Houdt verborgen gen man en vrouw in evenwicht?

Moeder natuur is rechtvaardig. Ze staat niet toe dat man of vrouw in aantal de heerschappij naar zich toetrekt. Op de 100 meisjes worden pakweg 102 jongens geboren, maar de heren betreuren enig verlies in de beginjaren, zodat rond de tijd van de voortplanting ruwweg twee gelijke colonnes arriveren. Maar dan komt er oorlog: ga de monumenten op dorpspleinen in Franse gehuchten langs en je beseft dat de meiden in 1918 moesten vrezen nooit aan de man te geraken.

Vreemd genoeg duurt de mannenschaarste maar kort, en de vraag is wie of wat het evenwicht zo spoedig herstelt. Er is geopperd dat hier de verhoogde vrijlust uit spreekt van de teruggekeerde soldaat die seksueel zo lang op water en brood moest leven. Veelvuldig vrijen resulteert in frequentere bevruchting vroeg in de cyclus, en door hormonale invloeden zouden daar vaker jongetjes van komen. Echt?

Niet die soldaat maar het DNA biedt uitkomst, vernemen we nu van onderzoeker Corry Gellatly in het vakblad Evolutionary Biology. Hij becijfert dat een verborgen gen ervoor kan zorgen dat de gekortwiekte mannenschare al gauw weer bij de vrouwenstoet langzij komt. Waar Gellatly het gen moet zoeken weet hij niet, maar hij redeneert logisch. Hij veronderstelt dat mannen uit gezinnen met veel broers vaker zoons krijgen, en mannen uit gezinnen met veel meisjes vaker dochters.

Gellatly speurde naar bewijs daarvoor in de stambomen van 927 families uit Noord-Amerika en Europa, met gegevens van 556.000 mensen, terug tot 1600. Die families luisterden naar zijn stelling: jongens uit jongensgezinnen kregen (door de bank genomen) meer jongens, jongens uit meisjesgezinnen meer meisjes.

Denk nu eens mee: bij een hogere sterfte onder mannen raken families met weinig jongens snel ’ontmand’ en blijven vooral mannen uit jongensgezinnen over. De stambomen vertellen dat die vaker zoons krijgen. Zo’n scenario voltrok zich mogelijk in beide wereldoorlogen, toen meisjesgezinnen hun enige jongen moesten afstaan. De jongensgezinnen ’hielden nog wat over’, en die gingen ervoor na 1918. Dus: veel zonen.

De aanleg voor zoon of dochter zoekt Gellatly in een nog verborgen gen. Jongens in mannenfamilies hebben een variant die zorgt dat ze meer ’mannelijke’ zaadcellen, met een Y-chromosoom, produceren. Jongens uit vrouwenfamilies beschikken over een iets anders uitgedost gen dat juist meer ’vrouwelijke’ zaadcellen, met een X-chromosoom, op pad stuurt.

Vraag de boodschapper niet hoe het anonieme stukje DNA dat voor elkaar krijgt. Maar een gen met zo’n dubbele gedaante kan wel verklaren waarom de mannen- en vrouwenkaravaan elkaar in aantal steeds weer benaderen. Maakt het ’zonen-gen’ furore en komen de mannen in de meerderheid, dan treedt voor hen dezelfde schaarste aan partners op als voor de vrouwen in 1918. En dan kan het meiden-gen aan een opmars beginnen.

We kunnen dit alles niet weerleggen, en daar voelt prof.dr. Hans Evers, hoogleraar gynaecologie en verloskunde in Maastricht, evenmin voor. ,,Eigenlijk kun je hier weinig tegenin brengen: het is een plausibel idee, maar niet meer dan een hypothese. Dat zijn verklaringen als het frequentere vrijen vlak na de oorlog of de toegenomen zorg van ouders voor het mannelijk nageslacht ook. Nee, dan vind ik Gellatly’s suggestie aantrekkelijker.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden