Hoop op de Nieuwe Wereld

Europese immigranten bij hun aankomst in de Nieuwe Wereld, 1858 (ILLUSTRATIE UIT ?HARPER?S WEEKLY?)

Komende dinsdag wordt bekend wie de Booker Prize 2010 voor Engelstalige romans zal winnen. De shortlist is divers en interessant. Een van de kanshebbers is de Australiër Peter Carey.

De Booker Prize mag in handen zijn van het Britse literair establishment, als gebeurtenis reikt haar invloed veel verder: de aankondiging van longlist en shortlist brengt een lawine aan artikelen, etalagemateriaal en herdrukken op gang. En zet, als het goed is, veel mensen aan het lezen. Want daar is zo’n prijs natuurlijk voor bedoeld.

Dat het dit jaar nogal een aparte lijst is, is daarom misschien van minder belang. Er komen sowieso meer goede Engelstalige boeken uit dan de shortlist ooit recht kan doen.

Toch was er veel te doen om het feit dat David Mitchells ’De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet’ de shortlist niet gehaald heeft. En persoonlijk bleef ik al snel steken in het nogal oppervlakkige boek van Howard Jacobson, dat leest als een van zijn luchthartige columns. Maar er is nu eenmaal geen absolute schaal: de lijst weerspiegelt niet meer dan de smaak van een bewust ongeordend samenraapsel van juryleden.

Ook het voorspellen van de winnaar is een riskante zaak: je kunt er beter niet aan beginnen. Wel kun je stellen dat de shortlist een interessante mix van genres omvat. Tom McCarthy’s ’C’ is een experimentele roman, Andrea Levy’s ’Het lange lied’ een historisch-perspectivistische (om eens een term te bedenken) en Emma Donoghue’s ’Kamer’ vertelt het (inmiddels helaas vertrouwde) verhaal van een jongen die een jaar lang in een kamer wordt opgesloten met zijn moeder als enig gezelschap.

Breed van opzet is Damon Galguts ’In een vreemde kamer’, over een man die zichzelf na een reis door Griekenland, India en Afrika hervindt. De roman contrasteert weer sterk met Howard Jacobsons ’The Finkler Question’, een wel erg Londens verhaal over de wereld van de media.

En dan is er Peter Carey’s ’Parrot en Olivier’, een complexe vertelling over een Engelse bediende en een Franse aristocraat, die begin negentiende eeuw samen de boot naar Amerika nemen. Het boek is vorige week in vertaling verschenen; reden om er hier wat dieper op in te gaan.

Er bestaat trouwens een goede kans (de Britten houden van wedden) dat Peter Carey de prijs voor de derde keer in de wacht zal slepen, zoals hij in 1988 deed met ’Oscar en Lucinda’ en in 2001 opnieuw met met ’True History of the Kelly Gang’. En dat waren dan nog echt Australische boeken, die de psyche en de geboorte van de natie onderzochten.

Nu focust Carey op Amerika, of eigenlijk meer: op wat een Engelsman en een Fransman daarvan verwachten, en hoe ze de Nieuwe Wereld ervaren.

De naam ’Parrot’, papegaai, is eigenlijk een bijnaam, die Parrot te danken heeft aan zijn talent om accenten te imiteren. Het ’Engelse rotjoch’ kan bijvoorbeeld Frans praten alsof hij afkomstig is uit de chique Parijse wijk Fauborg Saint-Germain. Die kunst stelt hem in staat zich van een weesjongen te ontpoppen tot een Australische, later Franse spion, en ten slotte tot Amerikaan.

Zijn ’meester’ Garmont, telg van een trouwe, koningsgezinde familie en gefixeerd op zijn ziekelijke, heerszuchtige moeder, wordt onverbiddelijk aangetrokken door Amerika. Hij arriveert daar in een staat van verbaasde extase, en raakt langzaam verliefd op de nieuwe, schijnbaar anti-aristocratische natie. „Toen de magistraat de zaak gerechtvaardigd verklaarde en de beslissing van de grondleggers verkondigde om ofwel zich over te geven ofwel Amerika te bevrijden, leek een elektrische schok ieders hart sneller te doen kloppen.”

Maar Garmonts verlangen om bij de Nieuwe Wereld te horen, gaat niet in vervulling, en wel juist omdat de elite daar zo graag wil lijken op de Oude Wereld. Anders dan Garmont, slaagt de oneindig kameleontische Parrot wél in Amerika, net als een hele club artiesten en valsemunters.

Op het eerste gezicht doet het boek denken aan het (al of niet op waarheid gestoelde) verslag dat de Franse staatsman Chateaubriand uitbracht over zijn ervaringen in de Verenigde Staten, toen het land net onafhankelijk was. Ook verwijst het plagerig naar Talleyrand en, brutaler, naar Tocqueville’s ’Democracy in America’, want het is Olivier de Garmonts ’taak’ een verhandeling te schrijven over het Amerikaanse gevangenissysteem. Maar dat is niet meer dan een dekmantel, die hem helpt een netelige situatie in Frankrijk te ontvluchten.

Diep daaronder, maar nog wel net zichtbaar, herkennen we Cervantes’ Don Quichot, met Olivier in de rol van de dolende ridder en Parrot als zijn bediende Sancho Panza. Een ’bewerking’ is dit natuurlijk niet, maar het boek is wel stevig geworteld in de traditie van de reis- en schelmenroman, die meestal dient om de samenleving waarin ze zich afspelen tegen het licht te houden.

Daarvan zijn er in dit boek minstens drie. Ten eerste Engeland, dat zelf bruist van de revolutionaire ideeën, maar bang is voor Franse toestanden. Dan het Frankrijk van drukkers die in de roman de opdracht krijgen subversieve teksten te reproduceren in een land dat schommelt tussen decadente hoven, de Revolutie en Napoleons nieuwe regime. En ten slotte natuurlijk Amerika, dat wel zelfstandig is, maar gedomineerd wordt door een zelfbewuste klasse, die de Oude Wereld imiteert.

’Parrot en Olivier’ is een knap staaltje romankunst, zoals je van Carey verwacht. Bijna moeiteloos reproduceert hij de stijl en cadans van een voorbij tijdperk. Dat zal misschien niet alle lezers aanstaan, want soms neemt het proza archaïsche vormen aan. Het is dan ook geen roman die je in één ruk uitleest, ik deed er in elk geval lang over. Af en toe nam ik een duik, als ik zin had de helden op een nieuw deel van hun reis te volgen.

Overigens zijn de mensen die Parrot en Olivier onderweg ontmoeten soms levendiger getekend dan de hoofdpersonen zelf. Liefdevol beschrijft Carey de Franse bibliofiel en wijnliefhebber Duponceau, een teleurgestelde immigrant in het door strenge geheelonthoudende Quakers gedomineerde Philadelphia. En dan zijn er nog de zwierige bon vivant Blacqueville en de temperamentvolle Franse artieste Mathilde. Opmerkelijk genoeg is Carey op zijn best – gepassioneerd, intelligent en complex – als hij de Angelsaksische wereld beziet door de ogen van Fransen. Want Engelstaligen mogen soms dóen alsof ze de Fransen niet mogen, eigenlijk bewonderen ze hen. Dit boek getuigt net zozeer van die liefde als van de Australische (of niet-Amerikaanse) gehechtheid aan Amerika.

Voorspellen wie de Booker Prize wint, is zoals gezegd, onmogelijk, alleen al door de veelkleurige samenstelling van de jury. Daarin hebben dit jaar journalisten, een schrijver, een danser en de dichter Andrew Motion zitting. De gevolgen daarvan houden lezers én critici hevig bezig. Zo herinnert The Guardian eraan dat er geen debuten op de shortlist staan, maar dat ’vernieuwing ook niet afhankelijk is van ’nieuwtjes’’. En de schrijvers Philip Pullman en Philip Hensher mopperen in The Telegraph dat ’het gebruik van de tegenwoordige tijd een cliché aan het worden is’. Maar wie de prijs ook zal winnen, de romankunst krijgt er veel aandacht mee. En dat is altijd goed nieuws.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden