HOOFD RESTAURATIE Uit de hele wereld naar het Frans Hals-atelier

Dit is de zevende aflevering in een serie over het werk achter de schermen in Nederlandse kunstmusea.

Echt groot is het restauratie-atelier van het museum niet te noemen. Het is een langwerpige ruimte met een schuin aflopend dak op de zolder van het voormalige Haarlemmer oudemannenhuis. Toch werden hier de schuttersstukken van Frans Hals gerestaureerd, enorme doeken van zo'n tweeeneenhalf bij drie meter.

Ella Hendriks werkte hier vanaf 1986 aan mee. Toen haar voorgangster Anne van Grevenstein een jaar later naar Limburg vertrok om een restauratoren-opleiding op te zetten, werd zij hoofd van het atelier.

“De ruimte die wij hier hebben, is beperkt”, geeft ze toe, “een historisch gebouw heeft zijn restricties. Maar de meeste restauraties kunnen hier worden uitgevoerd. Alleen het doek van Cornelis Cornelisz. van Haarlem, dat onlangs gerestaureerd is, hebben we in de grote zaal beneden gedaan: achter een tussenwand van perspex, zodat het publiek het proces kon volgen. Maar dat schilderij is dan ook vier meter lang en tweeeneenhalve meter hoog.”

Hendriks' specialisme is schilderkunst. Als hoofd van het atelier is zij de enige restaurator met een vaste aanstelling; daarnaast werkt het museum per project met freelancers. Onmogelijk om voor ieder deelgebied een specialist in dienst te hebben; aan de restauratie van het zeventiende-eeuwse poppenhuis van Sara Rothe - een meerjarenproject dat het atelier momenteel onder handen heeft - werken, naast Hendriks zelf, verschillende freelance-restauratoren met specialismen als textiel, papier of metaal. Voor materialen als was of riet komt een apart iemand, en dan zijn er nog vreemde varia als turf en insekten.

Onderzoeken met de microscoop en met ultraviolet licht kunnen in het atelier worden uitgevoerd. Ook de apparatuur voor rontgenopnamen is aanwezig, maar mag alleen worden bediend door een gespecialiseerd bedrijf. Voor opnames met infrarood licht wordt een specialist ingehuurd, die zijn eigen apparatuur meebrengt. Verfmonsters worden bekeken in het Centraal laboratorium in Amsterdam.

De meeste restauraties die in het Frans Halsmuseum worden uitgevoerd, betreffen schilderijen. In principe bestaat het werk uit onderhoud; schilderijen die beschadigd zijn, worden geconserveerd, en gerestaureerd, wanneer ze getoond moeten worden. Daar het aankoopbudget niet toereikend is om oude kunst bij te kopen, kan door het schoonmaken van werken uit het depot toch af en toe een 'nieuw' schilderij worden getoond. “Creatief omgaan met je collectie”, noemt Hendriks dat; zo legt ze nu de laatste hand aan een 17e-eeuws portret van Jan Weenix, dat binnenkort op zaal komt te hangen.

Ook een bruikleenaanvraag vormt vaak een aanleiding om een schilderij te restaureren. Per maand krijgt het museum zo'n tien verzoeken, waarbij Hendriks beslist of de conditie van een schilderij het uitlenen toestaat. “Meestal moet een aantal kleine dingen worden gedaan, maar soms zijn veel bewerkelijkere restauraties nodig, zoals het weghalen van verkleurde overschilderingen of van een laag vergeelde vernis. Tegenwoordig gebeurt het wel dat de kosten van de restauratie door de bruikleenaanvragers worden gedekt. Zo bekostigde het Historisch museum in Bern zes maanden lang het verblijf van een stagiaire die het schuttersstuk van Hendrik Gerard Pot, dat het museum wilde lenen, hier heeft schoongemaakt. Er zat een laag ontzettend bruine, vuile vernis op.

Daaronder bleek het doek veel mooier dan we verwachtten.'' Daarnaast ontvangt het museum van het John Paul Getty-museum in Malibu een beurs van de Getty Grant Foundation: een betaalde opleidingsplaats voor een persoon. In ruil daarvoor ontvangt het museum in Californie een kopie van de behandelingsverslagen en de onderzoeksresultaten.

“Dit atelier opereert behoorlijk internationaal. Sinds Anne van Grevenstein in 1983 hoofd werd, komen hier steeds meer mensen uit het buitenland. De basisopleiding tot restaurator duurt vier of vijf jaar, waarvan het laatste jaar uit een stage bestaat; door stagiaires aan te nemen, vervullen wij ten dele een opleidingsfunctie.” Behalve de unieke collectie Hollandse en Haarlemse zeventiende-eeuwse schilderkunst, die hier in samenhang met historisch archiefmateriaal kan worden bestudeerd, is een stage in het Frans Halsmuseum om een tweede reden aantrekkelijk. “Hier wordt door restauratoren nauw samengewerkt met historici en kunsthistorici”, verwoordt de uit Amerika afkomstige Bruce Suffield de reden van zijn komst.

Dat deze nieuwe benadering van restauratie in Haarlem volop wordt toegepast, komt volgens Hendriks, doordat directeur Derk Snoep open staat voor wat 'de nieuwe kunstgeschiedenis' wordt genoemd: uitwisseling tussen verschillende experts, waarbij gekeken wordt hoe kennis over de technische aspecten van kunst de kunstgeschiedenis kan beinvloeden. Hoewel zo'n samenwerking voor de hand lijkt te liggen, was die tot voor kort binnen de hierarchie van de museumwereld vrij ongebruikelijk. De mening van restauratoren met hun technische scholing gold vanouds als een stuk minder belangrijk dan die van conservatoren met een kunsthistorische opleiding. De nieuwste lichtingen restauratoren hebben naast hun praktijkstudie echter een kunsthistorische vooropleiding gevolgd, zoals Hendriks, of een kunstacademie doorlopen.

De samenwerking tussen Hendriks, de natuurwetenschappelijk opgeleide Karin Groen en kunsthistorica Koos Levy verliep goed bij het onderzoek naar werk van Frans Hals, en recentelijk bij het onderzoek van de schilderijen van Judith Leyster, die nu in het museum worden tentoongesteld. Toch vormt dit slechts een deel van Hendriks' dagelijkse werk. “Het is heel interessant, maar bijna een soort hobby, want het vergelijkende onderzoek moet tijdens de tentoonstelling worden uitgevoerd, buiten de publieksuren om. Dat is dus in mijn vrije tijd.

Overdag ben ik naast het restaureren van schilderijen bezig met routineklussen als het controleren van de klimaatbeheersing, het toezicht op de opslag in het depot en het opstellen van conditierapporten. Aan documentatie wordt tegenwoordig veel belang gehecht. Restauratie blijft ingewikkelde materie”, constateert Hendriks. “Wat de een conserveren noemt, is voor de ander al restaureren. In principe is alles wat je toevoegt, een vervalsing, want het hoorde er oorspronkelijk niet bij. Het voordeel van een samenwerkingsproject als het poppenhuis is dat er heel veel overleg bij komt kijken. Iedere probleemstelling heeft een eigen oplossing. Per situatie bespreek je alle voor- en nadelen. Ik vind het heel belangrijk om die uitwisseling te hebben.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden