'Hopelijk wordt Tsjaad minder onzichtbaar'

De toekomst van de film ligt volgens sommigen niet langer in het Westen, maar bij talentvolle regisseurs uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika. Het nieuwe festival World Cinema Amsterdam, dat vanavond van start gaat, richt zich dan ook volledig op niet-westerse films. ’Un homme qui crie’ van de Tsjaadse regisseur Mahamat- Saleh Haroun is de openingsfilm. „Ik hoop dat Tsjaad door mijn verhalen wat minder onzichtbaar wordt.”

Belinda van de Graaf

De internationale doorbraak van de Tsjadische cineast Mahamat-Saleh Haroun (49) kwam met zijn eerste speelfilm ’Bye Bye Africa’ (1999) waarin hij zichzelf speelde: een filmregisseur die vanuit Frankrijk terugkeert naar Tsjaad, en te midden van chaos en ontreddering een film probeert te maken. Met ’Abouna’ (2002) portretteerde hij daarna twee broertjes die vanuit de Tsjadische hoofdstad N’Djamena op zoek gingen naar hun spoorloos verdwenen vader. In ’Daratt’ (2006), Harouns meest geprezen film tot nu toe, klopte een jongen aan bij de moordenaar van zijn vader. En in ’Un homme qui crie’ – in mei bekroond met de Juryprijs in Cannes – sluipt de burgeroorlog opnieuw op dramatische wijze het leven van een vader en zoon binnen. Haroun is niet geïnteresseerd in het tonen van oorlogshandelingen, wél in het effect van oorlog op mensen, op hun moraal. De Chinezen die dit keer op de achtergrond rondscharrelen zijn – zoals in zoveel andere Afrikaanse landen – de nieuwe ondernemers en werkgevers. „Ze belichamen de economische kolonisatie van het Afrikaanse continent”, aldus Haroun.

’Un homme qui crie’ werd dit jaar als enige Afrikaanse film geselecteerd voor de competitie van Cannes. Hoe belangrijk is die aandacht?

Mahamat-Saleh Haroun: „Het was dertien jaar geleden dat een Afrikaanse film mocht meedoen, dus dat gaf wel een bepaalde druk. Het was alsof ik opeens tot woordvoerder van een heel continent werd gebombardeerd. Dat voelde als een grote verantwoordelijkheid. Maar omdat ik als de oudste zoon van mijn familie in Tsjaad ook vaak dingen moet doen zonder vragen te stellen, ben ik blij dat ik Afrika mag vertegenwoordigen. Ik ben blij voor mijn land. Het is de eerste keer dat Tsjaad meedoet en het is alsof we eindelijk aan onze filmgeschiedenis mogen beginnen.”

De burgeroorlog in Tsjaad heeft de ontwikkeling van film belemmerd?

„Toen ik jong was – in de jaren zestig – kon ik nog wel films kijken in de bioscoop. Het is de plek waar mijn dromen begonnen. Nu is alles verwoest. Er zijn geen bioscopen meer in Tsjaad.”

Terwijl er misschien wel een publiek is?

„Films rouleren op video’s en dvd’s. Omdat er geen grote schermen zijn, verzamelen mensen zich rond tv-schermen. Een jaar of tien geleden bezocht ik in een dorpje in Tsjaad een kleine videoclub waar ze de ene avond ’Terminator 2’ vertoonden en de andere avond ’Bye Bye Africa’. De eerste trok dertig bezoekers. De tweede vijftig. Ik was trots dat ik Terminator had verslagen, maar het was ook bizar om te beseffen dat mijn film in Tsjaad populairder was dan de grootste Amerikaanse box office hit.”

Het is belangrijk voor mensen om zichzelf gereflecteerd te zien?

„Absoluut. Film werkt als een spiegel. Stel, je hebt een probleem en je ziet dat anderen ook met iets worstelen, dan voel je je opeens een stuk minder alleen. Ik probeer met mijn films een beetje licht te brengen in de duisternis van de oorlog waarin mijn land zich nu al zo lang bevindt. Ik hoop dat Tsjaad door mijn verhalen wat minder onzichtbaar wordt.”

Hoe wordt er in Tsjaad gereageerd op uw internationale succes?

„Toen mijn vorige film ’Daratt’ vijf prijzen won in Venetië, waaronder de Grote Juryprijs en de Unesco-prijs, waren de regeringsleiders zo trots, dat het geloof in de cinema sindsdien weer is gaan groeien. Het grote nieuws is, dat de regering anderhalf miljoen euro heeft gegeven voor de renovatie van een filmtheater. In december vorig jaar, toen ik opnamen aan het maken was in Tsjaad, heb ik ze al aan het werk gezien. Het was een klein mirakel. Revoluties, daar geloof ik niet zo in, wel in dit soort kleine stappen voorwaarts.”

In ’Un homme qui crie’ verkoopt een vader onder grote druk zijn zoon aan de oorlog. Verteerd door berouw probeert hij zijn wanhoopsdaad te herstellen, maar het drama lijkt onafwendbaar, als in een Griekse tragedie. In de film stelt u op een gegeven moment de vraag of God bestaat.

„In de Koran van de moslims, de Bijbel van de christenen en de Tenach van de joden, heb je de figuur van Abraham ofwel Ibrahim die zijn zoon moet offeren aan God. Bij het schrijven heb ik vaak aan hem gedacht. Het kan zijn dat er ook allerlei mythologische verhaallijnen in de film zijn geslopen, ik heb de Grieken ooit verslonden, en er stond me met deze film ook wel iets voor ogen van een odyssee, een verhaal over het begin van het leven. Maar waar het vooral om gaat is dat na het verraad de wroeging komt. Morele vraagstukken komen plots aan de oppervlakte. Heb ik wel het goede gedaan? Ergens hoopt de vader dat zijn vriend zal zeggen dat God bestaat, dat God een oplossing heeft. Dat blijkt niet zo te zijn.”

Het was gisteren de dag dat Tsjaad vijftig jaar onafhankelijkheid van kolonisator Frankrijk had moeten vieren, iets wat veel landen op het Afrikaanse continent dit jaar doen. Maar van festiviteiten wordt geen melding gemaakt. Daar is dan ook weinig reden toe.

Vlak na de onafhankelijkheid raakte het door Libië, Soedan, Centraal-Afrikaanse Republiek, Kameroen, Nigeria en Niger omsloten land in een langdurige burgeroorlog ondergedompeld. De strijd begon in 1965 in het door moslims gedomineerde noorden. Opstandelingen werden gesteund door buurland Libië. Inzet was de Aouzou-strook, een stuk land in Noord-Tsjaad dat Frankrijk en Italië, voormalig kolonisator van Libië, onder elkaar hadden verdeeld.

Ook in het zuiden waren er onrusten tussen de tientallen verschillende etnische groepen die in Tsjaad leven. In 1987 kwamen Tsjaad en Libië een wapenstilstand overeen en in 1994 wees het Internationale Gerechtshof de Libische claim op de Aouzou-strook af. De burgeroorlog duurde tot 1996, in dat jaar werd een vredesverdrag gesloten en een nieuwe grondwet aangenomen. Idriss Déby, de huidige president, werd toen ook gekozen.

Maar Oost-Tsjaad blijft een instabiele en gevaarlijke regio. Sinds 2003 worden er duizenden vluchtelingen uit de aangrenzende Soedanese regio Darfur opgevangen. Geregeld breken er gewapende opstanden uit door rebellengroepen. Zij strijden om de macht en voor een aandeel in de olieopbrengsten.

In het gebied leek de rust hersteld na een akkoord in februari tussen Tsjaad en Soedan. Toch laaide eind april het geweld weer op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden