’House of the Sleeping Beauties’ een droomwereld

Er zaten opvallend veel jonge bezoekers in de Brusselse Munt zaterdag, bij de nieuwe opera ’House of the Sleeping Beauties’ van componist Chris Defoort. De gemiddelde leeftijd in de zaal lag rond de dertig. Misschien dat een deel van dat publiek ook de ’Europese dag van de opera’ had bezocht: een Europawijd open huis voor de opera, dat De Munt geheel wijdde aan de achtergronden van Defoorts ’House of the Sleeping Beauties’.

Maar het leek erop dat het jonge publiek speciaal voor Defoort was gekomen. En dat is niet verwonderlijk: de componist verknoopt in zijn tweede samenwerking met regisseur Guy Cassiers (na ’The Woman Who Walked Into Doors’ uit 2001) een aantal genres en kunstvormen tot een roesachtig melange.

’House of the Sleeping Beauties’ (naar de Japanse schrijver Yasunari Kawabata) heeft iets filmisch, met zijn voice-overs, zijn beeldende instrumentale muziek en de intieme Japanse ruimte (tatami en rijstpapieren scherm) waarin alle handelingen zich afspelen. Een poëtische droomwereld, waarin de protagonisten zweven tussen herinnering, droom en verwachting.

De slapende jonge meisjes waar de oude man Yoshio zich drie nachten lang naast vleit in het ’huis van de slapende schonen’, vormen de tastbare katalysators voor zijn geheugen: proustiaanse madeleinekoekjes bij wie de geur en aanblik hem de vrouwen in zijn leven doen herinneren – met zijn moeder als begin – en eindpunt.

De drie nachten van Kawabata’s oorspronkelijke vijf vormen de actes in Defoorts opera. Drie bezoeken die allemaal volgens hetzelfde patroon verlopen: Yoshio komt binnen, praat met de bazin van het vreemde bordeel, ontkleedt zich en brengt de nacht door met zo’n anoniem meisje. Slapend wel te verstaan (sex is verboden) en nostalgisch mijmerend.

In de opera zijn die fases steeds helder onderscheiden, als een ritueel: met sprekende acteurs bij aankomst en vertrek uit het bordeel (de verre, Satie-achtige nachtclubpiano als enige muziek) en gezongen tijdens de nachten zelf.

Defoort houdt het verhaal spannend door die structuur en door de dromerige muzikale sfeer, een eigenzinnig vervloeiend amalgaam: de nachtmuziek met zijn hallucinante zanglijnen en instrumentaties tegenover de fel oplichtende instrumentale interludes, die in de verte wat aan Britten doen denken.

Het Asko/Schönberg speelde zaterdag onder Patrick Davin expressief en hecht. Defoort had de intens en natuurlijk zingende Barbara Hannigan (de belichaming van Yoshio’s herinneringen) prachtig meanderende partijen toebedeeld – en zelfs een Hündel-Bach-Webern-pastiche in het tweede deel, als lichte toets. Bariton Omar Ebrahim was een deels berustende, deels opstandige Yoshio; het vrouwenkwartet van sopranen en mezzo’s gaf in quasi-oudemuziekstijl commentaar als koor.

De regie van Guy Cassiers toonde eenvoudig en intiem: een bloedrode kamer, met een trage film als achterwand. In die papieren muur een uitsparing voor danseres Kaori Ito, die als woelende trapezewerkster de slapende meisjes verbeeldde. Verleidelijk, ongenaakbaar en onbereikbaar verleden tijd voor de oude man.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden