Hugo Claus leest zijn gedicht voor op zolder

'Watou, metafoor '92. Dichters rond Jose Vermeersch'. Tot en met 6 september, dagelijks van 14 tot 19 uur, toegang BF 100, catalogus BF 200.

Vorig jaar was ik rond deze tijd ook in Watou, om precies dezelfde reden. In de zomermaanden, nu al voor de dertiende keer, is het dorp aan poezie gewijd. Hoe precies, dat is telkens weer een verrassing. Ik kijk even achter de kerk, die hoog boven Watou uittorent. Er ligt een prachtig kerkhof omheen, waar op nogal wat grafstenen namen staan van mensen die nog leven. Zou er daar in de Rutger Koplandstraat nog steeds een moestuin zijn met in elk slakropje een woord van zijn gedicht 'Jonge sla'? Nee, het is er nu een rommeltje, er wordt gebouwd. Wel heeft Lucebert, veel verderop, nog een eigen straat met op het asfalt een paar regels als zebra.

Verantwoordelijk voor deze opmerkelijke zomerse poeziemanifestaties is de in Watou woonachtige dichter Gwij Mandelinck. Hij heeft het voor elkaar gekregen dat je nu mensen het dorp ziet binnenrijden, in auto's of op de fiets, die helemaal voor de poezie hier naar toe zijn gekomen. Ze moeten in het Douviehuis zijn, aan de markt gelegen. Daar betreden ze een nieuwe wereld van tekst en beeld, dit keer zelfs ook van geluid. Het Douviehuis is oud en aangenaam vervallen. Het was ooit een bierbrouwerij. Alle ruimtes van het huis zijn voor de expositie benut.

Was vorig jaar elke dichter gekoppeld aan een beeldend kunstenaar, deze keer is er maar een beeldend kunstenaar, Jose Vermeersch, met vele tientallen beelden van menselijke figuren en van honden. Het zijn aandoenlijke beelden. Ze laten het naakte bestaan zien, brekelijk en gedeukt als het is. Vermeersch' sculpturen hebben, door de houding en vormgeving, wel iets weg van grafbeelden.

Kennelijk is die associatie onvermijdelijk, want meteen al in de eerste kamer liggen twee beelden dramatisch bovenop een lichtbak in een grafdonkere kamer. Een hond zit tussen ze in. Het gedicht dat bij deze opstelling hoort en waarvan de tekst elegant wordt aangeboden op een muziekstandaard, is van Anton van Wilderode. Het gaat over een gebeeldhouwd echtpaar op een tombe:

Zij liggen in een ingetogen staat

van zaligheid en zichtbaar welbehagen

nog in de kleren van hun levensdagen.

De werking die tekst en beeld op elkaar uitoefenen wordt voor een niet gering gedeelte bepaald door de plaatsing van beide in de ruimte en, meer speciaal, door de belichting. Aangrijpend is het gedicht 'De gestorvene' van Ida Gerhardt, dat in de kelder wordt geprojecteerd op de grond en waar het beeld van de gestorven moeder naadloos uit oprijst.

Alle presentaties zijn verschillend. Soms wordt het gedicht groot uitgeschilderd op een muur, soms wordt het in een lijstje ergens opgehangen als een schilderij, ook komt het voor dat er een opname klinkt van de dichter die het zelf voorleest. Dat voorlezen vond ik de sensatie van deze dertiende Watou. Er zijn vier dichters die het doen, en hoe! Luuk Gruwez is te horen op de binnenplaats. Herman de Coninck zegt, bij twee uit het donker oplichtende koppen van een man en een vrouw: "De dood heeft mij een aanzoek gedaan" . Benno Barnard leest in de tuin, vanuit een bosschage, zijn gedicht 'Tuin van Rodin', zo schitterend nauwkeurig en ritmisch, dat je graag nog enige tijd op het bankje blijft zitten om het vaker te horen. Al deze dichters weten wat voorlezen is; het is hooguit jammer dat ze het pauzeloos volhouden, steeds hetzelfde gedicht. Iets meer rust tussen de herhalingen zou beter zijn geweest. Dat je De Coninck nog goed kan verstaan in de kamers met Rutger Kopland en Eddy van Vliet werkt enigszins storend bij het ondergaan van wat die ruimtes bieden.

De kroon op het voorlezen zet Hugo Claus. Zijn zolderverdieping is trouwens onbetwist het hoogtepunt van de expositie. Rondom een televisietoestel is een groot aantal beelden van Vermeersch gezet. Je ziet een opname van Claus, zijn gezicht is vlakbij. Hij leest een van zijn vroegste gedichten, 'De temmer', dat begint met de woorden: "Het wordt nu tijd" . Hij doet dat zo mooi en intens, dat het publiek hier eigenlijk niet weg wil gaan. Men blijft lang staan, draalt op de trap en is zichtbaar onder de indruk.

Deze zomermanifestatie in Watou is allerminst luchthartig. De poezie handelt veelal over afscheid, verlies, angst en dood. De beelden van Vermeersch en de inrichting van de vertrekken versterken het meditatieve karakter. Maar ook het ergste kan nog zo gezegd worden dat het bedwongen lijkt, zoals Anton Korteweg met 'Angst' bewijst:

Geen duizend angsten, maar een vrees:

er is alleen jezelf als straks het leven

boven je hoofd zich gesloten heeft.

Geen andere handen dan de eigen twee,

Geen ander haar om zich aan op te trekken

dan eigen haar - dat plotseling ontbreekt.

Eenmaal het Douviehuis uit gestapt, waan je je in een andere wereld geweest, en dat is natuurlijk ook zo: in de wereld van de kunst namelijk, die trouwens alles met de onze heeft te maken. Het Hugo Clausplein is licht en wijd, het is hier buiten warm, een Poperings biertje zal er wel ingaan. Wie naar Watou reist, en die reis is aan te bevelen, legt honderden kilometers af om zichzelf tegen te komen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden