Hoog in de bajes raast de wind

Wie zitten op de nieuwe afdeling voor gevangenen met ernstige psychiatrische stoornissen? Deel vier van een serie over het Nieuwe Opsluiten.

Bovenin een van de torens van de Amsterdamse Bijlmerbajes zitten de meest psychisch zieke gedetineerden van Nederland. In 1981 verbleven er negen zwaar gestoorde gedetineerden, nu zijn dat er jaarlijks zo’n 330.

Het eerste dat hierboven opvalt, is het gesuis van de wind. Een constant gesuis, en verder stilte. Daaroverheen is alleen soms een stem te horen van een man die een reeks woorden roept. Niet op boze toon, eerder dwangmatig.

Soms stokt het roepen en wordt het vervangen door een ritmisch geklop. De ondertoon blijft het monotoon razen van de wind.

De isoleerafdeling van de Forensische Observatie en Begeleidings Afdeling, kortweg Foba, is gevestigd op de bovenste verdieping van een van de torens van de Bijlmerbajes. Acht cellen. Voor ernstig psychisch gestoorde mensen die, waar ook in Nederland, volledig zijn doorgedraaid in hun gevangeniscel en niet meer te handhaven zijn.

In het kantoortje achter glas zijn acht schoolbordjes waarop wordt bijgehouden wie waar zit, plus noodzakelijke bijzonderheden. Een vrouw met bril let op. In cel vier, staat er in schoolbordkrijt, zit een man die brand heeft gesticht in zijn cel. Hij mag niet roken. Andere patiënten in de Foba mogen dat wel. „Het kan niet anders. Alle psychisch gestoorden roken”, zegt chef de clinique Jan Gorter met een glimlach.

Gorter zwaait een grote deur open. Elke cel wordt om de drie maanden volledig gerenoveerd, gebaart hij om zich heen. De gedetineerden krabben in hun psychoses de verf van de muren. Schrijven met poep op de wanden. Plakken poep of wc-papier tegen het glas van de camera’s. De camera’s staan alleen aan als de artsen dat dringend noodzakelijk vinden voor de veiligheid, bijvoorbeeld als iemand suïcidaal is, zegt Gorter. „Verder staan ze altijd uit. Maar ik zou dat zelf ook niet geloven, als ik hier zat.”

De Foba is extra versterkt. Berekend op menselijk oergeweld. „Deze deuren wegen vijfhonderd kilo”, zegt Jan Gorter. Hij wenkt, mee naar de ramen die uitzicht bieden op grijze woonblokken buiten de Bijlmerbajes. Daar ligt een psychiatrische instelling. „Daar is eens iemand van hier terechtgekomen. Door omstandigheden kwam het tot een incident, waarbij hij met deur en al naar buiten kwam zetten. Daar zijn ze daar behoorlijk van geschrokken.”

In een nisje aan de binnenkant van elke celdeur staat een klok, formaat reiswekkertje. Gestoorde gedetineerden verwisselen vaak dag en nacht. En op deze afdeling, waar alleen het gesuis van de wind het leven bepaalt, verwaait het besef van tijd anders helemaal.

In een aantal cellen is een hurktoilet. Geïnstalleerd nadat iemand zichzelf dodelijk had verwond door met zijn hoofd tegen de toiletpot te blijven stoten, vertelt Gorter. „Maar als iemand echt dood wil, kun je daar helemaal niets aan doen. Die muren zijn hard”, zegt hij, terwijl hij zijn hand op de wand legt.

Vastberaden: „Wij zijn er om te zorgen dat hier niet die mensen dood gaan, die eigenlijk niet écht dood willen.”

Gedempt klinkt het geluid van een muziekzender. In een van de grotere kamers is door het raam nog een schim voor een televisiescherm te zien. In de grote open ruimte tussen de tien open celdeuren, staat een eettafel en is een zitje gemaakt. Mannen sjokken rond, soms schuifelend, soms monotoon wandelend. Sommigen zitten, praten even op luide toon. Dan is weer alleen de gesmoorde muziek te horen.

Achter glas is een met een halve deur afgeschermd kantoortje. De begeleiders houden permanent zicht op de open ruimte. Ze zien aan het loopje, aan de gebaren, of er iets mis kan gaan. „Als het loopje of de gebaren veranderen, weten we: nu is het even opletten, even oppassen”, zegt een van de begeleiders.

Werken bij de Foba is intensief en onvergelijkbaar met enige andere functie in het gevangeniswezen of de zorg, zeggen begeleiders van de Foba. Met een mengeling van trots en ernst spreken ze over hun werk. Gemiddeld vindt er anderhalf geweldsincident per dag plaats, zegt chef de clinique Jan Gorter.

„Dat betekent dat je wordt bedreigd, uitgescholden, koffie over je heen krijgt.” „Of een bekertje urine”, vult een van de begeleiders aan. „Dat calculeer je in.”

Eens in de tien dagen krijgt de afdeling te maken met een ’ernstig incident’. „Dat is een blauw oog, of een schaafwond”, somt begeleider Frits zakelijk op. „Het ernstigst zijn die toevallige aanvallen. Iemand loopt je lachend voorbij, en dan ineens: pets.”

De begeleiders staan niet helemaal met lege handen. Omdat dit ook een gevangenis is, mogen medewerkers van de Foba soms geweld gebruiken dat in andere instellingen waar psychiatrische patiënten wonen niet is toegestaan. Het toepassen – met mate en met een duidelijk doe – van handboeien bijvoorbeeld, om mensen tegen zichzelf en voor anderen te beschermen. Of het tegemoet treden van onhandelbare patiënten met helmen en schilden.

Wat de voortdurende geweldsdreiging met je doet? Frits: „Je bouwt het in je werk langzaam op, zodat je eraan went. Je houdt er altijd rekening mee. Je weet dat het kan gebeuren. Het belangrijkste is dat je het gevoel moet hebben dat je veilig bent. Dat vertrouwen, en het delen met collega’s. En het opmerkelijke is: je loopt een groot risico hier, maar het verloop is minimaal.”

Bij de gedetineerde gestoorden, murw van hun ervaringen in zorginstellingen en gevangenissen, overheerst een allesomvattend wantrouwen. Genezen lukt nooit, zegt Gorter. Hooguit lukt het deze beschadigde, zieke mensen het ouderwetse ’rust, reinheid en regelmaat’ wat bij te brengen.

„Dat betekent: ’s ochtends gezamenlijk aan tafel ontbijten. Op een stoel. Met één boterham in plaats van acht tegelijk op je bord. En die te smeren, en niet in zijn geheel door de pot pindakaas te halen.”

Waar halen de begeleiders op deze afdeling voor criminele chronische patiënten voldoening in hun werk uit? Frits: „Voldoening? Als ik weer naar huis kan! Nee, wat hier voldoening geeft, zijn kleine dingen. Veel mensen hier verzorgen zichzelf heel slecht. Hun cel is een puinhoop. Dat iemand dan zomaar ineens helemaal alleen gaat douchen. Dan denk je wel even: hè hè.”

De Foba heeft ook een aparte vrouwenafdeling. Bernadette schuift er met haar grote lichaam kalm over de brede gang. Links en rechts celdeuren. Ze heeft beloofd te laten zien waar zij woont. Even kijkt ze wat bedenkelijk: „Maar ik heb wel een dekbed dat verschoond moet.” Na de verzekering dat dat niet hindert, draait ze zich om en loopt voorop.

De centimetersdikke deur van haar kamer staat open. Bernadette loopt meteen kalm naar haar bed en trekt aan de punt van een verfrommeld laken. De hoop lakens op bed ligt nu in een andere frommel. Links is een toiletruimte. In de hoek een kleine nis, waarin een klokje staat. Om het tijdsbesef niet te verliezen. In het glas voor het klokje zitten dikke barsten: iemand heeft ertegenaan geslagen.

Tegen de wand staat een tafel. „Daar ontbijt ik”, zegt Bernadette. Vlak maar vriendelijk wijst ze naar de pindakaas en jam. „En het middageten ook. Daar staan de toiletspullen.” Deodorant, shampoo en haarmiddel staan in een klein rijtje op het tafelblad.

Bernadette kijkt kalm, met grote neutrale ogen, het bezoek aan. „Ik ben christen, dus daar ligt de Bijbel. Daar liggen de puzzels. Soms puzzel ik met de begeleiders.” In de vensterbank liggen de drie dozen.

Op de plank boven de tafel staan twee lege houdertjes van luchtverfrisser. Daartegenaan leunen twee sierlijk geknipte groene vouwblaadjes, waarop elk een pasfoto is geplakt. „Dat zijn mijn dochters. Dit is Ella, mijn oudste. Dit is Eva. Ze zijn in een pleeggezin.”

Kalm loopt ze weer naar buiten. „Dankjewel, Bernadette, dat we je kamer mochten zien.” Bernadette glimlacht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden