Huisdichter Gerard Beentjes voelde zich op zijn plek in de zorg. Maar wil ook best eens kleedkamerdichten bij Ajax.

Hij is inmiddels huisdichter-af, maar het valt niet mee om Bartiméus, zorginstelling voor mensen met een visuele handicap, los te laten. Zes maanden lang kwam Gerard Beentjes (1951), dichter en freelance poëziedocent, over de vloer in de vestiging in Doorn, waar mensen begeleid worden die meervoudig gehandicapt zijn. Het duurde even voordat men begreep wat hij kwam doen. “Bij een kok spreekt dat voor zich, een dichter moet je eerst meemaken.“

door Hans Nauta

Maar tijdens een periode warmdraaien verdween de wederzijdse onwennigheid en werd het Beentjes zelf duidelijker hoe hij het best kon functioneren. Hij voelde zich erg op zijn plek, zegt hij terugkijkend. “Ik kon iets wezenlijks van mijzelf geven aan mensen die er iets aan hebben. Ik gun elke dichter zo'n ervaring.“ Onlangs verscheen de bloemlezing 'Ben ik gezien: gedichten uit Bartiméus', een afsluitend boekwerk dat 35 gedichten bevat in schrift, braille en op luister-cd.

Hoe communiceer je met mensen die niet alleen een visuele handicap hebben maar ook verstandelijk beperkt zijn. Een duidelijk antwoord had Beentjes zelf niet toen hij voor het eerst het Dag Activiteiten Centrum van Bartiméus binnenstapte.

“Veel bezoekers van het centrum, zowel kinderen als volwassenen, moeten nog veel vaardigheden aanleren, zoals bijvoorbeeld zelfstandig eten en drinken. Als je iets vraagt, krijg je geen antwoord, omdat ze onvoldoende taalvermogen hebben ontwikkeld. Je weet niet eens of ze je vraag begrijpen.“

Met een mix van onzekerheid en onbevangenheid begon hij gedichten voor te lezen. Eerst in groepsverband, en later één-op-één. Dat leverde situaties op die hem nadrukkelijk zijn bijgebleven. Zo las hij eens het gedicht 'De Zwanen' van Gerard Tonen voor in de groepskamer. Over zwanen die de V van Vliegen vliegen, en van Ver, en van Vrij.

“Een meisje dat moeilijk contact maakte in de groep en daarom intensieve begeleiding kreeg, zat in de verste hoek. Ze reageerde, waarop een groepsmedewerkster me gebaarde het nog eens te lezen, nu meer in haar richting. Ik las het vier of vijf keer achter elkaar en elke keer werd haar reactie sterker. Eerst wendde ze haar hoofd in mijn richting, daarna lachtte ze erbij, de derde keer maakte ze vrolijke geluidjes en uiteindelijk joelde en klapte ze mee op het ritme. Mijn lezen veranderde in zingen met humgeluiden en die beantwoordde zij weer.“

Gewoonlijk reageerde het meisje ongecontroleerd agressief. “Nu had ik het gevoel dat er een kabel tussen ons liep en dat we een duet maakten van dit versje. Andere kinderen begonnen mee te hummen en wiegden en giechelden op de maat.“

Verzorgers waren verrast door het effect dat het voorlezen kon hebben. “Ze wisten wel dat voorlezen goed is. Maar in de praktijk bleef dat meestal beperkt tot het draaien van een Annie M.G.Schmidt cd.“

Het besef dat poëzie ook een maatschappelijke functie kan hebben, drong tot Beentjes door toen hij in 1998 een krantenbericht las over poets in residence in Groot-Brittannië. Hij ging er op werkbezoek en leerde dat zoiets ook best in Nederland zou kunnen. Vooral in de zorg kan poëzie het leefklimaat veraangenamen, vanwege de emotionele waarde die een gedicht kan hebben. De stichting Literair Zeist startte daarom het project Dichter bij de Zorg. Vorig jaar verbond Patty Scholten zich als eerste dichter op locatie aan een woonzorgcentrum in Zeist. Het werd net als dit tweede project betaald door pensioenfonds PGGM.

Tijdens zijn eigen huisdichterschap schreef Beentjes vooral portretgedichten, 'interpretaties van ontmoetingen zonder taal', soms geschreven vanuit het perspectief van de ander. Een eis die hij zichzelf stelde was dat zo'n portret de ander recht doet. “Ik wilde niet hun handicap tonen, eerder hun kracht.“

'Mevrouw M.' was één van de geportretteerden die indruk op hemmaakte. “Eerst was ze een onleesbaar boek, maar ze dwingt je om met haar bezig te zijn. Ik snapte steeds beter dat ze niets liet gebeuren wat ze niet wilde. Ze kwam op voor zichzelf en kon flink plagen.“

ben verdwaalspoor voor jou

met dichtgetimmerde bordjes

verboden toegang

spijker lijf dicht met roestige tanden

dichtte hij onder meer over haar.

Ook werd Beentjes geraakt door een jongen die op zijn zestiende blind werd en door zijn verstandelijke handicap niet begrijpt wat hem overkomen is.

iedereen weet, waarom

jij elke dag woedend tegen de nacht aanloopt

en toch

niemand geeft jou een stok om god te slaan

zo besluit hij het gedicht 'Als het licht uitgaat'.

Soms wierp zo'n portret een nieuwe blik op een bewoner die er al jaren verblijft. Zo was er een jongen die zo snel mogelijk de groepskamer verliet, om draaiend over de gang te bewegen. “Volgens de doctorandus van de instelling is hij geïsoleerd en bang. Maar ik vond hem door zijn sierlijke bewegingen net op een danser lijken.“ Beentjes schreef het gedicht 'Danser in de gang' en een verzorger gaf toe niet te weten wie er nou gelijk had. “Omdat taalcontact niet mogelijk is, kun je alleen iets over zo'n jongen zeggen door naar hem te kijken.“

Als het ging hielp Beentjes de verzorgers met activiteiten, bijvoorbeeld bij het leren sleeën, binnen over dekens heen. “Maar tegelijkertijd had ik een vrije rol, en probeerde ik mijn frisse blik zo lang mogelijk te benutten, voordat de gewenning zou toeslaan.“ De verzorgers stonden open voor experimentele werkvormen. “Het blijft zoeken naar nieuwe sleutels in het contact. Je moet wel, omdat je zonder taal in een mysterieus duister tast.“

Naast zijn werk in het Dag Activiteiten Centrum bezocht Beentjes ook mensen die in een begeleid woonproject van Bartiméus wonen in Driebergen. Aan de hand van thema's als verdwalen of sneeuw, hielp hij hen gedichten te maken. Hij schreef hun uitspraken op en las die later weer voor. “Als iets niet klopte kreeg ik dat te horen. Het waren dus echt hun eigen gedichten.“ Een enkeling was een echte dichter, “die kon een nacht wakker liggen om het juiste woord te vinden“.

Eenvoudige gedichten, rijk van rijm en ritme, klank en herhaling, hadden op de kinderen en tieners het meeste effect. Beentjes had altijd gedichten van Paul van Ostayen en bakerrijmpjes en versjes van Iene Biemans in zijn tas zitten. Ook kwamen er veel reacties op een klankgedicht van de Groningse kunstenaar-dichter H.N.Werkman:

'Loemoem lammoem laroem lakoem/ bergamotse pergolas/ boestroem bastroem bestroem bostroem/ arboesti arboesas', enzovoort.

“Dat je dit ook poëzie mocht noemen, dat was wat. Dat klonk naar plezier maken me elkaar. Ik moest het meermalen voorlezen, en maanden later kreeg ik nog van bewoners Loemoem-geluiden te horen als ze door hadden dat ik in hun buurt was.“

Zijn eigen dichttaal is tijdens zijn huisdichterschap kaler geworden. Dat is iets wat in toekomstig werk ongetwijfeld doorwerkt, denkt Beentjes. Ook is hij zich bewuster geworden van de noodzaak om alle zintuigen open te zetten. “Ik probeer alles zo ongefilterd mogelijk binnen te laten komen.“

Zowel dichter als instelling kijken heel positief terug op het poëzieproject. Het is de bedoeling dat het zorgdichten een vervolg krijgt, zegt Beentjes. Mocht dat ook financieel mogelijk zijn, dan zou hij zo weer meedoen. Er is al een psychiatrische instelling die interesse heeft.

Maar het huisdichterschap zou ook goed kunnen werken in een heel andere omgeving. “Bij de marine bijvoorbeeld, op een middelbare school, of in een gevangenis. Of wat dacht je van een half jaar huis- of kleedkamerdichter bij Ajax, is dat geen jongensdroom...“

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden