds te gaan.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden